|
Uitspraak
00/867 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde heeft bij besluit van 17 maart 1998 vastgesteld dat de
uitkering van appellante ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw)
ingaande 1 januari 1998 niet tot uitbetaling komt.
Bij besluit van 30 juni 1998, het bestreden besluit, heeft gedaagde het
bezwaar tegen het besluit van 17 maart 1998 ongegrond verklaard.
De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 14 december 1999 het beroep
tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen deze uitspraak op bij beroepschrift uiteengezette
gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 mei
2002, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
W.Th. Snoek, advocaat te Amsterdam, en mr. L.M.I. van Gool, werkzaam bij
de Bond van Gepensioneerden van de Nederlandse Antillen en Aruba, en
waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens
en J.A.J. Groenendaal, beiden werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellantes echtgenoot is als [functie] werkzaam geweest op het eiland
Curaçao. Na zijn overlijden is aan appellante ingaande februari 1978
een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet toegekend, dat
ingaande 1 juli 1996 is omgezet in een nabestaandenuitkering ingevolge
de Anw.
Bij inkomensonderzoek dat door gedaagde is uitgevoerd in 1997 is
gebleken dat appellante toen tevens in het genot was van een
weduwenpensioen op grond van de Pensioenverordening Burgerlijke
Landsdienaren 1938, haar toegekend ten laste van het Algemeen
Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen (APNA). Dit pensioen had in de
maand oktober 1997 een hoogte van f. 2.299,25.
Genoemd pensioen is voor gedaagde aanleiding geweest om bij het primaire
besluit van 17 maart 1998, gehandhaafd bij het bestreden besluit, te
bepalen dat de Anw-uitkering van appellante ingaande 1 januari 1998 niet
langer tot uitbetaling komt. Gedaagde heeft hierbij toepassing gegeven
aan artikel 11, eerste lid, van het - mede - op artikel 20 van de Anw
gebaseerde Inkomens- en samenloopbesluit Anw (hierna: het Besluit), dat,
voor zover hier van belang, als volgt luidt:
"Een op grond van de wetgeving van de Nederlandse Antillen (…)
toegekende uitkering, die naar aard en strekking overeenkomt met een
uitkering als bedoeld in artikel 14, (...) wordt op de uitkering,
bedoeld in artikel 14 (...) in mindering gebracht."
De rechtbank heeft dit besluit bij de aangevallen uitspraak in stand
gelaten.
Appellante heeft tegen deze uitspraak aangevoerd, in hoofdzaak, dat het
APNA-weduwenpensioen geen uitkering is die naar aard en strekking
overeenkomt met een nabestaandenuitkering ingevolge de Anw, nu het bij
de Anw om een volksverzekering gaat en bij het APNA-pensioen om een
pensioen voor een beperkte specifieke groep verzekerden.Voorts heeft
appellante gesteld dat door het bestreden besluit een onverantwoord
verschil in rechtsbedeling zou ontstaan tussen weduwen met een
APNA-pensioen, dat wel op de Anw-uitkering zou worden gekort, en weduwen
met een pensioen van de Stichting Pensioenfonds ABP, dat niet wordt
gekort. Tenslotte heeft appellante een beroep gedaan op de
hardheidsclausule, opgenomen in artikel 13 van het Besluit.
De Raad kan appellante, evenals de rechtbank, in deze grieven niet
volgen.
Vooreerst is de Raad, anders dan appellante, van oordeel dat het
APNA-weduwenpensioen naar de duidelijke bewoordingen van artikel 11,
eerste lid, van het Besluit onder dit artikellid valt, nu het een
nabestaandenuitkering betreft die ingevolge de wetgeving van de
Nederlandse Antillen is toegekend. De Raad wijst er in dit verband op
dat de woorden "een uitkering, die naar aard en strekking
overeenkomt" in artikel 11, eerste lid, van het Besluit, op welke
woorden appellante ter ondersteuning van haar standpunt een beroep doet,
niet meebrengen dat de aan de orde zijnde wetgeving van de Nederlandse
Antillen naar aard en strekking zou moeten overeenkomen met de Anw, doch
slechts dat het dient te gaan om een overeenkomstig type uitkering,
waarvan hier ontegenzeggelijk sprake is. Voorts wijst de Raad er op,
zoals ook de rechtbank heeft gedaan, dat artikel 20 van de Anw en het
daarop gebaseerde Besluit blijkens de wetsgeschiedenis een voortzetting
vormen van een eerdere overeenkomstige regeling bij en krachtens de
Algemene Weduwen- en Wezenwet (artikel 30a van die wet en artikel 1 van
het daarop gebaseerde Koninklijk besluit van 20 maart 1968, Stb. 174),
terwijl in de rechtspraak van deze Raad over die laatste regeling aldus
is geoordeeld, dat een pensioen als in casu aan de orde daar onder valt
(zie de uitspraak van deze Raad van 12 december 1990, Rechtspraak
Sociale Verzekering 1991/263 en de daarin vermelde eerdere rechtspraak).
De Raad kan voorts, anders dan appellante, niet inzien dat er in casu
sprake zou zijn van een, zoals appellante stelt, onverantwoord verschil
in rechtsbedeling tussen de onderhavige korting en de wijze waarop in de
Anw een pensioen van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt behandeld. Nog
daargelaten het bijzondere aspect dat het in casu gaat om een samenloop
van uitkeringen uit verschillende landen, is bij een ABP-pensioen de
aanspraak ingevolge de Anw ingebouwd, terwijl bij het APNA-pensioen geen
inbouw van externe aanspraken voorkomt.
Tenslotte verwerpt de Raad het beroep op de hardheidsclausule van
artikel 13 van het Besluit, nu dit artikel niet de strekking heeft te
bewerkstelligen dat een wettelijke regel als hier aan de orde opzij
wordt gezet.
Het vorenstaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraak in stand kan
blijven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. J.G. Treffers
en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|