|
Uitspraak
99/4643 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 28 januari 1998 heeft gedaagde, na bezwaar, gehandhaafd
zijn eerdere besluit van 27 juni 1997, waarbij is geweigerd aan
appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen.
De Arrondissementsrechtbank te Maastricht heeft bij uitspraak van 15
juli 1999 het beroep tegen het besluit van 28 januari 1998 ongegrond
verklaard.
Namens appellante is mr. N.J.A. Raets, advocaat te Maastricht, van deze
uitspraak op bij aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden in hoger
beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 maart
2001, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Raets, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr. M.F. Sturmans, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante is tot 1992 gehuwd geweest met [C.], die is overleden in
1997. Naar aanleiding van dit overlijden heeft appellante in juni 1997
een aanvraag om uitkering op de grond van de Algemene nabestaandenwet
(Anw) bij gedaagde ingediend. Hierop heeft gedaagde afwijzend beslist op
de grond dat appellante niet als nabestaande in de zin van de Anw is aan
te merken. Dit besluit is na bezwaar en beroep in stand gebleven.
Bij de beoordeling van het hoger beroep stelt de Raad voorop dat, naar
van de zijde van appellante niet is bestreden, zij niet als nabestaande
in de zin van artikel 1, onder e, in verbinding met artikel 3, van de
Anw kan worden aangemerkt.
Een aanspraak op nabestaandenuitkering zou appellante slechts kunnen
ontlenen aan artikel 4 van de wet, dat bepaalt dat onder nabestaande
mede wordt verstaan de gewezen echtgenote van een overleden verzekerde,
indien:
a. het huwelijk anders dan door de dood is ontbonden; en
b. de overleden verzekerde onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden
verplicht is krachtens rechterlijke uitspraak of overeenkomst,
vastgelegd in een notariλle akte of een akte mede ondertekend door een
advocaat, levensonderhoud te verschaffen aan de gewezen echtgenoot op
grond van Boek I van het Burgerlijk Wetboek; en
c. de gewezen echtgenoot overeenkomstig de bepalingen in deze wet recht
op nabestaandenuitkering zou hebben gehad, indien het overlijden plaats
zou hebben gehad op de dag van ontbinding van het huwelijk anders dan
door de dood.
Gedaagde heeft appellante de nabestaandenuitkering ingevolge de Anw
ontzegd op de grond dat haar gewezen echtgenoot onmiddellijk
voorafgaande aan zijn overlijden niet verplicht was aan appellante
levensonderhoud te verschaffen.
Van de zijde van appellante is dit standpunt van gedaagde betwist en
aangevoerd dat de gewezen echtgenoot op grond van het
echtscheidingsconvenant verplicht was alimentatie te betalen, welke om
fiscale redenen is benoemd als een vergoeding voor overbedeling.
De Raad kan de opvatting van appellante niet onderschrijven. Blijkens
het in het echtscheidingsvonnis van 1992 opgenomen
echtscheidingsconvenant zijn appellante en haar echtgenoot
overeengekomen dat zij aan elkaar over en weer geen vergoeding voor
levensonderhoud zullen behoeven te voldoen en dat die regeling niet bij
rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd op grond van wijziging van
omstandigheden. Voorts is overeengekomen dat de gewezen echtgenoot
wegens overbedeling aan appellante zal uitkeren een bedrag van f
125.000,- ineens alsmede 75 maandelijkse termijnen van elk f 1.000,-
vanaf 1 augustus 1991.
Gelet op deze overduidelijke bewoordingen van het
echtscheidingsconvenant is de Raad van oordeel dat de overeengekomen
periodieke betalingen ter zake van overbedeling niet kunnen worden
aangemerkt als (een verkapte vorm van) alimentatie. Derhalve moet
geconcludeerd worden dat de gewezen echtgenoot van appellante ten tijde
van zijn overlijden niet verplicht was aan appellante levensonderhoud op
grond van Boek I van het Burgerlijk Wetboek te verschaffen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) M.B.M.
Vermeulen.
|
|