|
Uitspraak
99/5662 ANW, 99/5957 ANW en 00/2148 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, hierna te noemen: betrokkene,
en
de Sociale Verzekeringsbank, hierna te noemen: de SVB.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 28 januari 1998 heeft de SVB het bezwaar van betrokkene
tegen het besluit van 18 december 1997, waarbij de nabestaandenuitkering
van betrokkene ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) ingaande 1
januari 1998 voorlopig is vastgesteld op f 1.496,13 bruto per maand,
ongegrond verklaard (hierna: besluit 1).
Bij besluit van 30 juni 1998 heeft de SVB de nabestaandenuitkering van
betrokkene op grond van het bepaalde in de wet van 18 juni 1998, Stb.
377 (hierna: de Wijzigingswet Anw) ingaande 1 januari 1998 verhoogd
(hierna: besluit 2).
De Arrondissementsrechtbank te Zutphen heeft bij uitspraak van 19
oktober 1999 het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Tevens
heeft de rechtbank de SVB veroordeeld in de proceskosten van betrokkene,
tot betaling van renteschade en tot vergoeding van het griffierecht.
Namens betrokkene is mr. G.J. Knotter, advocaat te Woerden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen op bij beroepschrift aangevoerde
gronden.
Ook de SVB heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak op bij
beroepschrift aangevoerde gronden.
De SVB heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij brief van 21
januari 2000 nog nadere stukken overgelegd en de gronden van het hoger
beroep gewijzigd.
Het geding is tezamen met een aantal soortgelijke zaken behandeld ter
zitting van de Raad, gehouden op 21 juni 2000, waar betrokkene in
persoon is verschenen bijgestaan door mr. Knotter, voornoemd, en waar de
SVB zich heeft doen vertegenwoordigen door prof. dr. G.J. Vonk, H. van
der Most en J.A.J. Groenendaal, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
De Raad heeft daarna het onderzoek in deze zaak heropend. De SVB heeft
vervolgens bij brief van 14 september 2000 enige vragen van de Raad
beantwoord. Namens betrokkene heeft mr. Knotter bij brief van 10 oktober
2000 gereageerd op het antwoord van de SVB.
Partijen hebben vervolgens schriftelijk toestemming verleend om zonder
nadere zitting uitspraak te doen.
II. MOTIVERING
Betrokkene heeft vanaf 1 mei 1987 een prorataweduwenpensioen ingevolge
de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) ontvangen, welk pensioen ingaande
1 juli 1996 op grond van het bepaalde in artikel 67 van de Anw is
omgezet in een nabestaandenuitkering ingevolge laatstgenoemde wet. In
augustus 1997 heeft betrokkene desgevraagd aan de SVB medegedeeld dat
zij inkomsten uit arbeid ontvangt ad f 1.775,- bruto per maand en tevens
een weduwenpensioen van het bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid
alsmede een Duitse Witwenrente.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 18 december 1997 heeft de
SVB het nabestaandenpensioen van betrokkene ingaande 1 januari 1998
voorlopig vastgesteld op een bedrag van f 1.496,13 bruto per maand. Bij
besluit 2 heeft de SVB deze uitkering ingaande 1 januari 1998 verhoogd
en het bedrag ervan ingaande 1 juli 1998 vastgesteld op f 1.645,46 bruto
per maand.
De rechtbank heeft het beroep van betrokkene mede gericht geacht tegen
besluit 2 en heeft het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaard en het
beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank
overwogen dat besluit 2 niet in strijd met het bepaalde in de Anw is
genomen, dat er geen sprake is van schending van het bepaalde in artikel
1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van
de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat geen
sprake is van een verboden discriminatie tussen verschillende groepen
nabestaanden op grond van het bepaalde in de artikelen 14 van het EVRM
en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke
rechten (IVBPR) en dat het bepaalde in artikel 67 van de Anw niet in
strijd is met de Europese Code inzake sociale zekerheid, het Verdrag
betreffende de prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten (IAO-Verdrag
nr. 121, Trb. 1966, 137) en het Verdrag betreffende uitkering bij
invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen (IAO-Verdrag nr.
128, Trb. 1968, 131).
Namens betrokkene is in hoger beroep opnieuw een beroep gedaan op de
door de rechtbank behandelde rechtsnormen. De SVB heeft de stellingen
van betrokkene betwist.
De SVB heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank de SVB ten
onrechte ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
heeft veroordeeld tot vergoeding van schade van betrokkene, bestaande
uit wettelijke interest, en dat de rechtbank de SVB eveneens ten
onrechte ingevolge artikel 8:75 van de Awb heeft veroordeeld tot
betaling van de proceskosten van betrokkene ter zake van verleende
rechtsbijstand. Mr. Knotter heeft namens betrokkene het standpunt van de
SVB betwist.
De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de SVB
bij besluit 2 de aanspraak van betrokkene op nabestaandenuitkering
ingaande 1 januari 1998 overeenkomstig het bepaalde in de Anw heeft
vastgesteld. Het geschil tussen partijen spitst zich derhalve toe op de
vraag of dit besluit wegens strijd met bepalingen van internationaal of
supranationaal recht of met algemene rechtsbeginselen niet in stand kan
blijven. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.
Met betrekking tot de toetsing aan artikel 1 van het Eerste Protocol bij
het EVRM overweegt de Raad als volgt. Blijkens het verhandelde ter
zitting aanvaardt thans ook de SVB dat bij het besluit dat de aanspraak
op Anw-uitkering per 1 januari 1998 regelt, een "possession"
(eigendom) in de zin van evenvermelde bepaling is betrokken. Ook de Raad
is dit oordeel toegedaan en hij onderschrijft op dit punt de
overwegingen van de rechtbank. Als dit eigendom valt aan te merken de
aanspraak op uitkering die voorafgaande aan 1 juli 1996 aan betrokkene
rechtens toekwam overeenkomstig de bepalingen van de AWW en die onder de
vigeur van de Anw tot 1 januari 1998 onaangetast is gebleven. De
inwerkingtreding van de Anw leidde tot een gedeeltelijke ontneming van
eigendom ingaande laatstgenoemde datum voor de personen, waaronder
betrokkene, waarop de overgangsbepaling van artikel 67 van de Anw het
oog heeft.
In deze wetsbepaling is ‚‚n van de grondgedachten van de Anw, te
weten dat aan een wettelijke nabestaandenverzekering het
behoefteprincipe ten grondslag moet liggen, uitgewerkt voor de
voormalige AWW-gerechtigden. Ten opzichte van het eigenlijke Anw-regime,
dat kort gezegd inkomen in verband met arbeid volledig in mindering
brengt op de uitkering en van het inkomen uit arbeid een bedrag van 50%
van het brutominimumloon buiten aanmerking laat alsmede een derde
gedeelte van het meerdere inkomen, geldt - met inachtneming van het
bepaalde in de Wijzigingswet - voor deze gerechtigden een verzachte
kortingsregeling, waarbij van beide genoemde vormen van inkomen 70% van
het brutominimumloon voor de korting buiten aanmerking wordt gelaten,
alsmede voor inkomen uit arbeid een derde gedeelte van het meerdere.
Voorts geldt voor deze gevallen dat, ongeacht de hoogte van het inkomen,
van de nabestaandenuitkering een bedrag gelijk aan 30% van het
brutominimumloon onaangetast blijft.
Ten aanzien van de overgangsregeling van artikel 67 van de Anw is voorts
van belang dat, waar personen die een gezamenlijke huishouding voeren in
de Anw als gehuwd worden aangemerkt (met uitzondering van bloedverwanten
in de eerste graad), de voormalige AWW-gerechtigde die op die grond als
gehuwd wordt aangemerkt ingaande 1 januari 1998 een Anw-uitkering van
30% van het brutominimumloon behoudt, welk percentage voor degenen die
een gezamenlijke huishouding voeren ten behoeve van de verzorging van
een hulpbehoevende 50% (van het nettominimumloon) bedraagt, waarvan 20%
inkomensafhankelijk.
Ten aanzien van betrokkene heeft deze regeling ertoe geleid dat haar
Anw-uitkering per 1 juli 1998 is vastgesteld op ( 1.645,46 bruto per
maand.
De rechtbank heeft geoordeeld dat dit resultaat in overeenstemming is
met de criteria welke voortvloeien uit de eerste zin van artikel 1 van
het Eerste Protocol, luidend:
"Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord
genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen
behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de
wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.".
Ook de Raad is van oordeel dat in de overgangsregeling van de Anw deze
criteria op de juiste wijze in acht zijn genomen, en met name dat de
wetgever de hem toekomende beoordelingsmarge bij de vaststelling van wat
in het algemeen belang geboden kan en moet worden geacht niet heeft
overschreden. In aanvulling op hetgeen de rechtbank op dit punt heeft
overwogen, acht de Raad ook nog het volgende van belang. Naar huidig
inzicht fungeert de wettelijke nabestaandenverzekering als
bodemvoorziening ten opzichte van aanvullende nabestaandenregelingen en
als inkomensvoorziening op het niveau van het sociaal minimum. Daarin
past niet het geheel onaangetast laten van die (bodem)uitkering
in omstandigheden die erop duiden dat de betrokken nabestaande in staat
is of is geweest om in het eigen onderhoud te voorzien. Dat op dit punt
in de AWW geen voorzieningen waren getroffen, valt naar aannemelijk is
in overwegende mate toe te schrijven aan de destijds geringe
arbeidsparticipatie van gehuwde vrouwen, als gevolg waarvan samenloop
van AWW-pensioen en inkomen uit arbeid, c.q. loondervingsuitkeringen,
relatief zeldzaam was. De maatschappelijke veranderingen op dit punt
maakten, vanuit de eerder omschreven doelstelling van de regeling, een
regeling voor de samenloop van nabestaandenuitkering en ander inkomen
noodzakelijk. Voorts heeft de wetgever het aangewezen geacht de
gelijkstelling van (in algemene zin:) een gezamenlijke huishouding van
twee personen met een huwelijk, welke in verscheidene andere sociale
regelingen reeds haar beslag had gekregen, uit te breiden tot de
wettelijke nabestaandenverzekering.
Dat de hieruit voortvloeiende aanpassingen zich ook uitstrekken tot
bestaande gevallen (AWW-gerechtigden), acht de Raad binnen het
onderhavige toetsingskader vanuit een oogpunt van gelijkheid, en mede
gelet op de potentieel lange looptijd van de uitkering, aanvaardbaar; en
eveneens aanvaardbaar is in hetzelfde kader het standpunt van de
wetgever dat vanuit een oogpunt van rechtszekerheid een tijdelijke en/of
gedeeltelijke (in casu: een tijdelijke volledige en in aansluiting
daarop een gedeeltelijke) eerbiediging van bestaande rechten geboden is.
Dat slechts een "volledige compensatie" in overeenstemming met
artikel 1 van het Eerste Protocol zou zijn, zoals namens de betrokkenen
in de op de onderhavige zitting behandelde gedingen is betoogd, berust
op een onjuiste opvatting ten aanzien van die bepaling, welke niet zo
ver strekt dat zij het een staat ten enenmale onmogelijk zou maken in
bestaande (socialezekerheids)rechten in te grijpen.
Met betrekking tot de ter zitting opgeworpen stelling dat de wetgever
bij de regeling van het overgangsrecht-Anw haar oordeel niet goed heeft
afgewogen en niet in overeenstemming heeft gehandeld met hetgeen
recentelijk in de Notities overgangsrecht in de sociale zekerheid van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot uitdrukking is
gebracht, welk betoog in wezen strekt tot toetsing van de wet aan
algemene rechtsbeginselen, overweegt de Raad dat hij in deze stellingen
geen rechtsnormen vermag aan te treffen waaraan hij de onderhavige
bepalingen van een wet in formele zin kan toetsen (vgl. CRvB 15 mei
1996, RSV 96/170).
Wat meer in het algemeen het beroep op algemene rechtsbeginselen
betreft, overweegt de Raad dat hij zich in constante rechtspraak heeft
aangesloten bij het oordeel van de Hoge Raad, inhoudende dat artikel 120
Grondwet (mede) een verbod inhoudt om de wet (in formele zin) te toetsen
aan dergelijke beginselen (HR 14 april 1989, AB 1989, 207,
Harmonisatiewetarrest). Van "niet door de wetgever verdisconteerde
omstandigheden", welke volgens diezelfde rechtspraak aanleiding
zouden kunnen vormen strikte wetstoepassing achterwege te laten, is in
het onderhavige geval niet gebleken.
Namens betrokkene is verder aangevoerd dat in het tweede lid van artikel
67 van de Anw en in het Inkomens- en samenloopbesluit Anw van 10 juni
1996, Stb. 306, ten onrechte onderscheid wordt gemaakt tussen inkomen
uit arbeid en inkomen in verband met arbeid, welk onderscheid een
verboden discriminatie zou opleveren in de zin van
artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM jo artikel 1 van het
Eerste Protocol. Ten aanzien van dit onderscheid merkt de Raad
allereerst op dat uit de wetsgeschiedenis van de Anw blijkt dat deze wet
tot doel heeft voor alle ingezetenen een bescherming op minimumniveau te
bieden tegen de geldelijke gevolgen van het risico van overlijden van de
partner. Het betreft derhalve een basisvoorziening waarbij sociale
partners en individuen aanvullende regelingen kunnen treffen voor dit
risico, welke aanvullende voorzieningen niet op uitkeringen ingevolge de
Anw worden gekort. Voorts heeft de wetgever met de inkomenstoets beoogd
het behoeftebeginsel centraal te stellen, hetgeen ertoe heeft geleid dat
ander inkomen uit of in verband met arbeid wordt gekort op de
nabestaandenuitkering en waarbij de gunstiger vrijlatingsregeling voor
inkomen uit arbeid ertoe strekt de arbeidsparticipatie niet te
ontmoedigen. De Raad is van oordeel dat laatstbedoelde doelstelling een
voldoende rechtvaardiging vormt voor het onderscheid tussen inkomen uit
en in verband met arbeid in artikel 67 van de Anw en in het Inkomens- en
samenloopbesluit Anw.
Voorts kan naar 's Raads oordeel van de wijze waarop in het Inkomens- en
samenloopbesluit verschillende soorten inkomsten zijn gekwalificeerd als
inkomen uit of in verband met arbeid niet gezegd worden dat is gehandeld
in strijd met de hiervoor genoemde doelstellingen van de wetgever, noch
dat daarbij anderszins sprake is van een verboden ongelijke behandeling
van rechthebbenden op bepaalde soorten uitkeringen. De Raad wijst erop
dat er geen aanleiding is arbeidsongeschiktheidsuitkeringen anders te
behandelen dan bijvoorbeeld werkloosheidsuitkeringen, nu het gekozen
vrijlatingsregime van de Anw niet tot doel heeft deelname aan het
arbeidsproces te stimuleren, hetgeen in geval van arbeidsongeschiktheid
vaak niet meer te realiseren is, maar wel om - met het oog op de
effectiviteit van de toepassing van het behoeftebeginsel - degenen die
arbeid verrichten niet te zeer te ontmoedigen. Ten slotte is de Raad
niet gebleken dat de SVB de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van
personen die verzekerd zijn geweest ingevolge de Algemene Burgerlijke
Pensioenwet (ABP) anders behandelt dan uitkeringen ingevolge de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Uit de brief van de SVB van
14 september 2000 blijkt, kort samengevat, dat deze personen vanaf 1
januari 1998 aanspraak hebben op uitkeringen op grond van de WAO ten
laste van het Landelijk instituut sociale verzekeringen en op een
aanvullend (bovenwettelijk) invaliditeitspensioen van de Stichting
Pensioenfonds ABP. Op grond van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw
wordt de WAO-uitkering van deze personen aangemerkt als inkomen in
verband met arbeid en het aanvullend pensioen als inkomen uit arbeid. De
SVB handelt aldus naar 's Raads oordeel geheel conform het bepaalde in
genoemd Besluit, nu de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van het
bepaalde in de Wet Privatisering ABP aangemerkt moet worden als een
bedrijfspensioenfonds.
De Raad zal de opgeworpen stellingen betreffende de betekenis van de
ILO-normverdragen 121 en 128 en van de Europese Code inzake sociale
zekerheid gezamenlijk behandelen. Allereerst verdient opmerking dat het
aspect "bescherming van verkregen rechten" hier geen rol kan
spelen, nu de bedoelde verdragen daaromtrent geen normen bevatten. De
stelling die in dit geding aan de orde kan zijn moet derhalve betrekking
hebben op de vraag of de aanspraken die de Anw toekent aan voormalige
AWW-gerechtigden in overeenstemming zijn met de normen die de bedoelde
verdragen stellen. De Raad komt echter aan die vraag niet toe, aangezien
hij met de SVB van oordeel is dat de verdragen althans op dit punt geen
een ieder verbindende bepalingen in de zin van de artikelen 93 en 94 van
de Grondwet bevatten. Hieraan ziet de Raad ten aanzien van alle genoemde
verdragen steeds ‚‚n of meer van de volgende factoren in de weg
staan: de onvoldoende concrete dan wel facultatieve normering van het
uitkeringsniveau; de mogelijkheid - dan wel de onduidelijkheid
daaromtrent - van de aftrek van inkomsten, c.q van schorsing of
intrekking van de uitkering bij aanwezigheid van ander inkomen; het
overlaten aan de nationale wetgevingen van de definiëring van centrale
begrippen als "weduwe" en "kostwinner"; en tenslotte
in algemene zin het instructiekarakter van de verdragen, dat doorgaans
in de weg zal staan aan de mogelijkheid van het inroepen van een
rechtens afdwingbare aanspraak op een concrete prestatie in een
individueel geval.
De SVB heeft in haar hoger beroepschrift de door de rechtbank
uitgesproken veroordeling tot betaling van renteschade en proceskosten
betwist, aanvoerende dat het besluit van 28 januari 1998 niet
onrechtmatig is, omdat het ten tijde van het nemen ervan in
overeenstemming was met het bepaalde in en krachtens de Anw. Het feit
dat dit besluit op grond van de bij de Wijzigingswet Anw met
terugwerkende kracht ingevoerde wijzigingen in het overgangsrecht in de
Anw niet langer is gehandhaafd kan er volgens de SVB niet toe leiden dat
sprake is van een onrechtmatig besluit.
De Raad stelt ten aanzien van dit geschilpunt voorop dat blijkens vaste
rechtspraak van de Hoge Raad een (semi-)overheidslichaam - zoals de SVB
- een onrechtmatige daad begaat door een besluit te nemen en te
handhaven dat naderhand door de rechter wordt vernietigd wegens strijd
met de wet of op andere gronden en dat daarmee de schuld van het
overheidslichaam in beginsel is gegeven. Zelfs wanneer het
overheidslichaam geen enkel verwijt treft wordt aangenomen dat deze
onrechtmatige daad in beginsel voor diens rekening komt. Nu vast staat
dat de rechtbank het besluit van 28 januari 1998 wegens strijd met de -
inmiddels gewijzigde - Anw heeft vernietigd, staat op grond van het
hiervoor overwogene vast dat sprake is van een onrechtmatige daad welke
in beginsel voor rekening van de SVB komt. De Raad ziet onvoldoende
aanleiding om het onrechtmatig handelen niet aan de SVB toe te rekenen
nu sprake is van een wegens strijd met de wet vernietigd besluit. Het
feit dat deze strijdigheid een gevolg is van een wijziging van de Anw
met terugwerkende kracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel
gebracht. Daarbij heeft de Raad, gelet op het bepaalde in artikel 6:162,
lid 3, BW en op hetgeen door de Hoge Raad is overwogen in zijn arrest
van 20 februari 1998 (AB 1998/231), mede van belang geacht dat het
redelijker is de schade die voor een individuele burger voortvloeit uit
een besluit waarvan inmiddels is gebleken dat het onjuist is, voor
rekening te brengen van de collectiviteit dan om die schade voor
rekening te laten van de burger jegens wie dat besluit werd genomen.
Ook de uitgesproken proceskostenveroordeling kan 's Raads toetsing
doorstaan. De Raad heeft immers al eerder overwogen, onder meer in de
uitspraak van 27 februari 1997, nr. 96/5062 Algem, dat het
bestuursorgaan in beginsel in de kosten veroordeeld dient te worden
indien de rechtbank een besluit vernietigt en dat slechts in
uitzonderlijke gevallen afwijking van dit uitgangspunt is
gerechtvaardigd. Mede gelet op het hiervoor overwogene acht de Raad een
wetswijziging met terugwerkende kracht niet een zodanig uitzonderlijke
omstandigheid dat een proceskostenveroordeling achterwege dient te
blijven.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat beide hoger beroepen niet kunnen
slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking
komt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de
SVB te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op f. 1.420,- voor verleende rechtsbijstand
in hoger beroep.
Ten slotte stelt de Raad vast dat van de SVB een griffierecht van (f
675,- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt de SVB in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag ad
(f 1.420,-;
Bepaalt dat van de SVB een griffierecht van (f 675,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|