|
Uitspraak
97/12235 ANW, 98/145 ANW, 98/1365 ANW, 97/11363 ANW, 98/2921 ANW, 98/4128
ANW en 97/10731 ANW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
1. A te B;
2. C te D;
3. E te F;
4. G te H;
5. I te J;
6. K te L;
7. M te N, appellanten,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Appellanten hebben allen bij gedaagde bezwaar gemaakt tegen een - op hun
verzoek uitgereikte - zogeheten omzettingsbeschikking, waarbij het eerder
aan hen toegekende pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet
(AWW) ingaande 1 juli 1996 is omgezet in een uitkering, c.q.
uitkeringen, ingevolge de op genoemde datum in werking getreden Algemene
nabestaandenwet (Anw).
Gedaagde heeft die bezwaren ongegrond verklaard bij de bestreden
besluiten d.dis respectievelijk 10 juli 1996, 28 januari 1997, 18 maart 1997, 21 maart 1997, 18 juli 1996, 19 juni
1997 en 17 december 1996, op welke besluiten deze gedingen betrekking
hebben.
In de zaken 1 t/m 4 en 7 hebben de Arrondissementsrechtbanken te
's-Gravenhage (1 en 2), Amsterdam (3) en Roermond (4 en 7) de beroepen
gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en de betrokken
appellanten alsnog niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar tegen de
omzettingsbeschikking. In de zaken 5 en 6 hebben de
Arrondissementsrechtbanken te Arnhem en Breda de beroepen ongegrond
verklaard.
Appellanten hebben ieder tegen de ten aanzien van hen gegeven uitspraken
hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft in alle zaken verweer gevoerd.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 7 juli
1999. Aldaar zijn de appellanten A, E, G, I, K en M in persoon
verschenen.
Appellante A heeft voor zichzelf en namens de zes anderen het woord
gevoerd.
Appellante E, G, I, K, en M hebben aanvullend zelf pleidooi gehouden.
Gedaagde is verschenen bij gemachtigde H. van der Most, werkzaam bij de
Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad zal allereerst ambtshalve ingaan op de vraag of de in rubriek I
genoemde omzettingsbeschikkingen kunnen worden aangemerkt als besluiten
in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), welke
vraag in de uitspraken van de rechtbanken te 's-Gravenhage, Amsterdam
en Roermond eveneens aan de orde is gesteld en door alle rechtbanken,
expliciet of impliciet, bevestigend beantwoord.
Ook de Raad is dat oordeel toegedaan.
In artikel 105, eerste lid, van de Anw is bepaald dat de AWW wordt
ingetrokken. Artikel 67 van de Anw bepaalt, kort gezegd, dat degene die
op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Anw recht had op
een uitkering op grond van artikel 8 van de AWW, overeenkomstig de
bepalingen van de Anw recht heeft op een nabestaandenuitkering en
halfwezenuitkering.
Uit deze bepalingen kan niet onmiddellijk de conclusie worden getrokken
dat de wetgever heeft beoogd het AWW-pensioen van rechtswege om te
zetten in een Anw-uitkering.
Niet kan worden gezegd dat de genoemde bepalingen, in hun samenhang
bezien, niet de ruimte laten voor een rechtshandeling van het
aangewezen bestuursorgaan, waarbij de door de wetgever in abstracte zin aangegeven rechtsgevolgen, te weten de
intrekking van het AWW-pensioen en de toekenning van een uitkering, c.q.
uitkeringen, ingevolge de Anw, in concreto worden vastgelegd, zodat
reeds op die grond van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Anw
kan worden gesproken. Daaraan kan niet afdoen dat in het bedrag dat de
rechthebbenden ingaande 1 juli 1996 aan de Anw-uitkering(en) ontvangen
vooralsnog geen wijziging optreedt ten opzichte van het bedrag dat zij
voordien aan AWW-pensioen ontvingen. Hieraan kan worden toegevoegd dat
uit een oogpunt van rechtsbescherming, in algemene zin gesproken, de
behoefte kan bestaan om (louter) het toepasselijk worden van een ander
rechtsregime, veelal gepaard gaande met het eveneens toepasselijk worden
van een bepaald overgangsrechtelijk regime, aan te vechten.
Derhalve liggen in de onderhavige gedingen besluiten voor welke vatbaar
zijn voor bezwaar als geregeld in de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb.
Gegeven de inhoud van de uitspraken van de rechtbanken in welke vatbaar
zijn voor bezwaar als geregeld in de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb.
Gegeven de inhoud van de uitspraken van de rechtbanken in de zaken 1 t/m
4 en 7 en het daartegen gerichte hoger beroep is in die zaken
rechtstreeks in geschil, terwijl in de zaken 5 en 6 ambtshalve aan de
orde zal worden gesteld, of er in de onderscheidene zaken ontvankelijk
te achten bezwaren zijn ingebracht tegen de omzettingsbeschikking van
gedaagde.
Als zodanig kunnen niet worden aangemerkt bezwaren die betrekking hebben
op gevolgen van het toepasselijk worden van de Anw welke pas 1 juli 1996
zijn ingetreden, c.q. zullen intreden. Die bezwaren kunnen eerst aan de
orde komen nadat gedaagde op die gevolgen betrekking hebbende besluiten
zal hebben genomen.
De Raad wijst er uitdrukkelijk op dat bij de beoordeling van de
rechtmatigheid van die besluiten ook aan de orde kan worden gesteld de
betekenis voor die beoordeling, mede in het licht van toepasselijke
internationale overeenkomsten als reeds thans door appellanten
ingeroepen en vanuit een oogpunt van rechtszekerheid, van het gegeven
dat de betrokkenen als AWW-gerechtigden aanspraak op Anw-uitkering
hebben verkregen.
Aan de hand van de tot de gedingstukken behorende bezwaarschriften
constateert de Raad dat in de zaken 3, 4 en 7 uitsluitend bezwaren zijn
aangevoerd die betrekking hebben op de gevolgen die ingaande 1 januari
1998 voor appellanten zullen (kunnen) intreden, wanneer de
wetsbepalingen betreffende het in mindering brengen van overig inkomen
op de Anw-uitkering op hen van toepassing zullen zijn.
Gelet op het voorgaande hebben de rechtbanken terecht geoordeeld dat
gedaagde appellanten in hun bezwaar niet-ontvankelijk had dienen te
verklaren, en eveneens terecht zulks met toepassing van artikel 8:72,
vierde lid, van de Awb alsnog gedaan.
In die gedingen kan derhalve tot bevestiging van de aangevallen
uitspraken worden overgegaan.
De bezwaren die de appellanten in de zaken 1, 2, 5 en 6 hebben
ingebracht, ziet de Raad als te zijn gericht tegen de omzetting van
AWW-pensioen in Anw-uitkering zélf en kunnen derhalve worden aangemerkt
als te zijn gericht tegen de onderhavige (primaire) besluiten.
Geoordeeld moet daarom worden dat de rechtbank te 's-Gravenhage in de
zaken 1 en 2 ten onrechte de bestreden besluiten heeft vernietigd en
appellanten in hun bezwaar alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard,
zodat reeds op die grond die uitspraken moeten worden vernietigd.
Genoemde gebreken kleven niet aan de uitspraken in de zaken 5 en 6,
waarin de rechtbanken te Arnhem en Breda de bestreden besluiten in stand
hebben gelaten.
De bezwaren van de betrokken vier appellanten, zoals nader uitgewerkt in
eerste aanleg en in hoger beroep, respectievelijk zoals gehandhaafd en
eventueel aangevuld in hoger beroep, zijn in dit geding aan de orde en
worden door de Raad hieronder beoordeeld.
Bedoelde bezwaren hebben een overeenkomstige strekking en houden in
wezen in de stelling dat de wetgever niet bevoegd is eenzijdig de
rechtspositie die betrokkenen onder de AWW innamen te beëindigen.
In de visie van deze appellanten is hun bij de toekenning van het
AWW-pensioen de garantie gegeven dat zij, zolang zij aan de in die wet
gelegen voorwaarden bleven voldoen, tot hun vijfenzestigste jaar (of een
eerdere, in de AWW geregelde beëindigingsdatum) dat pensioen krachtens
die wet zouden behouden.
Met betrekking tot deze stelling merkt de Raad op dat hem geen
rechtsbeginsel, laat staan een rechtsregel waaraan hij in deze gedingen
zou kunnen toetsen, bekend is met een zo vérstrekkende betekenis als
door appellanten betoogd. De wetgever kan niet de bevoegdheid worden
ontzegd om in bestaande regelingen, en daarmee tevens in op grond
daarvan bestaande aanspraken, wijziging te brengen; hieronder valt ook
de bevoegdheid om bestaande aanspraken, eventueel in gewijzigde vorm,
over te brengen naar een ander rechtsregime.
In juridische zin geldt in het algemeen als hoofdregel dat nieuwe regels
bij hun inwerkingtreding op bestaande gevallen van toepassing worden
(hetgeen, voor alle duidelijkheid, ook positieve gevolgen voor de
betrokkenen kan hebben) en dat eerbiedigende werking ten opzichte van
het oude rechtsregime, in de zin dat dat rechtsregime voor bestaande
gevallen blijft gelden, uitzondering is; een uitzondering die evenwel
uit een oogpunt van rechtszekerheid geboden kan zijn, maar dan toch
veelal een tijdelijk karakter zal hebben.
Anderzijds geldt dat een wetswijziging met het specifieke karakter van
het (gedeeltelijk) ontnemen van aanspraken als hier aan de orde door de
rechter kan worden getoetst aan bovennationale rechtsregels, waarbij in
de eerste plaats valt te denken aan artikel 1 van het Eerste Protocol
bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en
de fundamentele vrijheden (EVRM).
Aangezien de onderhavige besluiten geen feitelijke gevolgen hebben in de
zin van ontneming van eigendom kan die toetsing, zoals hierboven reeds
uiteengezet, thans nog niet plaatsvinden.
De Raad concludeert uit het tot zover overwogene dat de hoger beroepen
in de zaken 1, 2, 5 en 6 geen doel treffen.
Met inachtneming van hetgeen eerder is overwogen omtrent de uitspraken
van de betrokken rechtbanken, hout dit in dat de uitspraken van de
rechtbank te 's-Gravenhage in de zaken 1 en 2 moeten worden vernietigd en dat de beroepen tegen gedaagdes
bestreden besluiten alsnog ongegrond zullen worden verklaard, terwijl in
de zaken 5 en 6 de uitspraken van de rechtbanken te Arnhem en Breda,
inhoudende ongegrondverklaring van de inleidende beroepen, voor
bevestiging in aanmerking komen.
Toepassing van artikel 25 van de Beroepswet is aan de orde in de zaken 1
en 2, in die zin dat gedaagde het door de appellanten in die zaken in
hoger beroep betaalde griffierecht zal dienen te vergoeden.
Voor een veroordeling in de proceskosten op grond van artikel 8:75 van
de Awb, welke naar het oordeel van de Raad ook slechts in genoemde twee
zaken aan de orde kan komen, is geen plaats aangezien geen beroepsmatige
rechtsbijstand is verleend en van andere voor vergoeding in aanmerking
komende kosten niet is gebleken.
Derhalve wordt beslist als hieronder nader aangegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
in de zaken 1 en 2:
Vernietigt de aangevallen uitspraken van de rechtbank te 's-Gravenhage
d.d. 8 december 1997 en verklaart de in eerste aanleg
ingestelde beroepen alsnog ongegrond;
Bepaalt dat de Sociale Verzekeringsbank het in hoger beroep door
appellanten betaalde griffierecht van f 160,- aan hen vergoedt;
in de zaken 3 tot en met 7:
Bevestigt de aangevallen uitspraken van de rechtbank te Amsterdam d.d.
19 januari 1998, van de rechtbank te Roermond d.d. 29 oktober 1997, van
de rechtbank te Arnhem d.d. 25 februari 1998, van de rechtbank te Breda
d.d. 16 april 1998 en van de rechtbank te Roermond d.d. 29 oktober 1997.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. zwart en
mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der
Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 september 1999.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|