|
Uitspraak
99/3814 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A., wonende te B., appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 25 maart 1997 heeft gedaagde het bezwaar tegen zijn
eerdere besluit van 7 november 1996, houdende weigering van toekenning
van een nabestaandenuitkering aan appellante, ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Alkmaar heeft bij uitspraak van 15 juni
1999 het beroep tegen het besluit van 25 maart 1997 ongegrond verklaard.
Appellante heeft bij gemachtigde mr. drs. J.P.M. Bol, advocaat te Alkmaar,
tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld op de bij beroepschrift van
23 juli 1999 aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft bij brief van 29 december 1999 een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 23 augustus 2000, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan
door haar raadsvrouw mr. Bol, voornoemd, en gedaagde bij gemachtigde A.
Bos, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante heeft bij gedaagde een aanvraag om uitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet (Anw) ingediend terzake van het overlijden in
1996 van C., met wie appellante sedert augustus 1989 samenwoonde.
Gedaagde heeft deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante niet
voldoet aan de voorwaarden voor uitkering, neergelegd in artikel 14 Anw
en evenmin aan die van de overgangsbepaling, neergelegd in artikel 66a
Anw.
De rechtbank heeft dit oordeel onderschreven en overwogen dat de
wettelijke regeling niet in strijd komt met artikel 26 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)
of artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
In hoger beroep is met name dit laatste oordeel bestreden.
De Raad overweegt het volgende.
Appellante is geboren in 1955, zij is kinderloos en niet
arbeidsongeschikt. Daarmee voldoet zij niet aan de voorwaarden voor
uitkering van artikel 14 Anw.
In artikel 66a Anw, behorende tot hoofdstuk 8, Overgangsbepalingen, van
de wet is een regeling getroffen ten behoeve van personen van wie de
echtgenoot overlijdt binnen drie jaar na inwerkingtreding van de wet op
1 juli 1996. Deze personen worden aangemerkt als te zijn geboren vóór
1 januari 1950 indien zij
- geboren zijn tussen 1 januari 1950 en 1 juli 1956;
- op de dag van overlijden gehuwd waren met de overledene, waarbij
artikel 3 Anw (gelijkstelling samenwonenden met gehuwden) buiten
toepassing blijft; en
- voor weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW)
in aanmerking zouden zijn gekomen indien het overlijden zou hebben
plaatsgevonden op de dag vóór inwerkingtreding van de Anw.
Appellante voldoet evenmin aan de voorwaarden van deze bepaling,
aangezien zij niet met de overledene gehuwd was.
Artikel 66a is in de Anw ingevoegd bij Wet van 4 juli 1996, Stb. 369. In
de wetsgeschiedenis is de aanleiding voor toevoeging van deze bepaling
als volgt geschetst:
"Van verschillende kanten is gevraagd om de gevolgen te verzachten
voor personen die na 1 juli 1996 nabestaande worden, en die op grond van
de Anw geen recht op nabestaandenuitkering hebben terwijl zij op grond
van de AWW wel recht op weduwenpensioen gehad zouden hebben, met name
nabestaanden van 40 jaar en ouder doch geboren op of na 1 januari 1950.
De leden van de verschillende fracties menen dat in bepaalde gevallen,
namelijk als de gezondheidstoestand van de echtgenoot zodanig is op het
moment van inwerkingtreding van de Anw dat zijn overlijdensrisico niet
te verzekeren is, dit ongewenst zou zijn.
Voorgesteld wordt door verschillende leden de ingangsdatum van de Anw
voor deze groep uit te stellen.".
(Tweede Kamer 1995-1996, 24 693, nr. 5).
Aan de totstandkomingsgeschiedenis valt verder te ontlenen dat de
wetgever geen mogelijkheid heeft gezien om de criteria voor de doelgroep
van de bepaling, met name betreffende de gezondheidstoestand van de
verzekerde op de datum van inwerkingtreding van de Anw, nader of beter
te omlijnen dan door middel van de beperking van de werkingsduur van het
artikel tot drie jaar na 1 juli 1996.
Namens appellante is betoogd dat dit artikel een onderscheid maakt
tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden, een onderscheid dat bij de
invoering van de Anw nu juist is tenietgedaan, derhalve
ongerechtvaardigd is en in strijd komt met artikel 26 IVBPR en/of
artikel 14 EVRM. Verder, en in verband met het voorgaande, heeft zij
betoogd dat de regeling zich - ten onrechte - niet beperkt tot de
nabestaanden van ernstig zieke of terminale patiënten, waarmee een niet
te rechtvaardigen onderscheid wordt gemaakt tussen gehuwden en ongehuwd
samenwonenden in al die gevallen waarin de partner, zonder een op 1 juli
1996 bestaand bijzonder overlijdensrisico, binnen drie jaar na die datum
overlijdt.
De Raad stelt vast dat met de inwerkingtreding van de Anw het
onderscheid tussen gehuwden en, kort gezegd, ongehuwd samenwonenden in
de wettelijke nabestaandenverzekering is opgeheven. Daarmee is gegeven
dat die onderscheiden groepen in de nationale wetgeving terzake van de
nabestaandenverzekering aanspraak kunnen maken op gelijke behandeling en
dat een eventueel onderscheid kan worden getoetst aan
verdragsrechtelijke discriminatieverboden als neergelegd in artikel 14
EVRM en artikel 26 IVBPR.
Het onderscheid dat artikel 66a maakt tussen gehuwden en ongehuwd
samenwonenden valt rechtstreeks te herleiden tot het doel van de
invoering van die bepaling: het gaat om een groep die aan de AWW wel
aanspraak kon ontlenen en niet in staat is geweest het door de invoering
van de Anw ongedekt geworden overlijdensrisico te verzekeren. De Raad
acht dit doel van de bepaling alleszins gerechtvaardigd en is verder van
oordeel dat het in dat verband gemaakte onderscheid tussen gehuwden en
ongehuwd samenwonenden de toets aan evenvermelde verdragsbepalingen kan
doorstaan; de twee groepen zijn immers niet vergelijkbaar op het punt
van het bestaan van een wettelijke verzekering terzake van het
overlijdensrisico onder de vigeur van de AWW.
Ook het betoog dat de bepaling "haar doel voorbijschiet" kan
de Raad niet onderschrijven.
Nog afgezien van de overweging dat een aantasting van de wetsbepaling op
deze grond eerder tot een beperking dan tot een uitbreiding van de
beoogde groep zou moeten leiden, is de Raad van oordeel dat bij de
totstandkoming van de wet overtuigend is betoogd dat een nauwere
aansluiting bij de doelstelling van de regeling tot onoverkomelijke uitvoeringstechnische
problemen zou leiden (zie Tweede Kamer 1995-1996, 24693, nr. 5, en Tweede
Kamer 25 juni 1996, 98-6495).
De aangevallen uitspraak kan worden bevestigd. Er zijn geen termen voor
toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de
vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en
mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2000.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|