|
Uitspraak
99/2780 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 22 januari 1998 heeft gedaagde aan appellante met ingang
van de maand december 1997 een nabestaandenuitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet (Anw) toegekend ten bedrage van f 197,61 bruto
per maand alsmede een vakantie-uitkering van f 12,57 bruto per maand.
Bij beslissing op bezwaar van 27 maart 1998, het thans bestreden
besluit, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 22 januari
1998 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Zutphen heeft bij uitspraak van 20 april
1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Van deze uitspraak is mr. C.W.J.M. Appels, werkzaam bij Rechtshulp CNV,
namens appellante in hoger beroep gekomen. Bij brief van 10 november
1999 heeft mr. A.M. Vinjι, werkzaam bij Rechtshulp CNV, de gronden van
het hoger beroep uiteengezet.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 11 juli 2001 heeft mr. Vinjι gereageerd op het ingediende
verweerschrift.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 juli
2001, waar appellante in persoon is verschenen, bijstaand door mr. A.
Salamony-de Visser, eveneens werkzaam bij Rechtshulp CNV, en waar
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door H. van der Most,
werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante, geboren in 1940, heeft op 2 januari 1998 bij gedaagde een
nabestaandenuitkering ingevolge de Anw aangevraagd in verband met het
overlijden van haar echtgenoot [in] 1997. Bij het besluit van 22 januari
1998 heeft gedaagde vastgesteld dat appellante voldoet aan de
voorwaarden voor het recht op deze nabestaandenuitkering. Gedaagde heeft
aan de hand van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw bepaald dat
appellante f. 3.684,46 bruto per maand aan inkomen uit arbeid ontvangt.
Met inachtneming van de geldende vrijstelling van 50% van het bruto
minimumloon alsmede een derde deel van het meerdere heeft gedaagde het
inkomen van appellante op de Anw-uitkering in mindering gebracht en
vastgesteld dat appellante met ingang van december 1997 recht heeft op
een uitkering van f 197,61 bruto per maand.
Tussen partijen is niet in geschil dat gedaagde de aanspraak van
appellante op nabestaandenuitkering ingaande 1 december 1997 overeenkomstig het bepaalde in de Anw heeft vastgesteld.
Door en namens appellante is, evenals tijdens de procedure in eerste
aanleg, aangevoerd dat haar echtgenoot in maart 1995 is geconfronteerd
met een ongeneeslijke ziekte, waaraan hij [in] 1997 is overleden. Ten
tijde van het indienen van het wetsontwerp Anw bij de Tweede Kamer in
mei 1995 was ten gevolge van de gezondheidstoestand van appellantes
echtgenoot sprake van een onverzekerbaar risico, waardoor hij niet in
staat was een pensioenvoorziening te treffen ter dekking van het
zogenaamde Anw-gat. In dat verband heeft appellante gewezen op brieven
van Altis PGGM Verzekeringen en Amev Levensverzekering N.V. waarin haar
echtgenoot is meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een
levensverzekering. Appellante stelt zich op het standpunt dat de voor
haar optredende effecten van de Anw door de wetgever niet zijn voorzien
noch zijn beoogd. Voorts is appellante van mening dat zij gelet op haar
specifieke situatie op grond van het rechtszekerheidsbeginsel ervan uit
mocht gaan dat een verslechtering van wetgeving niet aan de orde zou
komen. In het bijzonder is appellante van mening dat zij in dezelfde
situatie verkeert als de voormalige gerechtigden op pensioen ingevolge
de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), die op basis van het
overgangsrecht Anw tot 1 januari 1998 aanspraak hadden op een
inkomensonafhankelijke Anw-uitkering en vervolgens op een Anw-uitkering
met een minimum van 30% van het bruto minimumloon. Appellante stelt zich
op het standpunt dat zij evenals de groep voormalig AWW-gerechtigden een
echtgenoot had met een onverzekerbaar risico en dat het gemaakte
onderscheid tussen haar en de groep van voormalige AWW-gerechtigden niet
berust op een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond. Tevens is
appellante van mening dat zij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van
de groep Anw-gerechtigen, waarvan de echtgenoot na 1 juli 1996 is
overleden en die tevoren alle gelegenheid heeft gehad om een voorziening
te treffen voor het zogenaamde Anw-gat. Ten slotte is aangevoerd dat de
toepassing van de Anw leidt tot een indirecte discriminatie naar
geslacht.
De Raad overweegt het volgende.
Anders dan appellante stelt kan uit de parlementaire behandeling van de
Anw worden afgeleid dat de wetgever zich bewust is geweest dat bij een
slechte gezondheidstoestand het treffen van een particuliere
pensioenvoorziening moeilijk of niet mogelijk is. Dit kan worden
afgeleid uit de door gedaagde in het verweerschrift geciteerde passage
uit de memorie van toelichting (TK 1994-1995, 24 169, nr. 3, pag. 7-8)
en tevens uit de memorie van antwoord (EK 1995-1996, 24 169, nr. 45c,
pag. 8-14), paragraaf 4 betreffende private verzekerbaarheid en
inkomenseffecten. Voorts blijkt uit de totstandkoming en invoering van
artikel 66a van de Anw bij wet van 4 juli 1996, Stb. 1996, 369 dat de
problematiek van personen die ongeneeslijk ziek zijn en om die reden
zich niet meer op de private markt kunnen verzekeren tegen het
overlijdensrisico onder ogen is gezien. De wetgever heeft voor deze
groep nabestaanden, die onder de AWW aanspraak kon maken op een
nabestaandenpensioen maar vanwege de vastgestelde leeftijdsgrens in de
Anw per 1 juli 1996 niet in aanmerking kon komen voor een Anw-uitkering,
de specifieke overgangsregeling van artikel 66a van de Anw getroffen.
Deze groep komt bij overlijden van de echtgenoot na de inwerkingtreding
van de Anw per 1 juli 1996, evenals appellante, in aanmerking voor een
inkomensafhankelijke Anw-uitkering, waarbij niet de vrijlatingsregeling
geldt die voor voormalig AWW-gerechtigden is getroffen. De wetgever
heeft geen reden gezien voor het treffen van een bijzondere regeling bij
een voorzienbaar overlijden na 1 juli 1996 en een als gevolg daarvan
onverzekerbaar risico voor het zogenaamde Anw-gat.
Vanuit een oogpunt van rechtszekerheid heeft de wetgever geoordeeld dat
een tijdelijke en/of gedeeltelijke (in dit geval een tijdelijke
volledige tot 1 januari 1998 en in aansluiting daarop een gedeeltelijke)
eerbiediging van bestaande rechten geboden is. Deze eerbiediging geldt
uitsluitend voor degenen die al een recht hadden verworven op een
AWW-pensioen. De omstandigheid dat ten tijde van het indienen van het
wetsontwerp Anw appellantes echtgenoot niet langer in staat was om een
aanvullende overlijdensvoorziening te treffen, betekent niet dat sprake
is van een bestaand recht dat eerbiediging behoeft. Overigens merkt de
Raad op dat al geruime tijd voor het indienen van het ontwerp van de Anw
bekend was, zoals appellante ook ter zitting van de Raad heeft
verklaard, dat de wetgever voornemens was om de AWW te vervangen en dat
een van de belangrijkste veranderingen betrof de invoering van een
inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering.
De Raad kan evenmin het standpunt van appellante onderschrijven dat zij
in dezelfde omstandigheden verkeert als de voormalige AWW-gerechtigden
en dat het onderscheid tussen haar en die groep van gerechtigden in
strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)
en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dit verband wijst de
Raad op zijn uitspraak van 21 oktober 1994, RSV 1995, 139 waarin hij
heeft overwogen dat artikel 26 van het IVBPR er niet toe strekt personen
te beschermen tegen de nadelige gevolgen van wijziging van wetgeving,
waarbij noodzakelijkerwijs het toepasselijke wettelijke regime een
relatie heeft met het tijdstip van de verzekerde gebeurtenis, in
aanmerking genomen dat de gewijzigde wet op zichzelf geen discriminerend
karakter heeft. De Raad is van oordeel dat ook artikel 14 van het EVRM
daartoe niet strekt. Een essentieel verschil is dat appellante, anders
dan de voormalige AWW-gerechtigden, geen aanspraak had op een te
eerbiedigen recht op een nabestaandenuitkering. De omstandigheid dat
appellante in andere omstandigheden verkeert dan degene die na 1 juli
1996 nabestaande is geworden en waarvan de echtgenoot alle gelegenheid
heeft gehad om een aanvullende pensioenvoorziening te treffen, betekent
niet dat de toepassing van de Anw in dat opzicht leidt tot een verboden
onderscheid.
Ten slotte is de Raad van oordeel dat geen reden bestaat om aan te nemen
dat sprake is van indirecte discriminatie naar geslacht in die zin dat
meer vrouwen dan mannen worden getroffen door de inkomensafhankelijkheid
van de Anw-uitkering. Ervan uitgaande dat meer mannelijke nabestaanden
een inkomen of een hoger inkomen uit of in verband met arbeid ontvangen
dan vrouwelijke nabestaanden zullen meer mannen dan vrouwen niet in
aanmerking komen voor een Anw-uitkering. De omstandigheid dat meer
vrouwen worden getroffen door het wegvallen van het inkomen van de
echtgenoot bij zijn overlijden dan mannelijke nabestaanden van wie de
echtgenote geen inkomen had, kan niet tot de conclusie leiden dat sprake
is van indirecte discriminatie naar geslacht.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 september
2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) J.J.B.
van der Putten.
|
|