|
Uitspraak
99/1776 ANW en 99/2544 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna te noemen:
betrokkene,
en
de Sociale Verzekeringsbank, hierna te noemen: de SVB.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 17 februari 1998 heeft de SVB het bezwaar van betrokkene
tegen het besluit van 1 december 1997, waarbij de nabestaandenuitkering
van betrokkene ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) ingaande 1
januari 1998 is vastgesteld op f 576,22 bruto per maand, kennelijk
ongegrond verklaard (hierna: besluit 1).
Bij besluit van 30 juni 1998 heeft de SVB de nabestaandenuitkering van
betrokkene op grond van het bepaalde in de wet van 18 juni 1998, Stb. 377 (hierna: de Wijzigingswet Anw) ingaande 1
januari 1998 verhoogd (hierna: besluit 2).
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 17
maart 1999 het beroep gegrond verklaard en de besluiten 1 en 2
vernietigd en de rechtsgevolgen van besluit 2 in stand gelaten. Tevens
heeft de rechtbank de SVB veroordeeld in de proceskosten van betrokkene,
tot betaling van renteschade en tot vergoeding van het griffierecht.
Namens betrokkene is mr. E.J. van Bonnist, medewerker van D.A.S.
Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., van die
uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden.
De SVB is eveneens van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.
Mr. Bonnist en de SVB hebben een verweerschrift ingediend.
Het geding is tezamen met een aantal soortgelijke zaken behandeld ter
zitting van de Raad, gehouden op 21 juni 2000, waar betrokkene is
verschenen bij haar gemachtigde mr. G.J. Knotter, advocaat te Woerden, en
waar de SVB zich heeft doen vertegenwoordigen door prof. dr. G.J. Vonk,
H. van der Most en mr P.C.M. van de Nes, werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.
De Raad heeft daarna het onderzoek in deze zaak heropend. De SVB heeft
vervolgens bij brief van 14 september 2000 enige vragen van de Raad
beantwoord. Namens betrokkene heeft mr. Bonnist bij brief van 28
september 2000 gereageerd op het antwoord van de SVB.
Partijen hebben vervolgens schriftelijk toestemming verleend om zonder
nadere zitting uitspraak te doen.
II. MOTIVERING
Betrokkene heeft vanaf 1 februari 1977 een weduwenpensioen ingevolge de
Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) ontvangen, welk pensioen ingaande 1
juli 1996 op grond van het bepaalde in artikel 67 van de Anw is omgezet
in een nabestaandenuitkering ingevolge laatstgenoemde wet. In juni 1996
heeft betrokkene desgevraagd aan de SVB medegedeeld dat zij een
gezamenlijke huishouding voert met [partner].
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 1 december 1997 heeft de SVB
het nabestaandenpensioen van betrokkene ingaande 1 januari 1998
vastgesteld op een bedrag van f 576,22 bruto per maand. Vervolgens
heeft de SVB bij besluit 2 de nabestaandenuitkering van betrokkene op
grond van de Wijzigingswet Anw ingaande 1 januari 1998 verhoogd en het
bedrag van haar uitkering ingaande 1 juli 1998 vastgesteld op f 704,12
bruto per maand.
De rechtbank heeft het beroep van betrokkene mede gericht geacht tegen
besluit 2 en heeft het beroep gegrond verklaard en de besluiten 1 en 2 vernietigd alsmede de rechtsgevolgen van besluit
2 in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de
bestreden besluiten niet in strijd met het bepaalde in de Anw zijn
genomen, dat er geen sprake is van schending van het bepaalde in artikel
1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van
de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat geen sprake is van
een verboden discriminatie tussen zogenaamde oude gevallen, waartoe
betrokkene behoort, en zogenaamde nieuwe gevallen waarbij het overlijden
plaatsvindt onder het regime van de Anw en die, anders dan betrokkene,
in de gelegenheid zijn geweest om zich tegen de gevolgen van het
zogenaamde Anw-gat te verzekeren op grond van het bepaalde in de
artikelen 14 van het EVRM en 26 van het Internationaal Verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en dat het bepaalde in
artikel 67 van de Anw niet in strijd is met het Verdrag betreffende
prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten (IAO-Verdrag nr. 121,
Trb. 1965, 16 en Trb. 1966, 137), het Verdrag betreffende uitkering bij invaliditeit en
ouderdom en aan nagelaten betrekkingen (IAO-Verdrag nr. 128, Trb. 1968,
131) en de Europese Code inzake Sociale Zekerheid van 16 april 1964 (Trb.
1965, 47).
Namens betrokkene is in hoger beroep aangevoerd dat de bestreden
besluiten wel in strijd zijn met het bepaalde in het Eerste Protocol bij
het EVRM, het IVBPR, de IAO-verdragen 121 en 128 en de Europese Code.
Voorts is, aangevoerd dat de bestreden besluiten in strijd zijn met
algemene rechtsbeginselen en in het bijzonder het
rechtszekerheidsbeginsel. De SVB heeft de stellingen van betrokkene
betwist.
De SVB heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank de SVB ten
onrechte ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
heeft veroordeeld tot vergoeding van schade van betrokkene, bestaande
uit wettelijke interest, en dat de rechtbank de SVB eveneens ten
onrechte ingevolge artikel 8:75 van de Awb heeft veroordeeld tot
betaling van de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van f 1.420,- ter zake van verleende rechtsbijstand.
Mr. Bonnist heeft namens betrokkene het standpunt van de SVB betwist.
De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de SVB
bij besluit 2 de aanspraak van betrokkene op nabestaandenuitkering
ingaande 1 januari 1998 overeenkomstig het bepaalde in de Anw heeft
vastgesteld. Het geschil tussen partijen spitst zich derhalve toe op de
vraag of dit besluit wegens strijd met bepalingen van internationaal of
supranationaal recht of met algemene rechtsbeginselen niet in stand kan
blijven. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.
Met betrekking tot de toetsing aan artikel 1 van het Eerste Protocol bij
het EVRM overweegt de Raad als volgt. Blijkens het verhandelde ter
zitting aanvaardt thans ook de SVB dat bij het besluit dat de aanspraak
op Anw-uitkering per 1 januari 1998 regelt, een "possession" (eigendom) in de zin
van evenvermelde bepaling is betrokken. Ook de Raad is dit oordeel
toegedaan en hij onderschrijft op dit punt de overwegingen van de
rechtbank. Als dit eigendom valt aan te merken de aanspraak op uitkering
die voorafgaande aan 1 juli 1996 aan betrokkene rechtens toekwam
overeenkomstig de bepalingen van de AWW en die onder de vigeur van de
Anw tot 1 januari 1998 onaangetast is gebleven. De inwerkingtreding van
de Anw leidde tot een gedeeltelijke ontneming van eigendom ingaande
laatstgenoemde datum voor de personen, waaronder betrokkene, waarop de
overgangsbepaling van artikel 67 van de Anw het oog heeft.
In deze wetsbepaling is één van de grondgedachten van de Anw, te weten
dat aan een wettelijke nabestaandenverzekering het behoefteprincipe ten
grondslag moet liggen, uitgewerkt voor de voormalige AWW-gerechtigden.
Ten opzichte van het eigenlijke Anw-regime, dat kort gezegd inkomen in
verband met arbeid volledig in mindering brengt op de uitkering en van
het inkomen uit arbeid een bedrag van 50% van het brutominimumloon
buiten aanmerking laat alsmede een derde gedeelte van het meerdere
inkomen, geldt - met inachtneming van het bepaalde in de Wijzigingswet -
voor deze gerechtigden een verzachte kortingsregeling, waarbij van beide
genoemde vormen van inkomen 70% van het brutominimumloon voor de
korting buiten aanmerking wordt gelaten, alsmede voor inkomen uit arbeid
een derde gedeelte van het meerdere. Voorts geldt voor deze gevallen
dat, ongeacht de hoogte van het inkomen, van de nabestaandenuitkering
een bedrag gelijk aan 30% van het brutominimumloon onaangetast blijft.
Ten aanzien van de overgangsregeling van artikel 67 van de Anw is voorts
van belang dat, waar personen die een gezamenlijke huishouding voeren in
de Anw als gehuwd worden aangemerkt (met uitzondering van bloedverwanten
in de eerste graad), de voormalige AWW-gerechtigde die op die grond als
gehuwd wordt aangemerkt ingaande 1 januari 1998 een Anw-uitkering van
30% van het brutominimumloon behoudt, welk percentage voor degenen die
een gezamenlijke huishouding voeren ten behoeve van de verzorging van
een hulpbehoevende 50% (van het nettominimumloon) bedraagt, waarvan 20%
inkomensafhankelijk.
Ten aanzien van betrokkene heeft deze regeling ertoe geleid dat haar
Anw-uitkering per 1 januari 1998 is vastgesteld op 30% van het
brutominimumloon.
De rechtbank heeft geoordeeld dat dit resultaat in overeenstemming is
met de criteria welke voortvloeien uit de eerste zin van artikel 1 van
het Eerste Protocol, luidend:
"Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord
genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen
behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de
wet en in de algemene beginselen van internationaal recht."
Ook de Raad is van oordeel dat in de overgangsregeling van de Anw deze
criteria op de juiste wijze in acht zijn genomen, en met name dat de
wetgever de hem toekomende beoordelingsmarge bij de vaststelling van wat
in het algemeen belang geboden kan en moet worden geacht niet heeft
overschreden. In aanvulling op hetgeen de rechtbank op dit punt heeft
overwogen, acht de Raad ook nog het volgende van belang. Naar huidig
inzicht fungeert de wettelijke nabestaandenverzekering als
bodemvoorziening ten opzichte van aanvullende nabestaandenregelingen en
als inkomensvoorziening op het niveau van het sociaal minimum. Daarin
past niet het geheel onaangetast laten van die (bodem)uitkering in
omstandigheden die erop duiden dat de betrokken nabestaande in staat is
of is geweest om in het eigen onderhoud te voorzien. Dat op dit punt in
de AWW geen voorzieningen waren getroffen, valt naar aannemelijk is in
overwegende mate toe te schrijven aan de destijds geringe
arbeidsparticipatie van gehuwde vrouwen, als gevolg waarvan samenloop
van AWW-pensioen en inkomen uit arbeid, c.q. loondervingsuitkeringen,
relatief zeldzaam was. De maatschappelijke veranderingen op dit punt
maakten, vanuit de eerder omschreven doelstelling van de regeling, een
regeling voor de samenloop van nabestaandenuitkering en ander inkomen
noodzakelijk. Voorts heeft de wetgever het aangewezen geacht de
gelijkstelling van (in algemene zin:) een gezamenlijke huishouding van
twee personen met een huwelijk, welke in verscheidene andere sociale
regelingen reeds haar beslag had gekregen, uit te breiden tot de
wettelijke nabestaandenverzekering.
Dat de hieruit voortvloeiende aanpassingen zich ook uitstrekken tot
bestaande gevallen (AWW-gerechtigden), acht de Raad binnen het
onderhavige toetsingskader vanuit een oogpunt van gelijkheid, en mede
gelet op de potentieel lange looptijd van de uitkering, aanvaardbaar; en
eveneens aanvaardbaar is in hetzelfde kader het standpunt van de
wetgever dat vanuit een oogpunt van rechtszekerheid een tijdelijke en/of
gedeeltelijke (in casu: een tijdelijke volledige en in aansluiting
daarop een gedeeltelijke) eerbiediging van bestaande rechten geboden is.
Dat slechts een "volledige compensatie" in overeenstemming met
artikel 1 van het Eerste Protocol zou zijn, zoals namens de betrokkenen
in de op de onderhavige zitting behandelde gedingen is betoogd, berust
op een onjuiste opvatting ten aanzien van die bepaling, welke niet zo
ver strekt dat zij het een staat ten enenmale onmogelijk zou maken in
bestaande (socialezekerheids)rechten in te grijpen.
Met betrekking tot de ter zitting opgeworpen stelling dat de wetgever
bij de regeling van het overgangsrecht-Anw haar oordeel niet goed heeft
afgewogen en niet in overeenstemming heeft gehandeld met hetgeen
recentelijk in de Notities overgangsrecht in de sociale zekerheid van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot uitdrukking is
gebracht, welk betoog in wezen strekt tot toetsing van de wet aan
algemene rechtsbeginselen, overweegt de Raad dat hij in deze stellingen
geen rechtsnormen vermag aan te treffen waaraan hij de onderhavige
bepalingen van een wet in formele zin kan toetsen (vgl. CRvB 15 mei
1996, RSV 96/170).
Wat meer in het algemeen het beroep op algemene rechtsbeginselen
betreft, overweegt de Raad dat hij zich in constante rechtspraak heeft
aangesloten bij het oordeel van de Hoge Raad, inhoudende dat artikel 120
van de Grondwet (mede) een verbod inhoudt om de wet (in formele zin) te
toetsen aan dergelijke beginselen (HR 14 april 1989, AB 1989, 207,
Harmonisatiewetarrest). Van "niet door de wetgever verdisconteerde
omstandigheden", welke volgens diezelfde rechtspraak aanleiding
zouden kunnen vormen strikte wetstoepassing achterwege te laten, is in
het onderhavige geval niet gebleken. Dit geldt met name ook voor het
beroep namens betrokkene op het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank is op dit punt tot hetzelfde oordeel gekomen.
Mede namens betrokkene is ter zitting van de Raad aangevoerd dat in het
tweede lid van artikel 67 van de Anw en in het Inkomens- en
samenloopbesluit Anw van 10 juni 1996, Stb. 306, ten onrechte
onderscheid wordt gemaakt tussen inkomen uit arbeid en inkomen in
verband met arbeid, welk onderscheid een verboden discriminatie zou
opleveren in de zin van artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het
EVRM jo artikel 1 van het Eerste Protocol. De Raad is van oordeel dat in
het geding inzake betrokkene deze grief geen bespreking behoeft omdat in
haar geval de Anw-uitkering per 1 januari 1998 is vastgesteld op 30% van
het brutominimumloon op de grond dat zij een gezamenlijk huishouding
voert en niet vanwege inkomen uit of in verband met arbeid.
De Raad is met de rechtbank, en op dezelfde gronden, van oordeel dat de
omstandigheid dat betrokkene, in tegenstelling tot toekomstige
nabestaanden, zich niet heeft kunnen bijverzekeren voor het zogenaamde
Anw-gat niet betekent dat sprake is van een verboden onderscheid als
bedoeld in artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM.
De Raad zal de opgeworpen stellingen betreffende de betekenis van de
ILO-normverdragen 121 en 128 en van de Europese Code inzake sociale
zekerheid gezamenlijk behandelen. Allereerst verdient opmerking dat het
aspect "bescherming van verkregen rechten" hier geen rol kan
spelen, nu de bedoelde verdragen daaromtrent geen normen bevatten. De
stelling die in dit geding aan de orde kan zijn moet derhalve betrekking
hebben op de vraag of de aanspraken die de Anw toekent aan voormalige
AWW-gerechtigden in overeenstemming zijn met de normen die de bedoelde
verdragen stellen. De Raad komt echter aan die vraag niet toe, aangezien
hij met de SVB van oordeel is dat de verdragen althans op dit punt geen
een ieder verbindende bepalingen in de zin van de artikelen 93 en 94 van
de Grondwet bevatten. Hieraan ziet de Raad ten aanzien van alle genoemde
verdragen steeds één of meer van de volgende factoren in de weg staan:
de onvoldoende concrete dan wel facultatieve normering van het
uitkeringsniveau; de mogelijkheid - dan wel de onduidelijkheid
daaromtrent - van de aftrek van inkomsten, c.q van schorsing of
intrekking van de uitkering bij aanwezigheid van ander inkomen; het
overlaten aan de nationale wetgevingen van de definiëring van centrale
begrippen als "weduwe" en "kostwinner"; en tenslotte
in algemene zin het instructiekarakter van de verdragen, dat doorgaans
in de weg zal staan aan de mogelijkheid van het inroepen van een
rechtens afdwingbare aanspraak op een concrete prestatie in een
individueel geval.
De SVB heeft in haar hoger beroepschrift de door de rechtbank
uitgesproken veroordeling tot betaling van renteschade en proceskosten
betwist, aanvoerende dat het besluit van 17 februari 1998 niet
onrechtmatig is, omdat het ten tijde van het nemen ervan in
overeenstemming was met het bepaalde in en krachtens de Anw. Het feit
dat dit besluit op grond van de bij de Wijzigingswet Anw met
terugwerkende kracht ingevoerde wijzigingen in het overgangsrecht in de
Anw niet langer is gehandhaafd kan er volgens de SVB niet toe leiden dat
sprake is van een onrechtmatig besluit.
De Raad stelt ten aanzien van dit geschilpunt voorop dat blijkens vaste
rechtspraak van de Hoge Raad een (semi-)overheidslichaam -zoals de SVB- een onrechtmatige daad begaat
door een besluit te nemen en te handhaven dat naderhand door de rechter
wordt vernietigd wegens strijd met de wet of op andere gronden en dat
daarmee de schuld van het overheidslichaam in beginsel is gegeven. Zelfs
wanneer het overheidslichaam geen enkel verwijt treft wordt aangenomen
dat deze onrechtmatige daad in beginsel voor diens rekening komt. Nu
vast staat dat de rechtbank het besluit van 17 februari 1998 wegens
strijd met de - inmiddels gewijzigde - Anw heeft vernietigd, staat op
grond van het hiervoor overwogene vast dat sprake is van een
onrechtmatige daad welke in beginsel voor rekening van de SVB komt. De
Raad ziet onvoldoende aanleiding om het onrechtmatig handelen niet aan
de SVB toe te rekenen nu sprake is van een wegens strijd met de wet
vernietigd besluit. Het feit dat deze strijdigheid een gevolg is van een
wijziging van de Anw met terugwerkende kracht heeft de Raad niet tot een
ander oordeel gebracht. Daarbij heeft de Raad, gelet op het bepaalde in
artikel 6:162, lid 3, BW en op hetgeen door de Hoge Raad is overwogen in
zijn arrest van 20 februari 1998 (AB 1998/231), mede van belang geacht
dat het redelijker is de schade die voor een individuele burger
voortvloeit uit een besluit waarvan inmiddels is gebleken dat het
onjuist is, voor rekening te brengen van de collectiviteit dan om die
schade voor rekening te laten van de burger jegens wie dat besluit werd
genomen.
Ook de uitgesproken proceskostenveroordeling kan 's Raads toetsing
doorstaan. De Raad heeft immers al eerder overwogen, onder meer in de
uitspraak van 27 februari 1997, nr. 96/5062 Algemeen, dat het
bestuursorgaan in beginsel in de kosten veroordeeld dient te worden
indien de rechtbank een besluit vernietigt en dat slechts in
uitzonderlijke gevallen afwijking van dit uitgangspunt is
gerechtvaardigd. Mede gelet op het hiervoor overwogene acht de Raad een
wetswijziging met terugwerkende kracht niet een zodanig uitzonderlijke
omstandigheid dat een proceskostenveroordeling achterwege dient te
blijven.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de
SVB te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt de SVB in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot
een bedrag groot f 1.420,-;
Verstaat dat van de SVB een recht van f 675,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en
mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|