|
Uitspraak
00/7 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, op bij
een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank Groningen op 17 december 1999 tussen
partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 13 november 2001, waar appellant
en zijn raadsman met voorafgaand bericht niet zijn verschenen, en waar
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg,
werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant ontvangt sedert 1 oktober 1993 een pensioen ingevolge de
Algemene Weduwen- en Wezenwet. Dit pensioen is per 1 juli 1996 omgezet
in een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet
(Anw). Gedaagde heeft begin 1998 een onderzoek doen instellen in verband
met het vermoeden dat appellant zou samenwonen met [C.] (hierna: [C.]).
Uit dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport
van 27 mei 1998, is onder meer het volgende naar voren gekomen:
- [C.] en haar zoon, die de Duitse nationaliteit hebben, staan vanaf 2
juli 1997 op het adres van appellant in [woonplaats] ingeschreven;
- [C.] heeft sedert 2 juli 1997 een vergunning tot verblijf op de grond
dat appellant haar onderhoudt;
- [C.]'s zoon volgt sedert 1 oktober 1997 onderwijs op een nabij
[woonplaats] gelegen school in [D.];
- [C.] is in de week voor 1 november 1997 verhuisd naar [woonplaats] en
had tot
- 1 juni 1998 nog een woning in [woonplaats II] (Duitsland);
- appellant heeft verklaard dat [C.] begin oktober, te weten drie weken
voor zijn detentie bij hem is ingetrokken, terwijl [C.] heeft verklaard
dat zij enkele dagen voor 24 oktober 1997 met appellant is gaan
samenwonen;
- appellant is op 23 oktober 1997 aangehouden en verbleef van 24 oktober
1997 tot 28 april 1998 in detentie in Zwolle;
- [C.] verbleef in die periode meestentijds met haar zoon en appellants
zoon in [woonplaats] en enkele weekeinden per maand in Duitsland.
Naar aanleiding van dit onderzoek heeft gedaagde bij besluit van 29 juni
1998 onder meer het recht op nabestaandenuitkering van appellant met
ingang van 1 november 1997 met toepassing van artikel 34 van de Anw
ingetrokken.
Gedaagde heeft dit besluit na gemaakt bezwaar bij besluit van 8 februari
1999 gehandhaafd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voorzover in hoger
beroep van belang, het beroep van appellant gericht tegen de intrekking
van de nabestaandenuitkering met ingang van 1 november 1997 ongegrond
verklaard. De rechtbank was van oordeel dat appellant en [C.] met ingang
van oktober 1997 een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de Anw
hebben gevoerd en dat de nabestaandenuitkering van appellant terecht met
ingang van 1 november 1997 is beëindigd.
Naar aanleiding van het namens appellant ingesteld hoger beroep
overweegt de Raad het volgende.
Ingevolge artikel 16, eerste lid aanhef en onder b, van de Anw eindigt
het recht op nabestaandenuitkering onder meer indien de nabestaande een
gezamenlijke huishouding gaat voeren. Ingevolge het tweede lid van dit
artikel eindigt het recht op uitkering met ingang van de eerste dag van
de maand volgend op die waarin de in het eerste lid genoemde
omstandigheid zich voordoet.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke
huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde
woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel
van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins. Het vierde lid aanhef en onder d, van dit artikel bepaalt
dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht
indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij
op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke
huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke
huishouding als bedoeld in het derde lid.
Blijkens artikel 3, eerste lid aanhef en onder d, van het Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 is de aan [C.]
verleende vergunning tot verblijf wegens haar verblijf bij appellant aan
te merken als een registratie als bedoeld in artikel 3, vierde lid
aanhef en onder d, van de Anw.
Dit brengt mee dat voor de beantwoording van de vraag of appellant en
[C.] een gezamenlijke huishouding voerden van doorslaggevende betekenis
is of zij hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Daarbij geldt dat
het aanhouden van afzonderlijke woningen aan het hebben van
hoofdverblijf in dezelfde woning op zich niet in de weg hoeft te staan.
In dat geval zal echter wel redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat
desondanks toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat
slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt
dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen
wordt gemaakt dat de facto van samenwonen moet worden gesproken.
Op grond van de hiervoor vermelde onderzoeksbevindingen en met name de
door appellant afgelegde en ondertekende verklaring moet worden
aangenomen dat [C.] vanaf begin oktober 1997 hoofdzakelijk verbleef in
de woning van appellant. Aangezien niet is gebleken dat bij het afnemen
van de verklaring van appellant ongeoorloofde druk op hem is uitgeoefend
ziet de Raad in het feit dat appellant later op deze verklaring is
teruggekomen geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat
van de juistheid van tegenover onderzoeksambtenaren afgelegde
verklaringen moet worden afgegaan.
Op grond van het vorenstaande moet als vaststaand worden aangenomen dat
[C.] vanaf begin oktober 1997 haar hoofdverblijf had in de woning waar
ook appellant verbleef en dus begin oktober 1997 met hem een
gezamenlijke huishouding is gaan voeren. Op grond van artikel 16, eerste
en tweede lid, van de Anw diende deze omstandigheid te leiden tot beëindiging
van het recht op nabestaandenuitkering ingaande 1 november 1997.
De Raad stelt echter vast dat kort daarop en nog vóór 1 november 1997
aan het verblijf van appellant in zijn woning feitelijk een eind is
gekomen als gevolg van diens detentie. Ten tijde van het besluit van 29
juni 1998 tot intrekking van de nabestaandenuitkering stond vast dat die
detentieperiode ruim 6 maanden heeft geduurd. Naar het oordeel van de
Raad staat de duur van de onderbreking van appellants verblijf in
[woonplaats] eraan in de weg om aan te nemen dat appellant ook in de
periode van 23 oktober 1997 tot 28 april 1998 hoofdverblijf in dezelfde
woning als [C.] had. Deze vaststelling brengt mee dat appellant en [C.]
in die periode geen gezamenlijke huishouding voerden.
De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval, waarin de
omstandigheid op grond waarvan ingevolge artikel 16, eerste lid, van de
Anw het recht op nabestaandenuitkering eindigt zich niet langer voordoet
op de uit het tweede artikellid voortvloeiende ingangsdatum van die beëindiging,
het recht op uitkering niet eindigt.
In het voorgaande ligt besloten dat gedaagde niet gerechtigd was om de
nabestaandenuitkering met toepassing van artikel 34 van de Anw in te
trekken.
Het bestreden besluit komt derhalve op dit onderdeel wegens strijd met
de wet voor vernietiging in aanmerking. Ook de aangevallen uitspraak,
waarbij dit besluit in stand is gelaten, dient te worden vernietigd.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van
appellant in hoger beroep tot een bedrag van f 710,-- (€ 322,--)
wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het inleidend beroep gericht tegen de intrekking van de
nabestaandenuitkering met ingang van 1 november 1997 gegrond en
vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag van € 322,--, te betalen door de Sociale
verzekeringsbank.
Gelast de Sociale verzekeringsbank aan appellant het in hoger beroep
gestorte griffierecht ad f 170,-- (€ 77,14) te vergoeden.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en
mr. J.G. Treffers en mr. R.M. Van Male als leden, in tegenwoordigheid
van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 8 januari 2002.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|