|
Uitspraak
99/1027 ANW en 99/1028 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 19 december 1997 heeft gedaagde de aan appellante
toegekende nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet
(Anw) over de maanden juni en augustus 1997 nader vastgesteld en de over
die maanden onverschuldigd betaalde uitkering van haar teruggevorderd.
Bij beslissing op bezwaar van 23 april 1998 (hierna: besluit 1) is het
bezwaar tegen het besluit van 19 december 1997 ongegrond verklaard.
Bij besluit van 18 juni 1998 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde de
nabestaandenuitkering van appellante over de maanden juni en augustus
1997 nader vastgesteld. De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft
besluit 2, op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), betrokken in de procedure tegen besluit 1.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 4 januari 1999 het beroep van
appellante tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en heeft gelast
dat gedaagde het griffierecht aan appellante vergoedt.
Namens appellante is J.M. Feringa, wonende te Doorn, van die uitspraak
in hoger beroep gekomen op bij beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 25 augustus 1999 heeft J.M. Feringa, namens appellante,
gereageerd op het verweerschrift.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 februari
2001, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door J.M.
Feringa, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr. P.C.A. Buskens, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante ontvangt sedert 1 oktober 1996 een nabestaandenuitkering
ingevolge de Anw. In september 1997 heeft zij gedaagde geďnformeerd
over haar inkomsten uit werkzaamheden op oproepbasis bij de Hogeschool [X.]
als surveillant bij tentamens. Uit de overgelegde gegevens blijkt dat de
inkomsten van appellante uit deze werkzaamheden sterk wisselend zijn en
variëren van nihil tot f. 1962,50 bruto per maand.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 19 december 1997 heeft
gedaagde de over de maanden juni en augustus van 1997 aan appellante
toegekende nabestaandenuitkering herzien en vastgesteld op een lager
bedrag in verband met haar inkomsten uit arbeid in die maanden van
respectievelijk f. 1300,- en f 1962,50. Tevens heeft gedaagde bij dat
besluit de over voornoemde maanden teveel betaalde uitkering ad f.
539,16 van appellante teruggevorderd.
Bij besluit 2 heeft gedaagde de inkomsten van appellante over de maanden
juni en augustus 1997 nader vastgesteld, omdat bij besluit 1 op de -
bruto -
inkomsten van appellante geen vakantietoeslag en verwervingskosten in
mindering waren gebracht. Deze nadere vaststelling heeft ertoe geleid
dat over de maand juni 1997 geen korting meer wordt toegepast en dat de
uitkering over de maand augustus op een hoger bedrag is vastgesteld.
De rechtbank heeft de besluiten 1 en 2 in stand gelaten. Namens
appellante is in hoger beroep - wederom - aangevoerd dat haar wisselende
inkomsten per jaar of per half jaar gemiddeld dienen te worden, omdat er
in bepaalde perioden, als er veel examens zijn, veel inkomsten zijn en
in andere perioden, met weinig examens, geen of weinig inkomsten.
Daarbij heeft zij erop gewezen dat de inkomsten per jaar of per half
jaar beoordeeld zodanig zijn dat een korting van de uitkering niet
gerechtvaardigd is. Tevens heeft zij aangevoerd dat sprake is van
ongelijke behandeling.
De Raad stelt voorop dat uit besluit 2 voortvloeit dat gedaagde besluit
1 niet langer handhaaft, nu gedaagde bij besluit 2 de
nabestaandenuitkering van appellante over de maanden juni en augustus
1997 nader heeft vastgesteld, hetgeen ertoe leidt dat ook het bij
besluit 1 teruggevorderde bedrag niet langer juist is. De Raad is
derhalve van oordeel dat de rechtbank het beroep ten aanzien van besluit
1 ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak kan
derhalve, voorzover betrekking hebbend op besluit 1 niet in stand
blijven. Voorts is de Raad niet gebleken van enig belang van appellante
bij een inhoudelijk oordeel over besluit 1, nu haar grieven bij de
beoordeling van besluit 2 aan de orde kunnen komen, zodat de Raad het
beroep van appellante betrekking hebbend op besluit 1 alsnog
niet-ontvankelijk zal verklaren.
Tussen partijen is voorts in hoger beroep slechts in geschil of gedaagde
gehouden is de korting op de nabestaandenuitkering, in verband met
inkomen uit of in verband met arbeid, per maand vast te stellen.
De Raad stelt ten aanzien van dit geschilpunt voorop dat op grond van
artikel 46 van de Anw de nabestaandenuitkering als regel per maand wordt
uitbetaald. Op deze uitkering moet krachtens de artikelen 18 en 10 van
de Anw, met inachtneming van een bepaalde vrijstelling, het inkomen uit
of in verband met arbeid in mindering worden gebracht. In het op artikel
10 van de Anw gebaseerde Besluit van 10 juni 1996 (Stb. 306), het
Inkomens- en samenloopbesluit Anw, is in het eerste lid van artikel 8
bepaald dat het inkomen wordt vastgesteld op het tot een bedrag per
maand te herleiden inkomen dat de betrokkene in die maand verwerft.
Voorts is in het derde lid van dit artikel bepaald dat bij per maand
wisselende inkomsten op basis van een geschat inkomen een gemiddeld
inkomen per maand kan worden bepaald, waarna per periode van zes maanden
een herberekening plaatsvindt.
De Raad is met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat uit deze
bepalingen in de Anw en het Inkomens- en samenloopbesluit Anw volgt dat
uitgegaan wordt van een uitbetaling van de uitkering per maand en ook
van bepaling en verrekening van eventueel inkomen per maand. De in het
derde lid van artikel 8 van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw
genoemde mogelijkheid uit te gaan van een geschat gemiddeld inkomen,
betreft niet meer dan een verrekeningssysteem. Per periode van zes
maanden dient immers nog een herberekening plaats te vinden welke, zoals
ook blijkt uit de toelichting bij dat besluit, per maand dient te
geschieden.
Het door gedaagde gevoerde beleid, om in het kader van de hiervoor
bedoelde herberekening ten aanzien van personen wier inkomen wisselend
is, doch heeft gelegen binnen de grenzen waartussen een gekorte
nabestaandenuitkering wordt verleend, het recht op uitkering na verloop
van tijd vast te stellen met behulp van het gemiddeld inkomen per maand
in die periode, gaat ook - zij het impliciet - uit van een berekening per
maand. Het resultaat van die wijze van berekenen van de uitkering
verschilt immers, behoudens afrondingsverschillen, niet van een
berekening per maand. Gedaagde past dit systeem, zoals ook blijkt uit de
Beleidsregels SVB, niet toe voorzover het inkomen in een of meer maanden
buiten de hiervoor bedoelde grenzen heeft gelegen.
Voorts is de Raad met gedaagde van oordeel dat artikel 13 van het
Inkomens- en samenloopbesluit Anw, op grond waarvan het inkomen op een
andere wijze kan worden berekend als de berekening op grond van dat
besluit tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, in dit geval niet
kan leiden tot een andere wijze van inkomensvaststelling, aangezien die
zou indruisen tegen de bedoeling van de wetgever. Ten slotte is ook de
Raad van oordeel dat de situatie waarin appellante verkeert niet
wezenlijk anders is dan die van andere Anw-gerechtigden met maandelijks
wisselende inkomsten.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat gedaagde bij de berekening van
appellantes aanspraak op Anw-uitkering over de maand augustus 1997
terecht is uitgegaan van haar inkomsten in die maand. Het hoger beroep,
voorzover betrekking hebbend op besluit 2, kan derhalve niet slagen,
zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor bevestiging in aanmerking
komt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op f 50,97 voor reiskosten van
appellante.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad vast dat
gedaagde het griffierecht ad f 160,- aan appellante dient te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het beroep tegen
besluit 1 ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep voorzover betrekking hebbend op besluit 1 alsnog
niet-ontvankelijk;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep
tot een bedrag groot f 50,97 te betalen aan appellante;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f 160,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van
mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11
april 2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) M.B.M.
Vermeulen.
|
|