|
Uitspraak
99/3992 ANW
B E S L I S S I N G
op het verzoek op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht, gedaan door:
[A.], wonende te [B.], verzoeker,
I. INLEIDING
Voor de aanvang van het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer
van de Raad op 30 mei 2001 inzake een door verzoeker ingesteld, onder
bovenvermeld nummer bij de Raad geregistreerd, hoger beroep heeft
verzoeker bij brief van 20 mei 2001 aan de president van de Raad
verzocht om wraking van de voorzitter van die kamer, mr. N.J. Haverkamp en het lid van die kamer mr. T.L. de Vries.
Verzoeker en mrs. Haverkamp en De Vries zijn ingevolge artikel 8:18,
tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid
gesteld te worden gehoord ter zitting van de Raad van 31 mei 2001.
Verzoeker is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. S.X.J.
Zuidema, juridisch medewerker bij Mulders Advocaten te Echt.
Mrs. Haverkamp en De Vries zijn eveneens ter zitting verschenen.
II. MOTIVERING
In artikel 8:15 van de Awb is bepaald dat op verzoek van een partij elk
van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van
feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade
zou kunnen lijden.
Door en namens verzoeker is als motivering voor het verzoek om wraking
aangevoerd dat hij eerder bij de Raad heeft geprocedeerd met betrekking
tot de toepassing van de Algemene nabestaandenwet (Anw), zowel in zaken
met betrekking tot eigen aanspraken als in zaken waarin hij als
gemachtigde van anderen optreedt. Deze zaken zijn behandeld door mrs.
Haverkamp en De Vries en in die zaken is verzoeker tot nu toe steeds in
het ongelijk gesteld.
Verzoeker heeft daardoor het gevoel gekregen dat het niet zinvol is door
te procederen in de onderhavige zaak, waarin mrs. Haverkamp en De Vries
deel hebben aan de behandeling, aangezien zij niet meer onbevangen en
onpartijdig tegenover zijn zaak staan.
Ter adstructie van zijn stelling dat op zijn minst de schijn van
partijdigheid is gewekt, heeft verzoeker aangevoerd dat in een uitspraak
van 1 september 1999, 97/10731 e.a. Anw, waarin zaken van verzoeker en
zes andere personen aan de orde waren met betrekking tot de toepassing
van de Anw in verband met zogeheten omzettingsbeschikkingen en waarop
mrs. Haverkamp en De Vries hebben gezeten, de Raad zich niet over
verzoekers argumentatie (en die van twee anderen) heeft uitgelaten maar
in de andere vier zaken wel principiële overwegingen heeft
uitgesproken.
Voorts is in verband met de gestelde (schijn van) partijdigheid
aangevoerd dat in januari 2001 door de Raad principiële uitspraken zijn
gedaan in een aantal soortgelijke zaken met betrekking tot de toepassing
van de Anw in verband met vermindering van de uitkering wegens het
ontvangen van bepaalde inkomsten. Op die zaken hebben mrs. Haverkamp en
De Vries gezeten. Bij de voorbereiding van die zogeheten proefprocessen
is de onderhavige soortgelijke zaak van verzoeker ondanks een daartoe
gedaan verzoek niet betrokken. Omdat verzoeker de gang van zaken rond
die selectie onduidelijk vindt, is ook daardoor zijn wantrouwen jegens
de betrokken rechters gewekt.
Ten slotte heeft verzoeker aangevoerd dat mr. Haverkamp onlangs aan het
slot van de behandeling van een Anw-zaak voor de enkelvoudige kamer van
de Raad, waarin verzoeker als gemachtigde optrad, zou hebben opgemerkt
dat verzoeker de betrokkene ertoe zou hebben aangezet om in hoger beroep
te gaan. Verzoeker heeft ontkend dat hij dat heeft gedaan. Hij meent dat
een dergelijke opmerking op zijn minst de schijn van partijdigheid heeft
gewekt.
Mr. Haverkamp heeft ter zitting geschetst hoe de selectie van de zaken
die heeft geleid tot de uitspraken van de Raad van 24 januari 2001, in
zijn werk is gegaan.
Aan verzoeker is naar aanleiding van een herhaald verzoek bij brief van
27 juni 2000 uiteengezet waarom zijn zaak niet bij deze selectie is
betrokken.
Mr. De Vries heeft zich bij de uiteenzetting van mr. Haverkamp
aangesloten.
De Raad overweegt het volgende.
Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb (PG
AwbII, p. 410) is de ratio van het instituut van de wraking gelegen in
het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de
schijn van rechterlijke partijdigheid. Het in dit artikel geformuleerde
criterium stemt overeen met dat van de Wet op de Raad van State, de
Beroepswet en de Wet Administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie,
zoals deze wetten luidden tot 1 januari 1994, aldus de memorie van
toelichting bij Afdeling 8.1.4. van de Awb (PG Awb II, p. 409).
Een wrakingsgrond dient te zijn gelegen in feiten of omstandigheden die
betrekking hebben op de (persoon van de) rechter die een zaak behandelt;
het wrakingsverzoek dient het betrokken lid of de betrokken leden van
het rechterlijk college te betreffen, niet het rechterlijk college als
zodanig.
De Raad heeft al eerder in zijn uitspraak van 6 december 1996, gepubliceerd in JB 1997/13, overwogen dat kritiek op - al dan niet
constante - rechtspraak van een rechterlijk college daarom niet in
aanmerking komt als wrakingsgrond: het instituut van de wraking kan niet
worden benut als rechtsmiddel. Om die reden kunnen de bezwaren van
verzoeker tegen de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 1
september 1999 niet tot het beoogde doel leiden.
Voorts heeft de Raad al eerder overwogen dat de enkele omstandigheid dat
een rechter in een eerdere zaak betreffende een soortgelijke
aangelegenheid een uitspraak heeft gedaan, al dan niet onder verwijzing
naar, eventueel mede door hem gevormde, constante jurisprudentie van het
college waarvan hij deel uitmaakt, niet gerekend kan worden tot feiten
of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou
kunnen lijden. De Raad voegt daaraan toe dat die omstandigheid naar zijn
oordeel ook niet botst met enige bepaling van internationaal of
supranationaal recht.
De door verzoeker aangevoerde omstandigheid dat de Raad voor de
behandeling van de onderhavige zaak in een aantal andere soortgelijke
zaken in januari 2001 principiële uitspraken heeft gedaan en dat
ondanks aandringen zijnerzijds zijn zaak destijds niet gevoegd met die
andere zaken is behandeld, kan ook niet gerekend worden tot de feiten en
omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou
kunnen lijden. Het gaat daarbij immers niet om feiten en omstandigheden
die betrekking hebben op de (persoon van de) rechter die de zaak
behandelt maar om een aangelegenheid van rechterlijk beleid van de Raad
bij de planning van behandeling en de agendering van zaken, behorend tot
zijn processuele bevoegdheden.
Wat betreft de door verzoeker bedoelde opmerking van mr. Haverkamp
overweegt de Raad in de eerste plaats dat daarvan niet blijkt uit het
opgemaakte proces-verbaal van de zitting. Voorts overweegt de Raad dat,
indien mr. Haverkamp ter zitting veronderstellenderwijs een opmerking
heeft gemaakt over de identiteit van degene die het hoger beroep in die
zaak heeft willen doorzetten, daaruit naar zijn oordeel niet kan worden
afgeleid dat mr. Haverkamp daarmee de schijn van partijdigheid heeft
gewekt.
In al hetgeen door en namens verzoeker overigens nog is aangevoerd ten
aanzien van de mrs. Haverkamp en De Vries is al evenmin gebleken van
enig feit of van enige omstandigheid waaruit de gevolgtrekking gemaakt
zou behoren te worden dat behandeling van de zaken van verzoeker door
hen niet kan plaatsvinden, zonder dat daarbij gesproken zou kunnen
worden van inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid of van de
aanwezigheid van schijn van rechterlijke partijdigheid in de hierboven
door de Raad aangegeven zin.
Het wrakingsverzoek moet daarom worden afgewezen.
De Raad beslist derhalve als volgt:
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om wraking af.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J. Janssen en
mr. Ch. van Voorst als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2001.
(get.)
K.J.S. Spaas.
(get.) J. Verrips.
|
|