|
Uitspraak
98/6359
AWW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij primair besluit van 29 oktober 1996 heeft gedaagde aan appellante
medegedeeld dat het haar toegekende weduwenpensioen ingevolge de
Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) ingaande 1 januari 1994 wordt
ingetrokken onder toekenning van een uitkering ineens en terugvordering
van hetgeen onverschuldigd is betaald over de periode 1 januari 1994 tot en met 31 mei 1995.
Bij beslissing op bezwaar, gedateerd 20 juni 1997, heeft gedaagde het
besluit van 29 oktober 1996 gehandhaafd.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 16 juli
1998 het beroep tegen het laatst vermelde besluit ongegrond verklaard.
Op bij aanvullend beroepschrift van 26 januari 1999 aangevoerde gronden
is namens appellante verzocht de uitspraak van de rechtbank te
vernietigen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 7 april 1999 verweer gevoerd.
Van de zijde van appellante zijn bij brieven van 27 januari 1999, 17
september 1999, 30 september 1999, 22 november 1999 en 20 maart 2000 nadere stukken
toegezonden.
Bij brief van 10 mei 2000 heeft de Raad aan het Internationaal Juridisch
Instituut (IJI) te’s-Gravenhage verzocht advies uit te brengen. Het
IJI heeft dit advies bij schrijven van 1 september 2000 aan de Raad toegezonden.
Beide partijen hebben een reactie gegeven op het advies.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 februari 2001,
waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. S.L.I.
Meekel, advocaat te Amsterdam en A.A. Creton. Gedaagde heeft zich doen
vertegenwoordigen door A. Bos, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Met ingang van 1 juli 1996 is in werking getreden de Algemene
Nabestaandenwet (Anw), welke wet in de plaats is getreden van de AWW.
Ingevolge artikel 105, tweede lid, van de Anw blijven de AWW en de
daarop rustende bepalingen van toepassing op de rechten, verplichtingen
en bevoegdheden over de tijdvakken gelegen voor 1 juli 1996.
Gedaagde heeft aan appellante bij besluit van 11 september 1986 met
ingang van 1 april 1986 een pensioen ingevolge de AWW toegekend in verband met het
overlijden van appellantes echtgenoot [C.] [in] 1986.
Op 8 mei 1995 heeft [D.] aan gedaagde een huwelijksakte, model nr. 76
“Justitie”, ingeschreven onder nr. 504 op 28 december 1993,
overgelegd waaruit blijkt dat appellante [in] 1993 in Egypte met hem in
het huwelijk is getreden.
Gedaagde is hierop bij besluit van 17 mei 1995 overgegaan tot schorsing
van de uitbetaling van het AWW-pensioen met ingang van 1 juni 1995.
Bij besluit van 20 oktober 1996 heeft gedaagde met ingang van 1 januari
1994 het AWW-pensioen van appellante ingetrokken onder toekenning van
een uitkering ineens en onder terugvordering van het na verrekening met
de uitkering ineens nog resterende bedrag aan ten onrechte uitbetaald
pensioen over de periode 1 januari 1994 tot en met 31 mei 1995.
In geschil is de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden. De
rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. De Raad overweegt als
volgt.
Van de zijde van appellante is aangevoerd dat de huwelijksakte waar
gedaagde zijn besluit op heeft gebaseerd slechts is opgemaakt met als
doel om tijdens vakantie in Egypte een hotelkamer te kunnen delen met [D.],
zonder daardoor in problemen te geraken met de geldende Islamitische
voorschriften. Het is nooit de bedoeling geweest een reëel huwelijk aan
te gaan. Het huwelijk is niet gelegaliseerd en niet in Nederland
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voorts is namens
appellante in hoger beroep een zogenaamd “private marriage contract”
overgelegd, waaruit zou blijken dat het gesloten huwelijk alleen tussen
partijen gelding heeft. [D.] zou na zijn huwelijk met appellante
vervolgens in Nederland met een andere vrouw zijn getrouwd.
Naar aanleiding van de stellingen van appellante heeft de Raad de
volgende vragen voorgelegd aan het IJI te ‘s-Gravenhage:
1. Is appellante conform de huwelijksakte [in] 1993 in Egypte
rechtsgeldig in het huwelijk getreden?
2. Wat voor betekenis heeft het overgelegde private marriage
contract?
3. Wordt het huwelijk van appellante in Nederland erkend ook
al is dit huwelijk kennelijk niet gelegaliseerd?
Het IJI heeft - kort samengevat - als volgt geantwoord:
"In casu lijkt een zogenaamd ‘urfi’ (of: ‘orfi’)
huwelijk te zijn gesloten, een religieus huwelijk volgens de
islamitische beginselen. Indien er sprake is geweest van een aanbod en
aanvaarding in aanwezigheid van twee getuigen, dan is [in] 1993 naar
islamitisch recht (dus volgens de leer van de shari’ah) in beginsel
een rechtsgeldig huwelijk voltrokken. In casu gaat het om een
huwelijksakte die is opgemaakt op een door het Egyptisch Ministerie van
Justitie uitgevaardigd modelformulier (nr. 76) welk formulier pleegt te
worden gebruikt voor het opstellen van huwelijksaktes door een ambtenaar
belast met het opmaken van huwelijks- en verstotingaktes. Ook in casu is
de huwelijksakte opgesteld door een ambtenaar belast met het opmaken van
huwelijks- en verstotingaktes. Daarnaast is het formulier voorzien van
de stempel van het ‘Parket voor het Personen- en Familierecht’ van
het Egyptisch Ministerie van Justitie. Dit stempel komt voor op door de
Staat geregistreerde huwelijksaktes. In casu zou blijkens de aantekening
op de huwelijksakte, de akte geregistreerd zijn onder nr. 504, op 28
december 1993. Volgens de in Egypte geldende shari’ah kan een huwelijk
ook zonder registratie als een formeel geldig huwelijk worden
aangemerkt. De in 1931 uitgevaardigde regelgeving ten aanzien van de
registratie van het huwelijk heeft veeleer de functie van het leveren
van bewijs van het bestaan van een huwelijk ten behoeve van de
vaststelling van de rechtsmacht van de Egyptische rechter. De conclusie
is dat betrokkene in Egypte krachtens het Egyptische recht [in] 1993
rechtsgeldig in het huwelijk is getreden nu is voldaan aan de
voorschriften van de shari’ah. Daarnaast is door registratie van het
huwelijk voldaan aan een belangrijke voorwaarde voor de bevoegdheid van
de Egyptische rechter.
Met betrekking tot het ‘private marriage contract’ blijkt uit de
tekst dat partijen er van op de hoogte zijn dat het huwelijk zoals
bevestigd door dat contract een huwelijk is dat louter bestaat tussen
partijen en dat het een niet-officieel huwelijk is, dat niet de
wettelijke vorm bezit die is voorgeschreven door de in 1931
uitgevaardigde Egyptische regelgeving ten aanzien van de registratie van
huwelijken. Van belang is dat dit contract slechts een
legalisatiestempel bevat van het Egyptische Ministerie van Buitenlandse
Zaken en geen stempel bevat van het ‘Parket voor het Personen- en
Familierecht’ van het Egyptische Ministerie van Justitie. Dat laatste
gebrek wijst er mogelijk op dat het hier geen geregistreerde
huwelijksakte betreft. Het ‘private marriage contract’ zal slechts
betekenis hebben tussen partijen, maar niet tegenover derden.
Met betrekking tot de erkenning van een buitenlands huwelijk in
Nederland is van belang de op 1 januari 1990 voor Nederland in werking
getreden Wet Conflictenrecht Huwelijk van 7 september 1989, Stb. 392 (WCH).
Vervolgens is voor Nederland op 1 mei 1991 in werking getreden het Haags
Huwelijksverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1987, nr. 137. Aangezien de WCH
een gunstiger erkenningregime kent en artikel 13 van het Haags
Huwelijksverdrag de toepassing van een voor de erkenning gunstiger
regime toestaat kan volstaan worden met de toepassing van de WCH. De WCH
is van toepassing op het [in] 1993 voltrokken huwelijk. Overeenkomstig
artikel 5 WCH dient voor de vraag van de erkenning van dit huwelijk te
worden bezien of het huwelijk ingevolge het recht van de Staat van de
huwelijksvoltrekking, zijnde Egyptisch recht, rechtsgeldig is. Van
belang is het vermoeden van het vierde lid van artikel 5 WCH: indien een
huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit, wordt een
huwelijk vermoed rechtsgeldig te zijn. In casu is de huwelijksakte
opgemaakt door een ambtenaar belast met het opmaken van huwelijks- en
verstotingaktes. Deze ambtenaar is ter zake bevoegd en dus is er een
vermoeden dat dit een naar Egyptisch recht rechtsgeldig huwelijk
betreft. Daardoor kan het huwelijk ex artikel 5 WCH in Nederland erkend
worden. Artikel 6 WCH geeft hierop een uitzondering. Erkenning kan
worden onthouden indien de erkenning onverenigbaar zou zijn met de
openbare orde.
Voor erkenning in Nederland is legalisatie van het huwelijk formeel niet
nodig. Legalisatie is vereist indien voor de inschrijving in de
gemeentelijke basisadministratie de buitenlandse huwelijksakte wordt
overgelegd of indien de betreffende persoon de Nederlandse nationaliteit
heeft en ingevolge artikel 1:25, lid 1, aanhef en sub a, Burgerlijk
Wetboek, de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
’s-Gravenhage verzoekt om de buitenlandse huwelijksakte in te
schrijven in het huwelijksregister van de gemeente ’s-Gravenhage, of
indien om een andere reden in Nederland de buitenlandse huwelijksakte
dient te worden overgelegd aan een overheidsinstantie. Documenten uit
Egypte dienen gelegaliseerd te worden door het Egyptische Ministerie van
Buitenlandse Zaken en vervolgens door de Nederlandse ambassade te Caïro."
De Raad is op grond van het advies van het IJI van oordeel dat gedaagde
naar aanleiding van de overgelegde huwelijksakte nr. 76, ingeschreven
onder nr. 504 op 28 december 1993, kon uitgaan van het bestaan van een
[in] 1993 tussen appellante en [D.] gesloten huwelijk, aangezien niet is
gebleken van dermate evidente gebreken in de inhoud en de wijze van
totstandkoming van de genoemde huwelijksakte dat het gedaagde niet vrij
stond op die grond het AWW-pensioen van appellante in te trekken. Met
name kunnen die gebreken niet gevonden worden in de door appellante
aangevoerde omstandigheden, te weten het bestaan van een ‘private
marriage contract’, aangezien gedaagde zijn besluit heeft gebaseerd op
de volgens het IJI rechtsgeldige huwelijksakte nr. 76, en uit het
‘private marriage contract’ niet blijkt dat de huwelijksakte nr. 76
niet geldig is. Evenmin kan de enkele bedoeling van partijen om geen
gevolgen aan het huwelijk te verbinden tot de conclusie leiden dat het
hier gaat om een evident gebrekkige akte. Van de zijde van appellante
zijn overigens, zoals zij ter zitting heeft medegedeeld, geen acties
ondernomen om in Egypte alsnog de nietigheid van het huwelijk te laten
vaststellen bijvoorbeeld op de grond dat geen wilsovereenstemming tot
stand is gekomen. De omstandigheid dat de huwelijksakte niet is
gelegaliseerd en niet is ingeschreven in de Nederlandse registers van de
burgerlijke stand alsmede het gegeven dat [D.] in Nederland inmiddels
opnieuw zou zijn gehuwd (van welk feit overigens geen enkel bewijs is
geleverd), brengt de Raad niet tot een ander oordeel, waarbij de Raad
verwijst naar het advies van het IJI met betrekking tot de erkenning van
het huwelijk in Nederland.
De Raad stelt vervolgens vast dat appellante niet heeft voldaan aan de
mededelingsverplichting zoals geregeld in artikel 49 van de AWW, zodat
gedaagde op grond van artikel 35, tweede lid, van de AWW, zoals deze
bepalingen luidden ten tijde hier in geding, bevoegd was tot
terugvordering over te gaan van hetgeen ten onrechte aan appellante is
betaald over de periode 1 januari 1994 tot en met 31 mei 1995, welke
terugvordering ’s Raads toetsing kan doorstaan.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de
vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van
mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11
april 2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.B.M.
Vermeulen.
|
|