|
Uitspraak
01/522 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 19 januari 2000 (hierna: het bestreden besluit) heeft
appellant gegrond verklaard de bezwaren van gedaagde tegen het besluit
van 15 juli 1999, waarbij gedaagdes uitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet (Anw) per 1 november 1998 is herzien en waarbij van
gedaagde is teruggevorderd een bedrag van f 11.503,80 aan over de
periode van juli 1998 tot en met juni 1999 onverschuldigd betaalde
uitkering.
De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 20 december 2000 het door
gedaagde tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw
besluit op bezwaar te nemen alsmede het griffierecht aan gedaagde te
vergoeden.
Appellant heeft bij brief van 23 januari 2001 tegen deze uitspraak hoger
beroep ingesteld op bij brief van 12 april 2001 ingediende gronden.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 14 augustus 2002,
waar voor appellant is verschenen mr. E.W. Viertelhauzen, en waar
gedaagde, met voorafgaand bericht van verhindering, niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde, geboren [in] 1937, heeft bij formulier gedateerd 31 juli 1998
een uitkering ingevolge de Anw aangevraagd. Op het aanvraagformulier
heeft zij aangegeven dat zij een VUT-uitkering van f 1076,92 bruto per
4 weken plus f 49,00 overhevelingstoeslag ontvangt. Voorts heeft zij
overgelegd een salarisspecificatie over periode 6 van 1998. Bij besluit
van 8 september 1998 heeft appellant aan gedaagde onder korting van door
haar uit arbeid ontvangen inkomsten met ingang van september 1998 een
uitkering ingevolge de Anw toegekend ter hoogte van f
1.787,49 bruto
per maand met een vakantie-uitkering van f
116,51 bruto per maand.
Op 11 december 1998 heeft appellant van gedaagde ontvangen een afschrift
van een brief waarin de voormalige werkgeefster van gedaagde meedeelt
dat de aan gedaagde te betalen aanvulling op haar uitkering ingevolge
de Werkloosheidswet per 1 december 1998 wordt verlaagd tot VUT-niveau.
Desverzocht hebben gedaagde en Cadans Uitvoeringsinstelling B.V. aan
appellant nadere informatie verstrekt.
Bij besluit van 15 juli 1999 heeft appellant de uitkering ingevolge de
Anw van gedaagde met ingang van 1 november 1998 nader vastgesteld op f
831,01 bruto per maand met een vakantie-uitkering van f
54,17 bruto per
maand en voorts een bedrag van f 11.503,80 bruto aan te veel ontvangen
uitkering ingevolge de Anw en vakantie-uitkering van gedaagde
teruggevorderd. Appellant heeft hierbij overwogen dat gedaagde gemiddeld
een inkomen uit arbeid van f 84,58 per maand ontvangt, welk bedrag niet
op de nabestaandenuitkering in mindering wordt gebracht omdat het minder
bedraagt dan 50% van het bruto minimumloon, alsmede dat zij een inkomen
in verband met arbeid van gemiddeld f
956,51 per maand ontvangt, welk
inkomen geheel op de uitkering ingevolge de Anw in mindering wordt
gebracht. Bij brief van dezelfde datum heeft appellant aan gedaagde een
voorstel ten aanzien van de wijze van invordering van het terug te
betalen bedrag gedaan.
Gedaagde heeft bij brief van 22 juli 1999 tegen het besluit van 15 juli
1999 bezwaar gemaakt. Gedaagde heeft daarbij aangevoerd dat haar
uitkering ingevolge de Anw ten onrechte is verlaagd, aangezien zij van
haar laatste werkgever een VUT-uitkering ontvangt.
Bij het bestreden besluit heeft appellant de bezwaren van gedaagde
gegrond verklaard op de grond dat niet in één beschikking is beslist
over de terugvordering en de invordering, alsnog bepaald dat gedaagde
met ingang van 1 juli 1998 recht heeft op een inkomensafhankelijke
nabestaandenuitkering van f 932,80 bruto per maand met een
vakantie-uitkering van f 60,79 bruto per maand, bepaald dat met ingang
van januari 2000 tot en met november 2004 maandelijks een bedrag van
bruto f 192,50 op de toekomstige uitkeringen ingevolge de Anw in
mindering wordt gebracht en in december 2004 een bedrag van f
146,30,
en voorts het in het primaire besluit vervatte standpunt volledig
gehandhaafd. Appellant heeft daarbij overwogen dat gedaagdes
dienstverband per 1 december 1995 in verband met reorganisatie is
verbroken, dat de sedertdien door gedaagde ontvangen NWW-uitkering wordt
beschouwd als inkomen in verband met arbeid welke geheel met de
uitkering ingevolge de Anw wordt verrekend en dat de door de werkgever
aan gedaagde betaalde aanvulling wordt beschouwd als inkomen uit arbeid,
welke tot 50% van het bruto minimumloon buiten beschouwing wordt
gelaten. Appellant heeft gedaagdes inkomen per maand met toepassing van
het Inkomens- en samenloopbesluit Anw per 1 juli 1998 vastgesteld op f
224,44 uit arbeid en f 854,72 in verband met arbeid en ingaande 1
november 1998 op f 84,58 uit arbeid en gemiddeld f 956,51 in verband
met arbeid. Tenslotte heeft appellant geen dringende reden aanwezig
geacht om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering van het te veel
uitbetaalde bedrag van f 11.503,80 af te zien.
Namens gedaagde is in beroep aangevoerd dat appellant gelet op de
financiële situatie en leeftijd van gedaagde ten onrechte de
terugvordering in zijn geheel heeft gehandhaafd. Voorgesteld is de
terugvordering te beperken tot 50% van het terug te vorderen bedrag.
De rechtbank heeft het beroep van gedaagde beperkt geacht tot de vraag
of in het geval van gedaagde sprake is van dringende redenen die
appellant aanleiding hadden moeten geven om geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien. De rechtbank heeft overwogen dat het gedaagde
duidelijk had kunnen zijn dat zij na haar ontslag in verband met
reorganisatie niet een VUT-uitkering maar een uitkering ingevolge de WW
met daarop een aanvulling ingevolge het sociaal plan ontving. De
rechtbank heeft zich echter niet kunnen verenigen met het standpunt van
appellant dat gedaagde redelijkerwijs had kunnen weten dat haar bij
besluit van 8 september 1998 een te hoge uitkering ingevolge de Anw was
toegekend omdat appellant van een onjuist soort inkomen was uitgegaan.
De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat de door appellant aan gedaagde
verstrekte voorlichtingsbrochure onvoldoende duidelijk was, zodat het
niet onderkennen van de door appellant gemaakte fout gedaagde niet kan
worden tegengeworpen. Naar het oordeel van de rechtbank had appellant
daarin aanleiding moeten zien geheel of gedeeltelijk van terugvordering
af te zien.
Appellant heeft onder verwijzing naar de tekst van artikel 53 van de
Anw, zoals dit artikel luidt sedert de invoering van de Wet Boeten en
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Wet Boeten), in
hoger beroep aangevoerd dat hij verplicht is de uitkering te herzien en
teveel verstrekte uitkering terug te vorderen. Slechts in enkele
gevallen heeft appellant de bevoegdheid wegens dringende redenen af te
zien van herziening en/of terugvordering. Om van een dringende reden te
kunnen spreken moet er, gelet op de Memorie van Toelichting op de Wet
Boeten, wel iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn om
afwijking van het algemene principe te rechtvaardigen. Volgens het ter
zake door appellant ontwikkelde beleid wordt niet tot herziening met
volledige terugwerkende kracht overgegaan als betrokkene al zijn
verplichtingen is nagekomen en voorts niet heeft kunnen begrijpen dat de
uitkering ingevolge de Anw tot een te hoog bedrag is verleend. Een
dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien
kan zich slechts voordoen ingeval sociale of financiële omstandigheden
zich tegen volledige terugvordering verzetten. In het algemeen houdt
appellant daarmee pas rekening bij de beslissing inzake invordering.
Appellant erkent dat in eerste instantie de uitkering niet goed is
berekend waardoor deze herzien moest worden en een terugvordering is
ontstaan, maar appellant stelt zich tevens op het standpunt dat in het
geval van gedaagde niet kan worden gesproken van een bijzondere en
uitzonderlijke situatie op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van
terugvordering zou moeten worden afgezien. Appellant meent dat gedaagde
gelet op de componenten van haar inkomen had kunnen onderkennen dat bij
de berekening van de uitkering ingevolge de Anw van een onjuist inkomen
is uitgegaan.
Voorts meent appellant dat de voorlichtingsfolder voldoende
duidelijkheid geeft over het onderscheid in verschillende vormen van
inkomen. Gedaagde had uit deze folder kunnen afleiden dat een forse
korting op haar uitkering ingevolge de Anw moest plaatsvinden. Nu aan
gedaagde maar f 0,03 minder dan het maximum bedrag aan uitkering werd
verstrekt, had haar duidelijk moeten zijn dat appellant een fout had
gemaakt. Appellant ziet geen dringende reden om van de herziening,
terug- en invordering af te zien.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt vast dat tussen gedaagde en appellant niet in geschil is
dat gedaagde een te hoog bedrag aan uitkering ingevolge de Anw heeft
ontvangen en dat gedaagde de hoogte van het teveel betaalde bedrag aan
uitkering niet bestrijdt. Het geding in hoger beroep beperkt zich
derhalve tot de vraag of de rechtbank terecht een dringende reden om van
terugvordering af te zien aanwezig heeft geacht.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de vraag of de
voorlichtingsfolder van appellant al dan niet duidelijk was niet een
overweging is die in het kader van het beroep op een dringende reden om
van terugvordering af te zien een rol kan spelen. De vraag of de folder
van appellant de uitkeringsgerechtigde voldoende duidelijkheid over haar
uitkering verschaft kan hooguit een rol spelen in het kader van het
hiervoor vermelde herzieningsbeleid van appellant, in welk beleid de
vraag of het betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat een te
hoge uitkering werd betaald van belang is bij de beslissing over de
datum per wanneer de uitkering dient te worden herzien en of de hoogte
van het terug te vorderen bedrag dient te worden beperkt. Aan de vraag
of zich een dringende reden om van terugvordering af te zien voordoet
wordt pas toegekomen nadat de herziening of intrekking met toepassing
van vorenvermeld beleid is vastgesteld. Blijkens de wetsgeschiedenis
kunnen genoemde dringende redenen in de zin van artikel 53 van de Anw
slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van sociale en/of financiële
consequenties voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele
gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en
waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden
plaatsvindt. In het geval van gedaagde is de Raad van consequenties als
hiervoor bedoeld niet gebleken.
Gelet op het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat het hoger beroep
van appellant slaagt, dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in
aanmerking komt en dat het inleidend beroep gegrond dient te worden
verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter, mr. H.J. Simon en
mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr.
M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18
september 2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|