|
Uitspraak
00/456 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[A.], wonende te [B.], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 18 februari 1997 (hierna: besluit 1) heeft appellant aan
gedaagde met ingang van januari 1997 op grond van de Algemene
nabestaandenwet (Anw) een nabestaandenuitkering van f 1.817,32 bruto per
maand en een vakantie-uitkering van f 115,33 bruto per maand toegekend.
Bij besluit van 22 mei 1998 (hierna: besluit 2) heeft appellant in
verband met een wijziging van het inkomen van gedaagde haar
nabestaandenuitkering met ingang van januari, april en juli 1997,
alsmede januari en april 1998 herzien en nader op een lager bedrag
vastgesteld. Bij besluit 2 heeft appellant tevens van gedaagde de over
de periode van januari 1997 tot en met mei 1998 ten onrechte betaalde
nabestaandenuitkering en vakantie-uitkering van in totaal f 16.746,15
teruggevorderd.
Tegen besluit 2 heeft mr. A.C.E. Clijnk namens gedaagde bij brief van 10
juni 1998 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 3 september 1998 (hierna: besluit 3) heeft appellant in
verband met een wijziging van het inkomen van gedaagde haar
nabestaandenuitkering met ingang van de in besluit 2 genoemde maanden,
alsmede met ingang van juli 1998 herzien en nader vastgesteld. Bij
besluit 3 heeft appellant tevens van gedaagde de over de periode van
januari 1997 tot en met augustus 1998 ten onrechte betaalde
nabestaandenuitkering en vakantie-uitkering van in totaal f 14.945,86
teruggevorderd.
Bij besluit van 2 november 1998 heeft appellant het bezwaar van gedaagde
tegen besluit 2, dat door appellant geacht werd mede gericht te zijn
tegen besluit 3, ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 10 december
1999, verzonden op 22 december 1999, het door gedaagde bij brief van 6
december 1998 ingestelde beroep tegen het besluit van 2 november 1998
(hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard, het bestreden besluit
vernietigd en appellant opgedragen om met inachtneming van het in deze
uitspraak overwogene opnieuw op de bezwaren van gedaagde tegen de
besluiten 2 en 3 te beslissen, een en ander onder veroordeling van
appellant tot vergoeding aan gedaagde van het griffierecht.
Appellant heeft bij beroepschrift van 24 januari 2000 tegen deze
uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij brief van 19 april 2000 heeft
appellant - onder overlegging van een aantal bijlagen - de gronden van
het hoger beroep ingediend.
De gemachtigde van gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 oktober 2001, waar
namens appellant is verschenen mr. P.C.A. Buskens, werkzaam bij
appellant, terwijl gedaagde in persoon, bijgestaan door haar
gemachtigde, is verschenen.
II. MOTIVERING
De voor de beoordeling van dit geschil relevante feiten zijn in de
aangevallen uitspraak uitgebreid en met juistheid weergegeven. De Raad
volstaat dan ook met hiernaar te verwijzen.
Het punt van geschil tussen partijen kwam er in beroep in wezen op neer
dat gedaagde van mening is dat appellant, die naar aanleiding van het op
10 maart 1998 bij hem ingekomen inkomensopgaveformulier bij besluit 2
een herberekening van het bij besluit 1 aan gedaagde toegekende
nabestaandenpensioen heeft gemaakt, welke hij naar aanleiding van de
brief van gedaagde van 13 juli 1998 bij besluit 3 heeft gecorrigeerd,
niet of althans niet volledig tot herziening van het - achteraf gebleken
- bij besluit 1 onjuist vastgestelde nabestaandenpensioen en de daaruit
voortvloeiende terugvordering had mogen overgaan. Gedaagde had immers,
aldus haar gemachtigde, bij haar aanvraag de juiste en volledige
inkomensgegevens met betrekking tot de door haar voormalige werkgever
verstrekte pensioen- en overbruggingsuitkering overgelegd en appellant
had in besluit 1 aangegeven dat gedaagde recht had op de maximale
bedragen omdat voor haar geen inkomen was vastgesteld dan wel het
inkomen geen invloed had op de nabestaandenuitkering.
In de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder en gedaagde
als eiseres zijn aangeduid, heeft de rechtbank ter zake van dit
geschilpunt het volgende overwogen:
"Inzake een verlaging van een nabestaandenuitkering met
terugwerkende kracht heeft verweerder beleidsregels gemaakt, neergelegd
in "SVB Beleidsregels 1998". Naar van de zijde van verweerder
te zitting is verklaard zijn de regels een uitvloeisel van hetgeen
algemene beginselen van behoorlijk bestuur met zich meebrengen. Ook moet
volgens de beleidsregels gekeken worden naar de financiële situatie van
een betrokkene.
Onder 5.3.2.2. van Deel 2 van de beleidsregels wordt de situatie als die
van eiseres besproken, te weten een herziening (verlaging) met
terugwerkende kracht in de vorm van het terugkomen op een rechtens
onaantastbaar geworden beslissing in situaties waarin er sprake is van
een fout van verweerder. In die situatie kan er, aldus die
beleidsregels, sprake zijn van een dringende reden als bedoeld in
artikel 34, tweede lid, van de Anw als de uitkeringsgerechtigde niet kan
worden verweten een verplichting te hebben geschonden en hij voorts niet
heeft kunnen begrijpen dat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog
bedrag is verleend.
Tussen partijen is niet in geschil en ook de rechtbank gaat daarvan uit
dat de reden van herziening is gelegen in het feit dat verweerder bij de
toekenning een fout heeft gemaakt en dat verweerder ten nadele van
eiseres deze fout heeft hersteld door terug te komen op het rechtens
onaantastbaar geworden besluit van 18 februari 1997. Anders dan
verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet heeft begrepen
en redelijkerwijs niet heeft kunnen begrijpen dat de aanvankelijk
verleende nabestaandenuitkering tot een te hoog bedrag was verleend.
De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.
In de toekenningsbeslissing van 18 februari 1997 heeft verweerder aan
eiseres met zoveel woorden medegedeeld dat haar inkomen geen invloed
heeft op de nabestaandenuitkering. Eiseres, die voorafgaand aan het
besluit van 18 februari 1997 alle gegevens omtrent de pensioensuitkering
aan verweerder heeft verstrekt, heeft daaruit begrepen en redelijkerwijs
ook mogen begrijpen dat verweerder het door haar opgegeven inkomen
daadwerkelijk heeft beoordeeld en tot de conclusie is gekomen dat dit
inkomen niet van invloed is op de nabestaandenuitkering.
Met het besluit van 18 februari 1997 is aan eiseres toegezonden de
bijlage "Wijzigingen in uw persoonlijke omstandigheden die u
verplicht bent door te geven". Hierin is opgenomen - voorzover
thans van belang - dat eiseres verweerder op de hoogte moet stellen als
zij "naast de Anw-uitkering andere inkomsten krijgt" en als
"andere inkomsten wijzigen". Eiseres heeft ook hieruit naar
het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet hoeven te begrijpen dat
verweerder een fout had gemaakt. In combinatie met de zinsnede "het
inkomen heeft geen invloed op de nabestaandenuitkering" heeft
eiseres redelijkerwijs mogen begrijpen dat zij verweerder ervan op de
hoogte diende te stellen indien haar pensioenuitkering zou veranderen,
dan wel indien zij andere inkomsten zou krijgen. De laatste om ten
aanzien van die nieuwe inkomsten verweerder in staat te stellen om te
onderzoeken of die andere inkomsten mogelijk wél van invloed zouden
zijn op de nabestaandenuitkering.
Van de zijde van verweerder is nog aangevoerd dat eiseres op de hoogte
kon zijn van de gemaakte fout omdat onder meer ten kantore van
verweerder de folder "Informatie over de Anw-uitkering"
voorhanden is. Hierin staat vermeld dat een VUT-uitkering tot de
inkomsten behoort die helemaal van de nabestaandenuitkering worden
afgetrokken. Niet duidelijk is geworden of eiseres deze folder kende.
Echter, ook als moet worden aangenomen dat eiseres op de hoogte was of
kon zijn van de inhoud van de folder, is niet komen vast te staan dat
eiseres redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat verweerder een fout had
gemaakt. Verweerder had immers medegedeeld dat het inkomen geen invloed
heeft op de hoogte van de nabestaandenuitkering.
Uit het vorenoverwogene volgt dat verweerders beslissing dat er geen
dringende reden is om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien
ondeugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit inzake de
herzieningsbeslissingen komt daarom voor vernietiging in aanmerking
wegens strijd met het in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht
neergelegde vereiste van een deugdelijke motivering.
Daaruit volgt dat ook het bestreden besluit op het punt van de
terugvorderingsbeslissingen ondeugdelijk is gemotiveerd en zal worden
vernietigd."
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat
gedaagde wist of had kunnen weten dat appellant bij besluit 1 een fout
had gemaakt. Derhalve kan naar de mening van appellant ook niet worden
gezegd dat gedaagde redelijkerwijs niet kon begrijpen dat zij teveel
nabestaandenuitkering ontving. In dit verband heeft appellant gewezen op
de wettelijke verplichting om in een geval als het onderhavige de
uitkering te herzien en de teveel verstrekte uitkering terug te
vorderen. Wat betreft de in artikel 34, tweede lid, van de Anw
neergelegde bevoegdheid van appellant om vanwege dringende redenen
geheel of gedeeltelijk van de in geding zijnde herziening af te zien,
heeft appellant verwezen naar de parlementaire geschiedenis op de Wet
boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid (Wet
boeten) met betrekking tot het begrip "dringende redenen" en
naar zijn "SVB-Beleidsregels 1999", hetgeen volgens appellant
medebrengt dat alleen in zeer bijzondere en uitzonderlijke situaties kan
worden aangenomen dat een betrokkene een fout van appellant niet had
kunnen onderkennen. Volgens appellant is daarvan in dit geval geen
sprake. Ter onderbouwing hiervan heeft hij gewezen op het
informatiemateriaal, waaronder een informatieboekje, dat deel uitmaakt
van het aanvraagpakket, behorend bij het aanvraagformulier voor een
uitkering op grond van de Anw. Weliswaar is volgens appellant niet met
zekerheid te stellen dat gedaagde het informatieboekje in de versie van
april 1996 of januari 1997 heeft ontvangen, maar in beide versies wordt
melding gemaakt van de gehele of gedeeltelijke aftrek van een
VUT-uitkering van de nabestaandenuitkering, zodat gedaagde de
onjuistheid van besluit 1 had kunnen onderkennen.
De gemachtigde van gedaagde heeft in hoger beroep het standpunt
betrokken dat de uitleg van appellant van de Wet boeten conform de
beleidsregels van appellant de werking van de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur onredelijk ver inperkt. Voorts herhaalt de
gemachtigde zijn standpunt dat gedaagde de fout van appellant niet heeft
begrepen en redelijkerwijs ook niet had kunnen onderkennen. Zij heeft
immers bij haar aanvraag alle gegevens omtrent haar pensioenuitkering
verstrekt en mocht uit besluit 1 begrijpen dat appellant deze
daadwerkelijk had beoordeeld. Een zelfstandige toets van besluit 1 mag
van gedaagde niet verlangd worden. Volgens de gemachtigde is er dan ook
een dringende reden om van de herziening van de Anw-uitkering van
gedaagde af te zien.
De Raad overweegt dat, zoals onder andere in zijn uitspraak van 21 maart
2001 (gepubliceerd in USZ 2001,140) ten aanzien van de bevoegdheid op
grond van artikel 57, tweede lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) om wegens dringende redenen
geheel of gedeeltelijk af te zien van een terugvordering tot uitdrukking
is gebracht, het hier, zoals ook blijkt uit de parlementaire
geschiedenis, gaat om uitzonderingen indien voor de betrokkene
onaanvaardbare consequenties optreden. Het moet dan gaan om incidentele
gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en
waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden
plaatsvindt. Weliswaar gaat het in dit geval om een herziening en in het
verlengde daarvan om een terugvordering ingevolge respectievelijk de
artikelen 34 en 53 van de Anw, maar niet valt in te zien dat het begrip
"dringende redenen" in het tweede lid van deze artikelen
wezenlijk anders zou moeten worden uitgelegd en toegepast dan hetzelfde
in artikel 57, tweede lid, van de WAO gebezigde begrip. De Raad wijst er
voorts op dat in de "SVB Beleidsregels 1998", welke de
rechtbank ook heeft aangehaald, met betrekking tot het wegens dringende
redenen geheel of gedeeltelijk afzien van de herziening van onder andere
een Anw-uitkering met volledige terugwerkende kracht onder andere is
gesteld dat indien de onjuiste toekenning een gevolg van een fout van
appellant is, maar de belanghebbende deze fout heeft kunnen onderkennen,
er in beginsel geen sprake is van een dringende reden en herziening dan
plaatsvindt met volledig terugwerkende kracht. De Raad stelt vast dat
hem deze beleidsmatige invulling van het begrip "dringende
redenen", als bedoeld in onder andere artikel 34, tweede lid, van
de Anw in deze beleidsregels van appellant niet rechtens onjuist
voorkomt.
In het licht van het vorenstaande stelt de Raad voorop dat, zoals ook de
rechtbank tot uitgangspunt nam, appellant bij de toekenning van de
Anw-uitkering aan gedaagde bij besluit 1 een fout heeft gemaakt en dat
appellant deze fout wenst te herstellen door de bij het bestreden
besluit gehandhaafde herziening bij besluit 2, zoals gewijzigd bij
besluit 3, van de destijds toegekende Anw-uitkering met volledig
terugwerkende kracht. Voorts stelt de Raad vast dat gedaagde ter zitting
van de rechtbank op 1 november 1999 naar aanleiding van de opmerking van
de gemachtigde van appellant omtrent hetgeen gedaagde had kunnen lezen
betreffende het in mindering brengen van de VUT-uitkering op de
Anw-uitkering in de bij het aanvraagformulier meegezonden folder, niet
uitdrukkelijk heeft ontkend deze folder te hebben ontvangen. Gedaagde
stelde alleen niet meer te weten of zij een folder had gekregen.
Anders dan de rechtbank is de Raad, gelet op de duidelijke inhoud van
het in hoger beroep door appellant overgelegde informatiemateriaal in de
beide door appellant bedoelde versies en op de hoogte van de door haar
voormalige werkgever toegekende pensioen- en overbruggingsuitkering, tot
geen andere conclusie kunnen komen dan dat gedaagde, zo zij al niet had
kunnen begrijpen dat met de toekenning van haar Anw-uitkering bij
besluit 1 sprake zou kunnen zijn van een fout, toch in elk geval naar
aanleiding van de tegenstelling tussen de motivering van besluit 1 en de
inhoud van het informatiemateriaal nadere informatie bij appellant had
moeten inwinnen in plaats van zonder zulks te doen er van uit te gaan
dat appellant, zoals haar gemachtigde in het verweerschrift in hoger
beroep heeft gesteld, haar inkomen bij besluit 1 wel had medebeoordeeld.
Uit het vorenstaande volgt dat er in dit geval reeds op grond van de
hiervoor aangehaalde passage uit de betreffende beleidsregels van
appellant geen sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel
34, tweede lid, van de Anw om van de bij het bestreden besluit
gehandhaafde herziening van de Anw-uitkering van gedaagde geheel of
gedeeltelijk af te zien. Ook overigens is de Raad van redenen die
daartoe zouden nopen, niet gebleken. Het vorenstaande brengt mede dat
appellant, éénmaal zijn fout bij besluit 1 vastgesteld hebbende,
terecht is overgegaan tot herziening van de Anw-uitkering van gedaagde
op de wijze, zoals is vastgelegd in besluit 2 en nadien is gecorrigeerd
in besluit 3. Niet gebleken is voorts dat de uiteindelijke herziening,
zoals deze bij het bestreden besluit is gehandhaafd, op een onjuist
bedrag is vastgesteld. Gelet op het verplichtende karakter van artikel
53, eerste lid, van de Anw had appellant voorts geen andere keus dan tot
terugvordering van de ten onrechte aan gedaagde teveel betaalde
uitkering over de betreffende periode over te gaan. Gelet op hetgeen
hiervoor is overwogen ten aanzien van de toepassing van artikel 34,
tweede lid, van de Anw ziet de Raad evenmin grond om met toepassing van
artikel 53, tweede lid, van de Anw wegens dringende redenen geheel of
gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover in
hoger beroep aangevochten, niet in stand kan blijven en dat het
inleidend beroep tegen het bestreden besluit dat betrekking heeft op de
in het bestreden besluit vervatte herziening en terugvordering op grond
van de Anw alsnog ongegrond dient te worden verklaard.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevallen;
Verklaart het inleidend beroep, dat betrekking heeft op de in het
bestreden besluit vervatte herziening en terugvordering op grond van de
Anw alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 november
2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|