|
Uitspraak
99/5065 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 20 februari 1998 heeft gedaagde geweigerd aan appellante
een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw)
toe te kennen, omdat zij geen nabestaande in de zin van die wet is,
aangezien haar overleden ex-echtgenoot niet verplicht was haar
alimentatie te betalen.
Bij beslissing op bezwaar van 20 juli 1998, het thans bestreden besluit,
is het bezwaar tegen eerdergenoemd besluit ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van
3 augustus 1999 het tegen het besluit van 20 juli 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. C.P.M. Smit, werkzaam bij het Buro voor
Rechtshulp te Oss, van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 mei
2001, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal, werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante is gehuwd geweest met [C.], welk huwelijk in 1975 door
echtscheiding is ontbonden. Bij het echtscheidingsvonnis uit 1975 is
[C.] veroordeeld tot betaling aan appellante van een alimentatie van f
150,- per maand. Tot omstreeks 1987 heeft [C.] aan de verplichting tot
betaling van alimentatie voldaan. [C.] is in 1997 te [D.] overleden.
Appellante heeft op 19 januari 1998 een aanvraag om een
nabestaandenuitkering ingediend bij gedaagde. Bij het in bezwaar
gehandhaafde besluit van 20 februari 1998 heeft gedaagde afwijzend op
dit verzoek beslist, overwegende dat appellante geen recht heeft op een
nabestaandenuitkering, omdat zij geen nabestaande is ingevolge de Anw,
aangezien [C.] niet verplicht was haar alimentatie te betalen.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard,
overwegende dat onomstotelijk is komen vast te staan dat appellante
onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden van [C.] geen alimentatie
ontving, zodat gedaagde zich, gelet op artikel 4, aanhef en sub b, van
de Anw, terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet kan
worden aangemerkt als nabestaande in de zin van de Anw.
In hoger beroep is namens appellante wederom aangevoerd dat de
aangevallen uitspraak niet voldoende is gemotiveerd en dat de rechtbank
miskent dat voldaan is aan de wettelijke vereisten voor het recht op
uitkering ingevolge de Anw, in het bijzonder aan artikel 4 van die wet.
De Raad overweegt het volgende.
Tussen partijen is in geschil of appellante een aanspraak op
nabestaandenuitkering kan ontlenen aan artikel 4 van de Anw, dat bepaalt
dat onder nabestaande mede wordt verstaan de gewezen echtgenote van een
overleden verzekerde, indien:
a. het huwelijk anders dan door de dood is ontbonden; en
b. de overleden verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan het
overlijden verplicht is krachtens rechterlijke uitspraak of
overeenkomst, vastgelegd in een notariële akte of een akte mede
ondertekend door een advocaat, levensonderhoud te verschaffen aan de
gewezen echtgenoot op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; en
c. de gewezen echtgenoot overeenkomstig de bepalingen in deze
wet recht op nabestaandenuitkering zou hebben gehad, indien het
overlijden plaats zou hebben gehad op de dag van ontbinding van het
huwelijk anders dan door de dood.
Daarbij spitst het geschil tussen partijen zich met name toe op de vraag
of [C.] onmiddellijk voorafgaand aan zijn overlijden verplicht was
alimentatie aan appellante te betalen.
De Raad stelt vast dat uit het vonnis van de rechtbank van 23 mei 1975
blijkt dat [C.] verplicht was alimentatie aan appellante te betalen.
Voorts is de Raad niet gebleken dat deze verplichting nadien bij
rechterlijke uitspraak of anderszins is vervallen verklaard. Door
gedaagde zijn hieromtrent in ieder geval geen gegevens in het geding
gebracht. Daarbij merkt de Raad nog op dat uit de Wet van 28 april 1994
tot wijziging van bepalingen in het BW in verband met de limitering van
alimentatie na scheiding, Stb. 324, en met name de wijziging van die wet
bij Wet van dezelfde datum, Stb. 325, voortvloeit dat ten aanzien van
voor de inwerkingtreding van die wetten toegekende alimentaties door de
rechter slechts op verzoek van de betrokkene kan worden besloten tot beëindiging
of limitering van de alimentatieplicht. De Raad is derhalve van oordeel
dat op grond van de thans bekende gegevens niet aangenomen kan worden
dat voor [C.] onmiddellijk voorafgaand aan zijn overlijden geen
alimentatieplicht jegens appellante gold.
Het enkele feit dat [C.] vanaf omstreeks 1987 aan appellante geen
alimentatie meer heeft betaald vermag de Raad niet tot een ander oordeel
te brengen, nu op grond van artikel 4, onder b, van de Anw bepalend is
of een verplichting tot betaling van alimentatie bestaat. Zolang deze
verplichting niet is geëindigd heeft appellante immers in beginsel een
vorderingsrecht jegens [C.] terzake van betaling van (achterstallige)
alimentatie. Ook aan het feit dat in de toelichting bij artikel 4 van de
Anw wordt gesproken over het ontvangen van alimentatie, kan naar ´s
Raads oordeel niet de door gedaagde gewenste betekenis toegekend worden,
aangezien deze toelichting niet overeenstemt met de tekst van de
wettelijke bepaling.
Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat op grond van de door
gedaagde aangedragen gegevens niet aangenomen kan worden dat appellante
niet een nabestaande is als bedoeld in artikel 4 van de Anw. De
aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen derhalve niet in
stand blijven en gedaagde zal met inachtneming van het hiervoor
overwogene een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen. De Raad
voegt daar nog aan toe dat het, gelet op het feit dat [C.] al vele jaren
geen alimentatie meer betaalde en ook een bijstandsverhaal door de
gemeentelijke sociale dienst jegens hem kennelijk is mislukt, niet
uitgesloten is te achten dat de verplichting van [C.] tot betaling van
alimentatie aan appellante op andere gronden is vervallen. Het is echter
aan gedaagde om zulks, in het kader van de voorbereiding van een nieuwe
beslissing op bezwaar, nader te onderzoeken.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van het bepaalde in
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de
proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op f 710,- voor rechtsbijstand in hoger beroep. Deze kosten dienen aan
de griffier van de Raad betaald te worden, aangezien ten behoeve van
appellante een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de
rechtsbijstand.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad vast dat
gedaagde het griffierecht ad f 225,- aan appellante dient te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met
inachtneming van het hiervoor overwogene;
Veroordeeld gedaagde in de proceskosten van appellante groot f 710,-, te
betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat gedaagde het griffierecht ad f 225,- aan appellante dient te
vergoeden.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van L. Savas als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) L. Savas.
|
|