|
Uitspraak
voorzieningenrechter 99/4425
AWW-VV
U I T S P R A A K
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het
geding tussen:
A., wonende te B., verzoekster,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. INLEIDING
Bij brief van 20 juni 1997 is vanwege gedaagde aan verzoekster kennis
gegeven van een besluit ingevolge de Algemene Weduwen en Wezenwet (AWW)
houdende ongegrondverklaring van het bezwaar gericht tegen het besluit
van 29 oktober 1996, waarbij met ingang van 1 januari 1994 het pensioen
krachtens de AWW van verzoekster is ingetrokken.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 16 juli
1998 het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. C. Hofmans, advocaat te Wormerveer, op bij aanvullend beroepschrift van
26 januari 1999 uiteengezette gronden in hoger beroep gekomen van die
uitspraak.
Bij brief van 19 augustus 1999 heeft mr. Hofmans, voornoemd, namens
verzoekster verzocht een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld
in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 8 september 1999, waar
verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Hofmans, en
waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A. Bos, werkzaam
bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Met ingang van 1 juli 1996 is in werking getreden de Algemene nabestaandenwet (Anw), welke wet in de plaats is getreden van de AWW.
Ingevolge artikel 105, tweede lid, van de Anw blijven de AWW en de
daarop rustende bepalingen van toepassing op de rechten, verplichtingen
en bevoegdheden over de tijdvakken gelegen voor 1 juli 1996.
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in
verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak
van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger
beroep is ingesteld, de president van de Raad op verzoek een voorlopige
voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken
belangen, dat vereist.
Voorzover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure
wordt beoordeeld heeft het oordeel van de president een voorlopig
karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.
Uit de beschikbare gegevens komt, voorzover hier van belang, naar voren
dat vanwege gedaagde aan verzoekster bij besluit van 11 september 1986
met ingang van 1 april 1986 een pensioen krachtens de AWW is toegekend
in verband met het overlijden van C. op 12 april 1986.
Op 8 mei 1995 heeft D. aan gedaagde medegedeeld dat hij blijkens een
huwelijksakte op 27 december 1993 met verzoekster in Egypte in het
huwelijk is getreden. Gedaagde heeft hierop bij besluit van 17 mei 1995
de uitbetaling van het AWW-pensioen aan verzoekster geschorst met ingang
van 1 juni 1995.
Bij besluit van 29 oktober 1996 heeft gedaagde met ingang van 1 januari
1994 het AWW-pensioen van verzoekster ingetrokken onder toekenning van
een uitkering ineens en onder terugvordering van het na verrekening met
de uitkering ineens nog resterende bedrag aan ten onrechte uitbetaald
pensioen over de periode 1 januari 1994 tot en met 31 mei 1995.
In bezwaar is namens verzoekster aangevoerd dat de huwelijksakte waarop
gedaagde zijn besluit heeft gebaseerd is opgemaakt met als doel tijdens
vakantie in Egypte een hotelkamer te kunnen delen zonder daarmee in de
problemen te geraken met geldende Islamitische voorschriften. Het
huwelijk moet derhalve als een schijnhandeling worden gezien, hetgeen
blijkt uit een aantal omstandigheden, zoals het feit dat het huwelijk
niet is gelegaliseerd en niet in Nederland ter inschrijving is
aangeboden bij de burgerlijke stand. D. zou in Nederland met een andere
vrouw samenwonen.
Bij beslissing op bezwaar van 20 juni 1997 heeft gedaagde het bezwaar
van verzoekster ongegrond verklaard, daarbij overwegende dat krachtens
een verklaring van de Egyptische ambassade van 6 maart 1996 de huwelijksakte als authentiek
moet worden aangemerkt. In de visie van gedaagde is naar Egyptisch recht
een geldig huwelijk tot stand gekomen dat in Nederland wordt erkend.
De rechtbank heeft overwogen dat naar Nederlands internationaal
privaatrecht als uitgangspunt dient te worden genomen dat de wijze
waarop een huwelijk wordt voltrokken wordt beheerst door de wet van de
staat waar de huwelijksvoltrekking heeft plaatsgevonden. Gelet op
artikel 5 van de Wet conflictenrecht huwelijk (Stb. 1989, 392) dient
volgens de rechtbank te worden bezien of naar Egyptisch recht een rechtsgeldig huwelijk is gesloten. Nu uit de akte
blijkt dat het huwelijk door aanbod en aanvaarding tot stand is gekomen,
dit ten overstaan van twee getuigen, welke blijkens de akte meerderjarig
waren en van wie de handelingsbekwaamheid niet is betwist, en voorts
verzoekster en D. en de getuigen met het zetten van hun handtekening de
inhoud van de akte hebben bevestigd, is de rechtbank van oordeel dat
naar Egyptisch recht een rechtsgeldig huwelijk tot stand is gekomen.
Bij het aanvullend hoger beroepschrift van 26 januari 1999 is namens
verzoekster aangevoerd dat geen sprake is van een geldig huwelijk
aangezien het om een schijnhandeling gaat hetgeen blijkt uit het niet
ingeschreven zijn van dit huwelijk in Nederland, waardoor verzoekster
als weduwe staat geregistreerd in het bevolkingsregister en D. als
ongehuwd, en uit allerlei omstandigheden die erop wijzen dat het nooit
de bedoeling van partijen is geweest om een reëel huwelijk aan te gaan.
Op deze gronden rust tevens het verzoek om een voorlopige voorziening,
dat is gericht op de schorsing van het besluit van 29 oktober 1996
waarbij het AWW-pensioen is ingetrokken en op de hervatting van de
uitbetaling van dit pensioen, waarbij is gewezen op de verdergaande
verslechtering van de financiële situatie van verzoekster.
De president overweegt het volgende.
Naar zijn oordeel zijn er geen gronden die in het kader van het
onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening rechtvaardigen om er
van uit te gaan dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure geen
stand zal kunnen houden.
De president neemt vooralsnog aan dat - zoals ook de rechtbank in zijn uitvoerig gemotiveerde uitspraak heeft
overwogen - in
het onderhavige geval sprake is van een naar Egyptisch recht
rechtsgeldig tot stand gekomen huwelijk en van een authentieke
huwelijksakte, waar geen in het oog springende gebreken aan kleven. Een
zodanig huwelijk wordt krachtens artikel 5 van de Wet conflictenrecht
huwelijk in Nederland erkend.
Ter gelegenheid van het verzoek om een voorlopige voorziening zijn geen
nieuwe stukken ingebracht die nopen tot een afwijkend oordeel ten
aanzien van de geldigheid van het huwelijk van verzoekster en evenmin
kan in de aangevoerde omstandigheden waaronder dit huwelijk tot stand is
gekomen en hetgeen is gesteld omtrent de bedoeling van partijen een
aanknopingspunt worden gevonden voor het oordeel dat van een geldig
huwelijk geen sprake zou zijn. De president wijst er voorts op dat de
legalisatie van een huwelijk geen essentieel vereiste is voor de
erkenning van een buitenlands huwelijk in Nederland.
Onder deze omstandigheden is de president van oordeel dat er geen sprake
is van een situatie waarin, gelet op de betrokken belangen, met
onverwijlde spoed een voorlopige voorziening moet worden getroffen en
een uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige
voorziening wordt afgewezen. Voor de toepassing van artikel 8:75 van de
Awb acht de president geen termen aanwezig.
Beslist moet worden als volgt.
III. BESLISSING
De president van de Centrale Raad van Beroep;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht af.
Aldus gewezen door mr. F.P. Zwart als president, in tegenwoordigheid van
J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22
september 1999.
(get.) F.P.
Zwart.
(get.) J.J.B.
van der Putten.
|
|