|
Uitspraak
98/4854
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
in
werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(hierna:
Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het
onderhavige geval
is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de
Haven- en
aanverwante bedrijven, Binnenscheepvaart en Visserij. In deze uitspraak
wordt
onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Appellante is op bij aanvullend beroepschrift van 8 oktober 1998
aangegeven
gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank
te
Rotterdam onder dagtekening 13 mei 1998 tussen partijen gewezen
uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft op 26 november 1998 een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 april
2000, waar
namens appellante is verschenen W.J. Spiegelberg. Gedaagde heeft zich
doen
vertegenwoordigen door mr. M.P. Romijn, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Appellante was van 28 juli 1992 tot en met 31 juli 1993 in het
handelsregister
ingeschreven als director van de naar het recht van de staat X, Y,
opgerichte
vennootschap Z Inc. Gedaagde heeft appellante op grond van artikel 16c,
eerste
lid, letter a, subsidiair letter c, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering
(CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door Z Inc. nog
verschuldigde
premies. Gedaagde heeft daarbij primair het standpunt ingenomen dat
appellante
dient te worden aangemerkt als de leider van de vaste inrichting binnen
het
Rijk, dan wel de vertegenwoordiger dan wel als degene die de leiding
heeft van
de hier te lande verrichte werkzaamheden. Subsidiair heeft gedaagde
gesteld dat
Z Inc. als een naar buitenlands recht opgerichte rechtspersoon niet
volledig
rechtsbevoegd is, zodat op grond van artikel 16c, eerste lid, letter c,
van de
CSV appellante als bestuurder hoofdelijk aansprakelijk kan worden
gesteld.
De rechtbank heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat
appellante
feitelijk de leiding heeft gehad in Z Inc, zodat de primaire grond van
de
aansprakelijkstelling niet in stand kan blijven. Wel heeft de rechtbank
de
subsidiaire grond onderschreven, aangezien naar haar oordeel de
onderhavige
vennootschap een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam is dat niet
volledig
rechtsbevoegd is. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat een
rechtsgeldige
oprichting van een vennootschap naar vreemd recht meebrengt dat de
vennootschap
in Nederland wel wordt erkend en in en buiten rechte mag optreden, maar
dat het
Nederlandse rechtspersonen- en vennootschapsrecht niet van toepassing
is,
behoudens wanneer de Nederlandse wet anders bepaalt.
De Raad overweegt als volgt.
In hoger beroep is nog slechts in geschil het antwoord op de vraag of
appellante
terecht op grond van artikel 16c, eerste lid, letter c, van de CSV
hoofdelijk
aansprakelijk kan worden gesteld voor de door Z Inc. ontbetaald gebleven
premies. Ter zitting van de Raad heeft gedaagde desgevraagd geantwoord
dat hij
zich niet meer beroept op letter a van voormelde bepaling.
Bij de totstandkoming van de Wet van 21 mei 1986, Stb 276, houdende
nadere
wijziging van enige sociale verzekeringswetten, de Wet betreffende
verplichting
deelneming in een bedrijfspensioenfonds en enige fiscale wetten in
verband met
het misbruik van rechtspersonen, ook wel genoemd de Tweede Misbruikwet,
is in de
Memorie van Toelichting op artikel 16c, eerste lid, letter c, van de CSV
het
volgende opgemerkt: "Onder onderdeel c vallen voorts onder andere:
vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen, maar ook
buitenlandse rechtspersonen die niet volledig rechtsbevoegd zijn."
(TK
1980-1981, 16530, nrs. 3-4, blz. 11).
De Raad is van oordeel dat hieruit volgt dat niet alle buitenlandse
rechtspersonen onder letter c van evengenoemde bepaling vallen, anders
had in de
verklarende toelichting op die bepaling de beperking "die niet
volledig
rechtsbevoegd zijn" achterwege kunnen blijven.
Buitenlandse rechtspersonen kunnen worden onderscheiden in
rechtspersonen met en
zonder volledige rechtsbevoegdheid. Of buitenlandse rechtspersonen
volledig
rechtsbevoegd zijn dient te worden beoordeeld naar het rechtsregiem
waaronder
zij zijn opgericht, in combinatie met alle relevante feiten en
omstandigheden
van het voorgelegde geval. Aangezien uit de gedingstukken niet is
gebleken dat
gedaagde enig onderzoek heeft verricht naar de rechtsbevoegdheid van Z
Inc.
volgens het recht van de staat X, heeft hij naar 's Raads oordeel
appellantes
hoofdelijke aansprakelijkheid niet - zonder meer - kunnen baseren op
artikel
16c, eerste lid, letter c. De Raad kan mitsdien onder de gegeven
omstandigheden
geen deugdelijke - subsidiaire - grondslag van het bestreden besluit in
de
aanname van laatst vermeld artikelonderdeel vinden.
Op grond van het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak, alsmede
het
bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel
8:75
van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van
appellante, nu
niet is gebleken van op grond van deze bepaling te vergoeden kosten. Wel
dient
gedaagde het door appellante in hoger beroep gestorte griffierecht te
vergoeden.
Mitsdien dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover gedaagde
daarbij is
veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg van appellante en tot
vergoeding
van het door appellante in eerste aanleg gestorte griffierecht;
Vernietigt het bestreden besluit;
Gelast dat gedaagde aan appellante het griffierecht ten bedrage van f 600,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en
mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.H. Vogt als
griffier
en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2000.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) L.H. Vogt.
|
|