|
Uitspraak
99/5977 ANW, 01/1607 ANW en 01/5592 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 19 november 1998 heeft appellant aan gedaagde een boete
opgelegd van f 1.200,- omdat gedaagde niet binnen vier weken aan
appellant heeft doorgegeven dat zij op 14 mei 1998 is gaan samenwonen.
Bij beslissing op bezwaar van 22 januari 1999 heeft appellant het
bezwaar tegen het besluit van 19 november 1998 ongegrond verklaard
(besluit 1).
De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak van 22 oktober
1999 het beroep gegrond verklaard, besluit 1 vernietigd en bepaald dat
appellant binnen acht weken, met inachtneming van hetgeen in de
uitspraak is overwogen, opnieuw beslist op het bezwaar van gedaagde
alsmede appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en tevens
bepaald dat appellant het griffierecht aan gedaagde dient te vergoeden.
Appellant is van die uitspraak op bij aanvullend beroepschrift - met een
bijlage - aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 11 september 2000 - met bijlagen - heeft appellant
gereageerd op vragen van de Raad.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 november
2000, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door H. van der
Most, werkzaam bij de Sociale Verzekeringbank, en waar gedaagde in
persoon is verschenen.
De Raad heeft na die zitting het onderzoek heropend.
Op de vraag van de Raad tot welke gevolgen toepassing van het
Boetebesluit socialezekerheidswetten van 14 oktober 2000, Stb. 2000, 462
zou leiden, heeft appellant bij brief van 8 februari 2001 gereageerd.
Voorts heeft appellant bij brief van 26 februari 2001 de Raad een
beslissing van 23 februari 2001 doen toekomen, waarbij aan gedaagde een
boete van f 675,- is opgelegd en het eerder genomen besluit van 19
november 1998 is ingetrokken (besluit 2). De Raad heeft besluit 2 op
grond van het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) betrokken in deze procedure.
Bij brief van 9 april 2001 heeft appellant de Raad enkele stukken doen
toekomen.
Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft appellant bij brief van
5 juni 2001 gereageerd. Vervolgens heeft appellant de Raad een besluit
van 29 juni 2001 doen toekomen, inhoudende dat aan gedaagde een boete
van f 625,- wordt opgelegd en het eerder genomen besluit van 23 februari
2001 is ingetrokken (besluit 3). De Raad heeft ook besluit 3 betrokken
in deze procedure.
Bij brief van 28 augustus 2001 heeft appellant gereageerd op vragen van
de Raad.
Gedaagde heeft desgevraagd bij brief van 15 september 2001 een reactie
gegeven op de brief van appellant d.d. 28 augustus 2001.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven een nieuwe behandeling
van het geding ter zitting van de Raad achterwege te laten.
II. MOTIVERING
Appellant heeft aan gedaagde ingaande 1 augustus 1991 een
weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW)
toegekend, dat met ingang van de maand december 1991 wordt uitbetaald
via het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) te Heerlen. Het
toegekende weduwenpensioen ingevolge de AWW is per 1 juli 1996 is
omgezet in een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Bij het besluit van 28 november 1997, waarbij naar aanleiding van
gedaagdes opgave van haar inkomen het recht op nabestaandenuitkering per
1 januari 1998 is vastgesteld, heeft appellant tevens aan gedaagde een
"Overzicht van verplichtingen" verstrekt, waarbij zij is
gewezen op de verplichting een wijziging in haar situatie, waaronder het
gaan samenwonen, binnen vier weken schriftelijk aan appellant door te
geven met daarbij de aantekening dat die termijn ook geldt als de
informatie al is doorgegeven aan een andere instantie, bijvoorbeeld een
gemeentelijk instelling of verzekeringsorgaan. Daarbij is gedaagde er
tevens op attent gemaakt dat appellant bij het te laat doorgeven van een
wijziging in persoonlijke omstandigheden een boete oplegt van minimaal f
300,-.
Appellant heeft op 6 oktober 1998 van het ABP vernomen dat gedaagde
vanaf mei 1998 samenwoont. Bij brief van 8 oktober 1998 heeft gedaagde
appellant bericht dat zij sinds mei 1998 een gezamenlijke huishouding
voert met [naam]. Gedaagde heeft het ABP tijdig in kennis gesteld van de
samenwoning en zij was in de veronderstelling dat het ABP deze wijziging
automatisch aan appellant zou doorgegeven. Aangezien het gedaagde bekend
was dat de nabestaandenuitkering ingevolge de Anw eindigt bij het voeren
van een gezamenlijke huishouding bevreemdde het haar dat deze uitkering
werd voortgezet. Voorts heeft gedaagde in de brief van 8 oktober 1998
erkend dat zij door alle drukte van verhuizen en samenwonen de door
appellant verstrekte schriftelijke informatie inzake de verplichting om
zelf aan appellant opgave te doen van een wijziging van omstandigheden
niet zorgvuldig heeft gelezen.
Bij het besluit van 30 oktober 1998 heeft appellant vastgesteld dat
gedaagdes recht op nabestaandenuitkering ingevolge de Anw op 31 mei 1998
eindigt en dat de aan haar onverschuldigd betaalde Anw-uitkering ten
bedrage van f 7.521,81 wordt teruggevorderd. Dit besluit heeft gedaagde
niet betwist. Tevens heeft appellant bij brief van 30 oktober 1998 aan
gedaagde kenbaar gemaakt voornemens te zijn haar een boete van f 1.200,-
op te leggen. Bij besluit 1 heeft appellant, na bezwaar, aan gedaagde
een boete van f 1.200,- opgelegd, omdat zij niet binnen vier weken aan
appellant opgave heeft gedaan dat zij is gaan samenwonen met [naam].
Deze boete is gebaseerd op artikel 39 van de Anw en het ter uitvoering
van dat artikel door de Sociale Verzekeringsbank vastgestelde
Boetebesluit Anw (Stcrt. 1996, 141, nadien gewijzigd).
Bij besluit 2 heeft appellant op grond van het met ingang van 1 februari
2001 in werking getreden Boetebesluit socialezekerheidswetten (Stb.
2000, 462) de boete vastgesteld op f 675,-. Daarbij is appellant
uitgegaan van een benadelingsbedrag van f 6.535,35, te weten de
onverschuldigd betaalde Anw-uitkering over de maanden juni 1998 tot en
met september 1998. Appellant is tot de conclusie gekomen dat bij de
vaststelling van het benadelingsbedrag de onverschuldigd betaalde
Anw-uitkering over de maand oktober 1998 buiten aanmerking moet worden
gelaten omdat gedaagde voorafgaande aan de uitbetaling over die maand
opgave heeft gedaan van de gezamenlijke huishouding, zodat die betaling
gedaagde niet kan worden toegerekend. Bij besluit 3 heeft appellant het
bedrag van de boete nader bepaald op f 625,- om reden dat in het
vastgestelde benadelingsbedrag ten onrechte het werkgeversdeel premie
ziekenfonds is begrepen en dat het juiste benadelingsbedrag f 6.167,47
is. De boete is ingevolge artikel 2 van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag en
afgerond op een veelvoud van f 25,-. Appellant is van oordeel dat niet
gebleken is van geen of verminderde verwijtbaarheid.
De Raad stelt vast dat appellant besluit 1 en besluit 2 niet langer
handhaaft, nu uit het in de de loop van deze procedure kenbaar gemaakte
besluit 3 voortvloeit dat aan gedaagde een boete van f 625,- wordt
opgelegd. Dit betekent eveneens dat appellant geen belang meer heeft bij
het hoger beroep betrekking hebbend op besluit 1 en gedaagde geen belang
heeft bij het beroep tegen besluit 2, aangezien de grieven inzake die
besluiten bij de toetsing van besluit 3, waar nodig, aan de orde kunnen
komen. Nu niet is gebleken van enig belang van partijen bij een
inhoudelijk oordeel van de Raad over besluit 1 en 2 wordt zowel het
hoger beroep van appellant betrekking hebbend op besluit 1 als het
beroep tegen besluit 2 niet-ontvankelijk geacht.
Ten aanzien van besluit 3 overweegt de Raad dat krachtens het bepaalde
in artikel 35 van de Anw de nabestaande verplicht is aan de Sociale
Verzekeringsbank, hetzij op verzoek hetzij onverwijld uit eigen
beweging, alle feiten en omstandigheden mede te delen waarvan het hem of
haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
op, onder meer, het recht op Anw-uitkering. Naar het oordeel van de Raad
is het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding onmiskenbaar een
omstandigheid waarvan het gedaagde redelijkerwijs duidelijk moet zijn
geweest dat die van invloed is op het recht op Anw-uitkering en, zoals
blijkt uit gedaagdes brief van 8 oktober 1998, was zij daarvan ook op de
hoogte. De Raad stelt vast dat gedaagde in strijd met de op haar
rustende verplichting niet binnen vier weken na aanvang van de
gezamenlijke huishouding met [naam] appellant daarvan in kennis heeft
gesteld. Daarmee staat tevens vast dat gedaagde haar
mededelingsverplichting jegens appellant, neergelegd in artikel 35 van
de Anw niet is nagekomen.
Gelet op de door appellant verstrekte specificatie van het
benadelingsbedrag bij brief van 5 juni 2001 alsmede de nadere
toelichting daarop bij brief van 28 augustus 2001 bestaat naar het
oordeel van de Raad geen aanleiding om te veronderstellen dat het door
appellant vastgestelde benadelingsbedrag van f 6.167,35, inclusief een
nabetaling van f 308,78 over de maand juni 1998, onjuist is.
De Raad is van oordeel dat de omstandigheid dat gedaagde in de
veronderstelling verkeerde dat het ABP appellant automatisch van deze
omstandigheid in kennis zou stellen, niet kan leiden tot het oordeel dat
sprake is van een geheel ontbreken van verwijtbaarheid met betrekking
tot de overtreding van de mededelingsverplichting, aangezien deze
onjuiste veronderstelling voor rekening van gedaagde moet blijven.
Bovendien heeft appellant gedaagde door middel van het "Overzicht
van verplichtingen" geïnformeerd dat niet volstaan kan worden met
een wijziging van haar persoonlijke omstandigheden door te geven aan een
andere instantie.
De Raad is evenwel van oordeel dat wel sprake is van omstandigheden die
kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde
verwijtbaarheid. Volgens het beleid van de Sociale Verzekeringsbank is
sprake van verminderde verwijtbaarheid als een uitkeringsgerechtigde uit
eigen beweging melding maakt van een gepleegd verzuim, tenzij appellant
al eerder door een derde over de relevante wijziging is ingelicht.
Gedaagde heeft uit eigen beweging tijdig aan het ABP opgave gedaan van
haar gewijzigde omstandigheden en zij was, zij het ten onrechte, in de
veronderstelling dat het ABP deze wijziging zou doorgeven aan appellant.
Aangezien gedaagdes Anw-uitkering via het ABP betaalbaar werd gesteld,
acht de Raad het voorstelbaar dat het ABP direct appellant van deze
informatie in kennis had gesteld. Onmiddellijk nadat gedaagde van het
ABP had begrepen dat haar veronderstelling onjuist was, heeft zij
appellant bij brief van 8 oktober 1998 alsnog in kennis gesteld van haar
gewijzigde omstandigheden. Op dat moment was gedaagde er niet van op de
hoogte dat appellant inmiddels op 6 oktober 1998 door het ABP was geïnformeerd.
Hieruit vloeit voort dat appellant bij de vaststelling van de boete bij
besluit 3 ten onrechte ervan is uitgegaan dat geen sprake is van
verminderde verwijtbaarheid, zodat dit besluit niet in stand kan
blijven. Appellant dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met
inachtneming van het in deze, 's Raads, uitspraak overwogene.
De Raad acht termen aanwezig om appellant te voordelen in de
proceskosten van gedaagde in hoger beroep als bedoeld in artikel 8:75
van de Awb, welke kosten worden begroot op f 79,30 inzake een vergoeding
van reiskosten. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten
is de Raad niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep betrekking hebbend op besluit 1
niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen besluit 3 gegrond, vernietigt dat besluit en
bepaalt dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot ƒ 79,30.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 november
2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|