|
Uitspraak
98/4470
AWW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 6 mei 1996 heeft gedaagde aan appellante kennis gegeven
van zijn besluit aan haar ingaande 1 juli 1995 geen weduwenpensioen
ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) toe te kennen.
Bij besluit van 4 oktober 1996 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 6 mei 1996 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 19 mei
1998 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. A.A.S. van der Meer, advocaat te Nijmegen, op
bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 februari
2000, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door m.r Van
der Meer, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door J.A.J. Groenendaal, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Met ingang van 1 juli 1996 is in werking getreden de Algemene
nabestaandenwet (Anw), welke wet in de plaats is getreden van de AWW.
Ingevolge artikel 105, tweede lid van de Anw blijven de AWW en de daarop
berustende bepalingen van toepassing op de rechten, verplichtingen en
bevoegdheden over de tijdvakken gelegen voor 1 juli 1996.
Appellante is in 1966 gehuwd met C (hierna te noemen: C) met wie zij
vanaf 1979 onafgebroken in Nederland heeft gewoond. C is op 6 juli 1987
voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij het Kabinet van de
gevolmachtigde Minister van X te īs-Gravenhage. Bij Landsbesluit van 13
augustus 1993 is C ingaande 1 januari 1990 benoemd tot maatschappelijk
werker in tijdelijke dienst bij het Kabinet van de gevolmachtigde
Minister van X. C is in 1995 hier te lande overleden.
Gedaagde heeft bij het - in bezwaar gehandhaafde - besluit van 6 mei 1996
geweigerd een weduwenpensioen ingevolge de AWW aan appellante toe te
kennen, omdat C ten tijde van zijn overlijden op grond van het bepaalde
in artikel 14, eerste lid, onder b, van het Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989, van 3 mei 1989
(Stb. 164, hierna: KB 164) niet verzekerd was ingevolge die wet.
De rechtbank heeft dit besluit bij de aangevallen uitspraak in stand
gelaten. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat C ten tijde
van zijn overlijden wel verzekerd was ingevolge de AWW op grond van het
bepaalde in artikel 15 van KB 164. Voorts is aangevoerd dat C niet
benoemd is tot ambtenaar en dat op zijn salaris premies ingevolge -
onder meer - de AWW zijn ingehouden.
Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of gedaagde
terecht heeft aangenomen dat C, die ten tijde van zijn overlijden
ingezetene van Nederland was, op grond van het bepaalde in KB 164 toen
niet verzekerd was ingevolge de AWW.
In artikel 14, eerste lid, van KB 164 is bepaald dat niet verzekerd is
ingevolge de volksverzekeringen, degene die:
"a. gevolmachtigde Minister van de Y of gevolmachtigde Minister van
X is;
b. als ambtenaar is toegevoegd aan een van de onder a bedoelde
personen."
Voorts is in artikel 15, eerste lid, van KB 164 bepaald dat niet
verzekerd is ingevolge de volksverzekeringen de ingezetene die
uitsluitend in dienstbetrekking staat tot een orgaan van een
buitenlandse overheid of tot een buitenlandse publiekrechtelijke
rechtspersoon. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het eerste
lid niet van toepassing op de in Nederland aangeworven ingezetene die in
dienst is van een publiekrechtelijke rechtspersoon van de Y of X.
De Raad is met de rechtbank van oordeel, dat uit het hiervoor genoemde
Landsbesluit van 13 augustus 1993 voortvloeit, dat C vanaf 1 januari
1990 werkzaam was als ambtenaar toegevoegd aan de gevolmachtigde
Minister van X. Uit dat besluit blijkt immers dat het de bedoeling was
de bij de gevolmachtigde werkzame arbeidscontractanten -zoals C- te
benoemen tot ambtenaar. Verder blijkt uit de gedingstukken dat C in mei
1992 heeft verklaard geen bezwaren te hebben tegen een benoeming tot
ambtenaar, zij het dat hij daarbij een voorbehoud heeft gemaakt dat
echter, blijkens een mededeling d.d. 10 september 1996 van zijn
gemachtigde aan gedaagde, bij afzonderlijk schrijven is afgewezen.
Nu C werkzaam was als ambtenaar, toegevoegd aan de gevolmachtigde
Minister van X, was hij op grond van het bepaalde in artikel 14, eerste
lid, onder b, van KB 164 niet verzekerd ingevolge de volksverzekeringen
ten tijde van zijn overlijden. Door de Nederlandse belastingdienst zijn
aan C op deze grond ook geen aanslagen premieheffing volksverzekeringen
opgelegd tot aan zijn overlijden. Ook van de zijde van het Kabinet van
de gevolmachtigde Minister van X is bevestigd dat C niet voor de
Nederlandse volksverzekeringen verzekerd was. Uit een door appellante
overgelegde salarisslip van april 1995 blijkt overigens dat op het
salaris van C geen premies ingevolge de Nederlandse AWW, maar wel
premies ingevolge de X Landsverordeningen AOV en AWW werden ingehouden.
Het bepaalde in artikel 15, tweede lid, van KB 164 vermag de Raad niet
tot een ander oordeel te leiden, nu uit de nota van toelichting bij KB
164 blijkt dat dit artikel de toepassing van - onder meer - artikel 14 van
KB 164 ten aanzien van een specifieke groep van ambtenaren - waartoe C
blijkens het hiervoor overwogene behoorde - onverlet laat.
Ten slotte merkt de Raad nog op dat in het op 1 januari 1999 in werking
getreden Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746) de uitsluiting van de
verzekering ingevolge de volksverzekeringen van ten tijde van de
aanwerving in Nederland woonachtige ambtenaren toegevoegd aan de
gevolmachtigde Minister van A anders is geregeld, doch die wijzigingen
zijn voor dit geding niet van belang.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr.
T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1
maart 2000.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|