|
Uitspraak
00/358 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.] appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 28 december 1998 heeft gedaagde het verzoek van
appellant om deel te nemen aan de regeling op grond van artikel 66a,
derde lid, van de Algemene nabestaandenwet (Anw), bedoeld voor personen
die bij een particuliere levensverzekeraar onverzekerbaar zijn,
afgewezen op de grond dat hij niet voldoet aan de voorwaarde dat de
verzoeker moet zijn geboren tussen 1 januari 1950 en 1 juli 1956.
Bij beslissing op bezwaar van 18 maart 1999, het thans bestreden
besluit, is het bezwaar tegen eerdergenoemd besluit ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van
29 november 1999 het tegen het besluit van 18 maart 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant is op de bij het beroepschrift - met bijlagen - aangevoerde
gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 augustus
2001, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd,
werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft aan appellant, geboren op 29 juni 1957, na het overlijden
van zijn echtgenote op 13 mei 1997 een nabestaandenuitkering ingevolge
de Anw toegekend. In verband met het inkomen van appellant is dit recht
niet tot uitbetaling gekomen.
Bij brief van 25 mei 1998 heeft appellant gedaagde verzocht in
aanmerking te komen voor deelname aan de Anw-regeling voor personen die
bij een particuliere levensverzekeringsmaatschappij onverzekerbaar zijn,
dit omdat zijn echtgenote ten tijde van de inwerkingtreding van de Anw
op 1 juli 1996 al ernstig ziek was en de ondernomen pogingen om een
particuliere verzekering af te sluiten zijn mislukt.
Gedaagde heeft dit verzoek opgevat als een aanvraag om deel te nemen aan
de regeling ingevolge artikel 66a van de Anw. Bij besluit van 28
december 1998 heeft gedaagde op dit verzoek afwijzend gereageerd met de
motivering dat appellant niet voldoet aan de voorwaarde dat hij geboren
is op of na 1 januari 1950 en voor 1 juli 1956. Bij het thans bestreden
besluit heeft gedaagde na bezwaar het besluit van 28 december 1998
gehandhaafd.
In dit geding is uitsluitend de vraag aan de orde of gedaagde bij het
bestreden besluit terecht heeft geweigerd appellant deel te laten nemen
aan de regeling, neergelegd in het Besluit ex artikel 66a Anw. De
rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord en erop gewezen dat
deze regeling slechts ziet op de groep van onverzekerbaren die
overlijden na 1 juli 1999, terwijl de partner moet zijn geboren na 1
januari 1950 en voor 1 juli 1956. Aangezien de echtgenote van appellant
in mei 1997 is overleden en appellant is geboren na 1 juli 1956 kan deze
regeling volgens de rechtbank in de situatie van appellant geen soelaas
bieden.De Raad onderschrijft dit oordeel.
Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd
overweegt de Raad het volgende.
Ingevolge artikel 14 van de Anw heeft de nabestaande die een ongehuwd
kind heeft dat jonger is dan 18 jaar en niet tot het huishouden van een
ander behoort of arbeidsongeschikt is of geboren voor 1 januari 1950
recht op nabestaandenuitkering ingevolge deze wet. Appellant heeft vanaf
mei 1997 recht op de nabestaandenuitkering ingevolge de Anw omdat tot
zijn huishouden een ongehuwd kind behoort dat jonger is dan 18 jaar.
Ingevolge artikel 18 van de Anw wordt het inkomen uit en in verband met
arbeid op de nabestaandenuitkering in mindering gebracht, om welke reden
de Anw-uitkering van appellant niet tot uitbetaling is gekomen.
De Raad stelt vast dat appellant met ingang van mei 1997 recht heeft op
een Anw-uitkering en dat, zo hij wel zou hebben voldaan aan de
voorwaarden van artikel 66a van de Anw, op basis van die bepaling en het
Besluit ex artikel 66a Anw een identiek recht op nabestaandenuitkering
zou bestaan. De nabestaandenuitkering die gebaseerd is op artikel 66a
van de Anw is evenals de uitkering ingevolge artikel 14 van de Anw
immers inkomensafhankelijk.
Anders dan appellant beoogt kan op basis van de Anw geen geheel of
gedeeltelijk inkomensonafhankelijke nabestaandenuitkering worden
verstrekt aan de verzekerde, wiens echtgenote op 1 juli 1996
ongeneeslijk ziek was en die om die reden op de private markt geen
verzekering tegen het overlijdensrisico van zijn partner kon afsluiten.
In reactie op de stelling van appellant dat door de invoering van de Anw
wellicht sprake is van het ontnemen van een eigendomsrecht als bedoeld
in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
volstaat de Raad met verwijzing naar één van de uitspraken van 24 januari 2001, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht,
waarin de Raad tot het oordeel is gekomen dat een gedeeltelijk ontnemen
van Anw-uitkering van voormalig gerechtigden op een nabestaandenpensioen
ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet per 1 januari 1998 niet in
strijd is met de genoemde verdragsbepaling.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 september
2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) M.B.M.
Vermeulen.
|
|