|
Uitspraak
00/2934 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 29 september 1998 heeft appellant aan gedaagde met
ingang van 1 mei 1997 een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en
Wezenwet (AWW) toegekend.
Bij beslissing op bezwaar van 1 maart 1999, het thans bestreden besluit,
is het bezwaar tegen het besluit van 29 september 1998 ongegrond
verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft bij uitspraak van 20
april 2000 het tegen het besluit van 1 maart 1999 ingestelde beroep
gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een
nieuw besluit te nemen onder bepaling dat appellant aan gedaagde het
griffierecht dient te vergoeden.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 21 september 2000
aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van die uitspraak.
Gedaagde heeft bij schrijven van 21 oktober 2000 een verweerschrift (met
bijlagen) ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 oktober
2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.A.
Buskens, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank en waar gedaagde niet
is verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft op 22 mei 1998 een aanvraag om AWW-pensioen ingediend in
verband met het overlijden [in] 1993 van [echtgenote], met wie gedaagde
tot [datum] 1988 gehuwd is geweest. Zijn zoon, [A.] (geboren [in] 1985)
wordt door de zuster van zijn voormalige echtgenote, [B.], verzorgd. Zij
is tevens tot voogdes benoemd.
In verband met zijn aanvraag om AWW-pensioen heeft gedaagde op 8
september 1998 aangegeven dat hem in januari 1994 door een ambtenaar van
het weekkantoor van appellant in [woonplaats] is medegedeeld dat hij
niet in aanmerking kwam voor een AWW-pensioen omdat hij al langer dan
vijf jaar was gescheiden. Eerst in 1998 heeft gedaagde zich door
deskundigen laten adviseren en toen bleek dat hij wel aanspraak op
AWW-pensioen zou kunnen maken.
De aanvraag van gedaagde heeft geleid tot het primaire besluit van 29
september 1998 waarbij appellant met ingang van 1 mei 1997 een pensioen
ingevolge de AWW aan gedaagde heeft toegekend, welk pensioen is omgezet
in een nabestaandenuitkering en een halfwezenuitkering krachtens de
Algemene nabestaandenwet (Anw).
Appellant heeft in dat besluit overwogen dat gedaagde weliswaar als een
bijzonder geval kan worden aangemerkt in de zin van artikel 25 van de
AWW, doch dat, gelet op het inkomen van gedaagde, geen sprake is van
hardheid indien appellant het pensioen niet met een langere
terugwerkende kracht dan één jaar voor de aanvraag toekent.
In bezwaar heeft gedaagde erop gewezen dat hij foutieve informatie heeft
ontvangen van appellant en dat tevens bij gelegenheid van de aanvraag om
een wezenpensioen op grond van de AWW voor zijn zoon door de voogdes, [B.],
door appellant in februari 1996 niet is gewezen op het feit dat de in
leven zijnde wettelijke ouder van het kind mogelijk recht had op een
AWW-uitkering terwijl dit gegeven de grond voor afwijzing van het
wezenpensioen vormde. Voorts kan volgens gedaagde in het kader van de
hardheidsbeoordeling geen toets van het inkomen plaatsvinden.
Bij besluit van 1 maart 1999, het thans bestreden besluit, heeft
appellant het bezwaar tegen het besluit van 29 september 1998 ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft geoordeeld dat van appellant mocht worden verwacht
dat bij de afwijzing van de aanvraag om wezenpensioen voor de zoon van
gedaagde in februari 1996 zou zijn gewezen op het recht op AWW-pensioen
voor de in leven zijnde wettelijke ouder van het kind. Gelet hierop had
appellant niet in redelijkheid kunnen besluiten vast te houden aan zijn
hier aan de orde zijnde beleid, aldus de rechtbank.
In hoger beroep is door appellant aangevoerd dat weliswaar een aanvraag
om pensioen bevorderd kan worden in bepaalde situaties doch dat
appellant hiertoe niet verplicht is. Appellant heeft er in dat kader op
gewezen dat vóór 1998 nooit contact is geweest tussen appellant en
gedaagde en dat appellant niet verplicht is om aanvragen te bevorderen
bij personen van wie toevallig de personalia bekend zijn bij appellant.
De Raad overweegt als volgt.
Evenals de rechtbank kan de Raad niet tot het oordeel komen dat vast is
komen te staan dat gedaagde in 1994 verkeerd is ingelicht omtrent zijn
aanspraak op AWW-pensioen door of namens appellant, aangezien hiervan
geen begin van bewijs is geleverd.
Voorts is de Raad van oordeel dat op appellant niet de verplichting rust
om uit eigen beweging informatie te verstrekken over mogelijke
aanspraken op uitkering of pensioen. De omstandigheid dat medewerkers
van appellant in februari 1996 kennis hebben genomen van het gegeven dat
gedaagde de in leven zijnde wettelijke ouder is van [A.] betekent niet
dat een rechtsplicht is ontstaan om gedaagde te informeren over zijn
aanspraken ingevolge de AWW. Daarbij merkt de Raad op dat het in casu
een aanvraag om wezenpensioen betrof gedaan door de voogdes, derhalve
een derde.
Met betrekking tot de grief van gedaagde dat bij de beoordeling of
sprake is van hardheid in het kader van artikel 25, vijfde lid, van de
AWW, ongelijke behandeling plaatsvindt tussen mensen met een hoog en een
laag inkomen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 29 april 1993,
gepubliceerd in Rechtspraak Sociale Verzekering 1994/11, in welke
uitspraak de Raad het financiële hardheidsbeleid van appellant heeft
geaccepteerd.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor
vernietiging in aanmerking komt en het inleidend beroep alsnog ongegrond
dient te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het inleidende beroep
alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. C.W.J. Schoor als leden in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 november
2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) J.J.B. van der
Putten.
|
|