|
Uitspraak
99/5759 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant, wettelijk
vertegenwoordigd door [wettelijk vertegenwoordiger],
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 18 december 1998 heeft gedaagde geweigerd aan appellant
een wezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) toe te
kennen.
Bij besluit van 19 februari 1999 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 18 december 1998 ongegrond verklaard.
De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 15 oktober 1999 het beroep
tegen het besluit van 19 februari 1999 gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit
geheel in stand zullen blijven. Voorts heeft de rechtbank een
proceskostenveroordeling en griffierechtvergoeding uitgesproken.
Namens appellant heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen, op
bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen de uitspraak van 15 oktober 1999.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd bij brieven
van 17 en 20 november 2000 nadere inlichtingen verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 maart
2002. Namens appellant is daar verschenen mr. Van der Veen, voornoemd,
en [wettelijk vertegenwoordiger]. Gedaagde heeft zich doen
vertegenwoordigen door K. van Ingen, werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant is [in] 1997 geboren uit het huwelijk tussen [de moeder] en
[de vader] (verder te noemen: de vader). [De moeder] is [in] 1997
overleden, terwijl de vader [in] 1998 is overleden. De vader werkte
laatstelijk vanaf 1 augustus 1995 als zelfstandige in Duitsland, waar
hij niet verzekerd was ingevolge de Duitse nabestaandenwetgeving, als
gevolg waarvan de aanvraag om een Duitse wezenuitkering door de
Landesversicherungsanstalt Westfalen bij beschikking van 16 oktober 1998
is afgewezen.
Bij het besluit van 18 december 1998 heeft gedaagde de aanvraag om een
wezenuitkering ingevolge de Anw afgewezen omdat de vader op de datum van
overlijden niet verzekerd was ingevolge de Anw en ook geen recht op
wezenuitkering kan worden geopend op grond van Verordening (EEG) nr.
1408/71 (verder te noemen: de Verordening), omdat hij op het moment van
overlijden evenmin verzekerd was in Duitsland. Bij het bestreden besluit
van 19 februari 1999 heeft gedaagde dit standpunt gehandhaafd en daar
aan toegevoegd dat de vader geen ingezetene was omdat hij in Duitsland
woonde en werkte.
De rechtbank heeft overwogen dat de sociale binding van de vader met
Nederland zo sterk was dat de enkele omstandigheid dat hij in Duitsland
woonde en werkte nog niet redengevend is voor het standpunt dat hij niet
als ingezetene in de zin van de Anw kan worden beschouwd. Het bestreden
besluit is dan ook onvoldoende gemotiveerd beoordeeld en om die reden
vernietigd. Omdat de vader als zelfstandige in Duitsland werkte was op
hem ingevolge artikel 13, tweede lid, sub b, van de Verordening de
Duitse wetgeving van toepassing. Om die reden dient de aanvraag om een
wezenuitkering op grond van de Anw te worden afgewezen. Dit door
gedaagde in het verweerschrift ingenomen standpunt is door de rechtbank
onderschreven en op grond daarvan heeft de rechtbank bepaald dat de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zullen blijven.
Namens appellant is in hoger beroep het oordeel van de rechtbank met
betrekking tot de betekenis van artikel 13, tweede lid, sub b, van de
Verordening bestreden. Daarbij is het standpunt ingenomen dat op grond
van het bepaalde in artikel 78, tweede lid, van de Verordening aan
appellant een wezenuitkering ingevolge de Anw moet worden toegekend.
De Raad overweegt als volgt.
Het geding in hoger beroep is beperkt tot de vraag of appellant aan
artikel 78 van de Verordening een recht op wezenuitkering ingevolge de
Anw kan ontlenen.
Het tweede lid van artikel 78 van de Verordening luidde ten tijde hier
van belang als volgt:
2. Ongeacht op het grondgebied van welke Lid-Staat de wees of de
natuurlijke persoon of rechtspersoon te wiens laste deze wees in feite
komt, woont, worden de bijslagen voor wezen toegekend volgens
onderstaande regels:
a. voor de wees van een overleden werknemer of zelfstandige die aan de
wettelijke regeling van één enkele Lid-Staat onderworpen was,
overeenkomstig de wettelijke regeling van die Staat;
b. voor de wees van een overleden werknemer of zelfstandige die aan de
wettelijke regelingen van meer dan één Lid-Staat onderworpen was:
i. overeenkomstig de wettelijke regeling van die van deze Staten, op het
grondgebied waarvan de wees woont, indien het recht op één van de in
lid 1 bedoelde bijslagen aldaar wordt ontleend aan de wettelijke
regeling van die Staat, eventueel met inachtneming van artikel 79, lid
1, onder a, of
ii. (...)
Artikel 78 van de Verordening maakt deel uit van hoofdstuk 8 van titel
III van de Verordening, welk hoofdstuk betrekking heeft op bijslagen
voor kinderen die ten laste komen van pensioen- of rentetrekkers en voor
wezen. In artikel 78, eerste lid, van de Verordening zoals luidend ten
tijde in geding, is onder meer bepaald dat onder bijslagen
wezenpensioenen of wezenrenten worden verstaan.
De Raad is van oordeel dat uit het stelsel van de Verordening
voortvloeit dat de wezenpensioenen dienen te worden toegekend met
toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 8 van titel III van de
Verordening, nu dit hoofdstuk bijzondere bepalingen bevat voor onder
meer wezenpensioenen.
Voor dit oordeel vindt de Raad steun in de jurisprudentie van het Hof
van Justitie van de Europese Gemeenschappen. In bijvoorbeeld
rechtsoverweging 15 van het arrest Bastos Moriana (arrest van 27
februari 1997, zaak C-59/95, gepubliceerd in o.a. RSV 1998/37, met noot
van mr. M.A.H.van Dalen-van Bekkum) wordt overwogen dat de in de
artikelen 77 en 78 vervatte regelgeving ertoe strekt de lidstaat te
bepalen waarvan de wettelijke regeling de verlening van bijslagen voor
kinderen ten laste van pensioen- of rentetrekkers of voor wezen
beheerst, waarbij de bijslagen dan in beginsel alleen volgens de
wettelijke regeling van deze staat worden verleend.
De Raad stelt voorts vast dat artikel 78, tweede lid, van de Verordening
iedere nationaal rechtelijke woonplaatseis opzij zet ten aanzien van de
wees of de natuurlijke persoon of rechtspersoon te wiens laste deze wees
komt. Deze bepaling heeft echter geen betrekking op woonplaatseisen of
aansluitingsvoorwaarden die gelden voor de in dat artikel bedoelde
overleden werknemer of zelfstandige. Ingevolge artikel 78 van de
Verordening moet de wezenuitkering worden toegekend overeenkomstig de
wettelijke regeling van de aangewezen staat en dient derhalve -
behoudens het bepaalde in artikel 79, eerste lid, sub a van de
Verordening - te zijn voldaan aan alle daarvoor in die wetgeving
gestelde voorwaarden met betrekking tot de (verzekering van de)
overleden werknemer of zelfstandige.
Nu gelet op genoemde beschikking van 16 oktober 1998 van het Duitse
orgaan moet worden aangenomen dat de vader van appellant slechts aan een
stelsel onderworpen is geweest, dient ingevolge het tweede lid van
artikel 78 van de Verordening aan de hand van de Nederlandse wettelijke
regeling te worden beoordeeld of er recht op wezenuitkering bestaat, nu
appellant ten tijde hier van belang in Nederland woonde.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de vader ten tijde hier van belang
ingezetene was. Gedaagde heeft dat standpunt in zijn verweerschrift
bestreden. Daargelaten het antwoord op de vraag of het standpunt van de
rechtbank juist is, is de Raad van oordeel dat, ook als de vader
ingezetene was, dit niet betekent dat hij in Nederland verzekerd was
ingevolge de Anw. Nu - naar niet in geschil is - de vader laatstelijk
uitsluitend in Duitsland werkzaam was, betekent dit dat hij - ook als hij
ingezetene was - niet verzekerd was ingevolge de Anw.
Het voorgaande betekent dat appellant geen recht op wezenuitkering kan
ontlenen aan artikel 78 van de Verordening. Het hoger beroep kan dan ook
niet slagen en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor
zover aangevochten.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als
bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr.
M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 mei
2002.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|