|
Uitspraak
98/5679
AWW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[A.], wonende te [B.] (Marokko), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 6 december 1995 heeft appellant het aan gedaagde
toegekende weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet
(AWW) ingaande 1 januari 1987 ingetrokken. Tevens heeft appellant bij
dat besluit het over de periode van december 1990 tot en met oktober
1995 ten onrechte betaalde weduwenpensioen ad f. 125.488,68 van gedaagde
teruggevorderd.
Bij beslissing op bezwaar van 30 oktober 1996, het thans bestreden
besluit, is het bezwaar tegen eerdergenoemd besluit ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 19
maart 1998 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw
besluit te nemen, met veroordeling van appellant in de proceskosten en
tot vergoeding van het griffierecht.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
beroepschrift aangevoerde gronden.
Namens gedaagde heeft mr. J.A. Pieters, advocaat te Utrecht, een
verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 21 januari en 2 maart 1999 heeft appellant nadere
gegevens in het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 januari
2001, waar appellant zich, zoals schriftelijk aangekondigd, niet heeft
doen vertegenwoordigen en waar namens gedaagde is verschenen mr. Pieters,
voornoemd. Voorts was aanwezig mevrouw [C.], de echtgenote van een in
Nederland wonende neef van gedaagde.
II. MOTIVERING
Met ingang van 1 juli 1996 is in werking getreden de Algemene
nabestaandenwet (Anw), welke wet in de plaats is getreden van de AWW.
Ingevolge artikel 105, tweede lid van de Anw blijven de AWW en de daarop
berustende bepalingen van toepassing op de rechten, verplichtingen en
bevoegdheden over de tijdvakken gelegen voor 1 juli 1996.
Gedaagde heeft in januari 1987 een weduwenpensioen aangevraagd in
verband met het overlijden van [D.] [in] januari 1987. Op het daarna
ingevulde aanvraagformulier is aangegeven dat gedaagde en [D.] sedert
1983 gehuwd waren en dat [D.] ten tijde van zijn overlijden een
Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving. Tevens is bij die
aanvraag een akte van huwelijksbevestiging overgelegd.
Appellant heeft bij besluit van 17 maart 1988 met ingang van 1 januari
1987 een weduwenpensioen ingevolge de AWW aan gedaagde toegekend.
In 1995 heeft een medewerker van appellant in Marokko een nader
onderzoek ingesteld. Uit zijn rapport van 6 juni 1995 blijkt dat deze
medewerker gedaagde heeft gesproken en dat hij heeft vastgesteld dat de
oudste zoon van [D.] maandelijks het pensioen van gedaagde int. Voorts
heeft hij er op gewezen dat de akte van huwelijksbevestiging 12 dagen na
het overlijden van [D.] is opgesteld.
Appellant heeft vervolgens ingaande november 1995 de betaling van
gedaagdes weduwenpensioen opgeschort. Bij het - primaire - besluit van 6
december 1995 heeft appellant het aan gedaagde toegekende
weduwenpensioen ingaande 1 januari 1987 ingetrokken en het ten onrechte
betaalde pensioen over het tijdvak van december 1990 tot en met oktober
1995 ad f 125.488,68 van gedaagde teruggevorderd.
Hangende de bezwaarprocedure heeft appellant een nader onderzoek laten
verrichten in Marokko. Uit het rapport van 17 april 1996 van een
buitendienstmedewerker van het bureau sociale zaken van de Nederlandse
ambassade te Rabat, blijkt dat is vastgesteld dat in 1983 geen geldige
(bij een rechtbank in Marokko geregistreerde) akte is opgemaakt van een
huwelijk tussen gedaagde en [D.] en dat gedaagde zich nooit in de
woonplaats van [D.] wettelijk heeft gevestigd, aangezien de mokadem van
die plaats gedaagde niet bleek te kennen. Voorts blijkt uit dat rapport
dat de oudste zoon van [D.] het weduwenpensioen van gedaagde inde en
gedaagde nimmer haar pensioen heeft ontvangen. Ten slotte is in
voornoemde rapportage vermeld dat uit het uittreksel uit het
overlijdensregister blijkt dat [D.] ten tijde van zijn overlijden
ongehuwd was.
Na kennisneming van dit rapport heeft appellant bij het bestreden
besluit het besluit van 6 december 1995 gehandhaafd.
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, overwegende dat aan
het bestreden besluit geen zorgvuldig onderzoek ten grondslag heeft
gelegen en het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en derhalve wegens
strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb vernietigd dient te
worden. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat betwijfeld
kan worden of sprake is geweest van een huwelijk tussen gedaagde en [D.],
maar dat niet met zekerheid kan worden geconcludeerd dat gedaagde niet
met [D.] gehuwd is geweest, aangezien destijds het huwelijk naar
Marokkaans recht vormvrij gesloten kon worden en inschrijving van het
huwelijk bij een rechtbank niet vereist was voor de rechtsgeldigheid
daarvan. De uit de onderzoeken in Marokko blijkende omstandigheden
sluiten naar het oordeel van de rechtbank niet uit dat sprake is geweest
van een huwelijk, mede omdat niet duidelijk is of het woord "époux"
in het uittreksel uit het overlijdensregister, is doorgestreept of
onderstreept.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte
geen of onvoldoende waarde heeft gehecht aan de gegevens zoals die uit
de onderzoeken naar voren zijn gekomen, zodat het oordeel van de
rechtbank niet wordt gedragen door de feitelijke beschikbare gegevens.
De Raad overweegt het volgende.
Met betrekking tot het bestaan van een huwelijk tussen gedaagde en [D.]
merkt de Raad op dat ten bewijze daarvan met name voorligt een akte, in
één van de Franse vertalingen aangeduid als "Acte de Validation
de mariage", opgesteld op 10 januari 1987 door twee notarissen (adouls)
bij de rechtbank te Nador (Marokko), in het bijzijn van twaalf getuigen
die een verklaring met betrekking tot de huwelijksband tussen gedaagde
en [D.] hebben afgelegd, welke akte is gedeponeerd bij voormelde
rechtbank op 14 januari 1987. Blijkens deze akte bevestigen de getuigen
het bestaan van het huwelijk tussen gedaagde en [D.] vanaf 1983.
Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, laatstelijk nog in de uitspraak
van 3 november 1999 (USZ 99/340) is een dergelijke "adoulaire
akte" een gangbaar bewijsmiddel in het Marokkaanse recht en kon op
de voet van artikel 5, derde lid (sedert 1993: vierde lid), van de
Mudawwanah (het Marokkaanse wetboek inzake personen-, familie- en
erfrecht) ook tot bewijs van een huwelijk dienen. De Raad is echter met
appellant van oordeel dat aan de inhoud van de hiervoor bedoelde akte
dermate grote formele en materiële gebreken kleven, dat die akte niet
als bewijs kan dienen van een tussen gedaagde en [D.] gesloten huwelijk.
Daarbij acht de Raad ten eerste van belang dat deze akte eerst is
opgesteld enkele dagen na het overlijden van [D.] en daarin wordt
vermeld dat gedaagde en [D.] tot op de dag waarop de akte is opgesteld
samenwonen in één huis, welk feit niet juist kan zijn gelet op de
datum van overlijden van [D.]. Voorts is in de akte vermeld dat gedaagde
door haar vader ten huwelijk is gegeven, hetgeen de Raad gelet op het
geboortejaar van gedaagde al niet erg aannemelijk voorkomt, maar waarvan
ter zitting is gebleken dat het onjuist is nu een familielid van
gedaagde heeft verklaard dat gedaagdes vader al lang geleden is
overleden. Voorts is de Raad van oordeel dat de reeds uit de akte
voortvloeiende twijfel omtrent het bestaan van het huwelijk tussen
gedaagde en [D.] is versterkt door de bevindingen tijdens de in Marokko
verrichte onderzoeken. In dat verband acht de Raad met name van belang
dat het bestaan van het huwelijk vanaf 1983 niet bekend was bij
personen, zoals gedaagdes zonen en de mokadem, van wie redelijkerwijs
verwacht mocht worden dat zij er kennis van zouden dragen.
Gelet op deze feiten en omstandigheden bestonden er naar het oordeel van
de Raad voor appellant voldoende gronden om op basis van de beschikbare
gegevens tot intrekking van het weduwenpensioen van gedaagde over te
gaan, omdat sprake is van een zodanig gebrekkig bewijs van het gestelde
huwelijk dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat gedaagde
gehuwd is geweest met [D.].
Ten aanzien van de datum met ingang waarvan appellant het AWW-pensioen
heeft ingetrokken overweegt de Raad het volgende.
Bij het bestreden besluit is appellant met terugwerkende kracht tot 1
januari 1987 ten nadele van gedaagde teruggekomen van de toekenning van
weduwenpensioen vanaf die datum. Zoals in 's Raads vaste jurisprudentie
tot uitdrukking komt is een zodanige intrekking in het algemeen in
strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Er zijn echter uitzonderingen
denkbaar waarin van strijd met dat beginsel geen sprake is. Hierbij kan
onder meer worden gedacht aan gevallen waarin het toekennen of het
ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg was van een
onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door betrokkene, terwijl
een andere - minder gunstige - beslissing zou zijn genomen, indien de
juiste feiten bekend zouden zijn geweest.
Gelet op de zich in deze zaak voordoende feiten en omstandigheden is de
Raad van oordeel dat zich hier geen uitzonderingssituatie voordoet in
evenbedoelde zin. Gedaagde heeft bij haar aanvraag om weduwenpensioen
immers een kopie van de hiervoor besproken akte ter bevestiging van het
huwelijk overgelegd. Hoewel appellant niet een kopie van de toen
ingezonden akte in het geding heeft gebracht, moet naar 's Raads oordeel
aangenomen worden dat appellant reeds in 1987 bij bestudering van die
akte de hiervoor genoemde punten van twijfel omtrent de betrouwbaarheid
van die akte had kunnen vaststellen en daarin aanleiding had kunnen
vinden nader onderzoek te verrichten.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de intrekking van het
aan gedaagde toegekende weduwenpensioen met terugwerkende kracht tot 1
januari 1987 niet in stand kan blijven. Een intrekking met ingang van de
datum van schorsing acht de Raad evenwel rechtens aanvaardbaar.
Appellant dient hieromtrent een nadere beslissing op het bezwaar te
nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene. De aangevallen
uitspraak komt derhalve, zij het op andere gronden, voor bevestiging in
aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op f 1420,- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep. Deze kosten dienen aan de griffier van
de Raad betaald te worden, aangezien ten behoeve van gedaagde een
toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding van appellant een recht te
heffen nu de grieven van appellant voor een deel doel hebben getroffen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een
nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze,
's Raads, uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ad
f 1420,-, te betalen aan de griffier van de Raad.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 februari
2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) M.B.M.
Vermeulen.
|
|