|
Uitspraak
01/3431 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 15 februari 1999 heeft appellant met ingang van 1
februari 1994 het aan gedaagde toegekende weduwnaarspensioen ingevolge
de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) en de van rechtswege per 1 juli
1996 aan hem toegekende nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet (Anw) ingetrokken. Tevens heeft appellant bij dit
besluit de vanaf 1 juli 1996 teveel betaalde nabestaandenuitkering ad f
57.616,25 ( 26.145,11) van gedaagde teruggevorderd.
Bij beslissing op bezwaar van 22 juli 1999, hierna: het bestreden
besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 15 februari 1999 ongegrond
verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 10 mei 2001 het tegen het
bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit
vernietigd, met veroordeling van appellant in de proceskosten en tot
vergoeding van het griffierecht.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
beroepschrift aangevoerde gronden.
Namens gedaagde heeft mr. L.H. Weijer, advocaat te Capelle aan de IJssel,
een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 augustus
2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. A.
Slovacek, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank en waar gedaagde in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Weijer, voornoemd.
II. MOTIVERING
Gedaagde, geboren op 2 augustus 1940, is [in] 1961 gehuwd met
[echtgenoot], die op [in] 1980 is overleden. Uit dit huwelijk zijn geen
kinderen geboren.
In september 1989 heeft gedaagde een aanvraag om een weduwnaarspensioen
ingevolge de AWW ingediend. Bij besluit van 15 mei 1990 heeft appellant
met ingang van 1 september 1988 een weduwnaarspensioen ingevolge de AWW
aan gedaagde toegekend. In dit besluit heeft appellant overwogen dat het
pensioen is toegekend, omdat de echtgenote van gedaagde op de datum van
haar overlijden verzekerd was ingevolge de AWW en gedaagde in de maand
van overlijden de leeftijd van 40 jaar had bereikt.
Het aan gedaagde toegekende weduwnaarspensioen ingevolge de AWW is
ingaande 1 juli 1996 van rechtswege omgezet in een nabestaandenuitkering
ingevolge de Anw.
In september 1998 is in het kader van een "steekproef Anw"
vastgesteld dat op grond van de dossiergegevens voor gedaagde geen recht
bestaat op een pensioen ingevolge de AWW, omdat hij in de maand van
overlijden van zijn echtgenote de leeftijd van 40 jaar nog niet had
bereikt. Vervolgens is onderzocht of gedaagde op andere gronden
aanspraak kon maken op een weduwnaarspensioen.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 15 februari 1999 heeft
appellant het aan gedaagde toegekende AWW-pensioen met ingang van 1
februari 1994 en de ingaande 1 juli 1996 van rechtswege toegekende
nabestaandenuitkering met ingang van die datum ingetrokken.
Dienaangaande heeft appellant in het bestreden besluit het volgende
overwogen:
"Op grond van artikel 34, lid 1, sub b Anw herziet de SVB een
besluit tot toekenning van een uitkering of trekt zij dat in indien
(anderszins) de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
verleend. Op grond van lid 2 van artikel 34 Anw kan de SVB, indien
daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of
gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Er kan sprake zijn van een dergelijke dringende reden als de
uitkeringsgerechtigde niet kan worden verweten een verplichting te
hebben geschonden, en hij voorts niet heeft kunnen begrijpen dat de
uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend. Is de
onjuiste toekenning een gevolg van een fout van de SVB, maar heeft de
belanghebbende deze fout kunnen onderkennen, dan is er in beginsel geen
sprake van een dringende reden en vindt intrekking plaats met volledige
terugwerkende kracht (SVB Beleidsregels 1998, blz. 109).
Aan u kan niet worden verweten een verplichting te hebben geschonden,
aangezien u op het aanvraagformulier om AWW-pensioen zowel uw
geboortedatum als de overlijdensdatum van uw echtgenote correct hebt
opgegeven.
Naar mening van de SVB hebt u echter de fout van de SVB, om aan u een
AWW-pensioen toe te kennen, wel kunnen onderkennen. (...) De SVB is van
mening dat u bij normale oplettendheid had moeten weten dat het
AWW-pensioen ten onrechte aan u werd toegekend en uitbetaald.
Nu u derhalve de fout had kunnen onderkennen, zou in beginsel geen
sprake zijn van een dringende reden om van intrekking met volledige
terugwerkende kracht af te zien. Echter, gezien de omstandigheid dat de
uitkering gedurende een periode van 10 jaren en 5 maanden aan u is
uitbetaald, is de SVB met inachtneming van het vertrouwensbeginsel, van
mening dat er desalniettemin reden is om de mate van terugwerkende
kracht te beperken. Bij dringende reden om gedeeltelijk van intrekking
af te zien, wordt de terugwerkende kracht van de intrekking in beginsel
tot de helft beperkt en bedraagt in beginsel ten hoogste vijf jaar (SVB
Beleidsregels 1998, blz. 110). Gerekend vanaf de datum waarop de
onjuistheid van de toekenning voor het eerst aan u is meegedeeld
(februari 1999), is uw AWW/Anw-uitkering ingetrokken met een
terugwerkende kracht van vijf jaar tot februari 1994."
Voorts heeft appellant de vanaf 1 juli 1996 tot 1 februari 1999
onverschuldigd betaalde Anw-uitkering ad f 57.616,25 ( 26.145,11) van
gedaagde teruggevorderd.
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, overwegende dat
gedaagde op grond van de tekst van het besluit van 15 mei 1990 niet
heeft moeten onderkennen dat hem ten onrechte een AWW-pensioen werd
toegekend, nu in dat besluit niet expliciet wordt aangegeven dat de
weduwnaar recht op weduwnaarspensioen heeft indien hij 40 jaar of ouder
is op de laatste dag van de maand waarin zijn echtgenote is overleden.
Daarbij heeft de rechtbank mede van belang geacht dat gedaagde ten tijde
van het toekenningsbesluit al 49 jaar was, hij niet geoefend was in het
lezen van juridische teksten en dat appellant de fout bij latere
wijzigingsbesluiten ook niet heeft onderkend.
Voorts heeft de rechtbank in een overweging ten overvloede aangegeven
dat gedaagde vanaf 1 juli 1996 wellicht aanspraak heeft op
nabestaandenuitkering ingevolge de Anw.
Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden
en aangevoerd dat gedaagde bij normale oplettendheid redelijkerwijs had
moeten weten dat het AWW-pensioen ten onrechte werd toegekend, zodat er
geen aanleiding is af te zien van herziening met terugwerkende kracht.
Voorts heeft appellant aangevoerd dat gedaagde geen aanspraak heeft op
uitkering ingevolge de Anw, reeds omdat zijn echtgenote nooit verzekerd
is geweest ingevolge die wet.
Ter zitting van de Raad is namens appellant medegedeeld dat het
bestreden besluit niet wordt gehandhaafd, voor zover daarbij een bedrag
van f 57.616,25 van gedaagde wordt teruggevorderd.
De Raad overweegt het volgende.
Voorop moet worden gesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat
gedaagde vanaf 1 september 1988 geen recht had op een weduwnaarspensioen
ingevolge de AWW, omdat hij in de maand van overlijden van zijn
echtgenote de leeftijd van 40 jaar nog (net) niet had bereikt. Voorts is
de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat appellant terecht
heeft geconcludeerd dat gedaagde vanaf 1 juli 1996 geen aanspraak had op
een nabestaandenuitkering ingevolge de Anw. Zoals de Raad al eerder
heeft overwogen in de uitspraak van 10 maart 1999 (RSV 99/231 en USZ
99/144) heeft de wetgever in de Anw het recht op een
nabestaandenuitkering gekoppeld aan de status van nabestaande in de zin
van de wet, zijnde dit de echtgenoot van een persoon die op de dag van
overlijden ingevolge de Anw verzekerd was. Aldus kan een aanspraak op
bedoelde uitkering, behoudens het overgangsrecht van hoofdstuk 8 van de
Anw, slechts ontstaan in het geval dat de verzekerde gebeurtenis onder
de vigeur van de Anw heeft plaatsgevonden. In lijn hiermee bepaalt
artikel 105 van de Anw dat de AWW van toepassing blijft op de rechten,
verplichtingen en bevoegdheden over tijdvakken gelegen vσσr de dag
waarop de Anw inwerking treedt. De aanspraak op Anw-uitkeringen terzake
van overlijden dat vσσr de inwerkingtreding van die wet heeft
plaatsgehad, is ingevolge het overgangsrecht in algemene zin beperkt tot
die gevallen waarin dat overlijden tot een aanspraak op uitkering
krachtens de AWW had geleid. In dit wettelijk stelsel komt aan gedaagde
derhalve geen aanspraak op Anw-uitkering toe terzake van het overlijden
van zijn echtgenote op [in] 1980.
Verder stelt de Raad vast dat in hoger beroep slechts het besluit van
appellant tot intrekking van het AWW-pensioen per 1 februari 1994 en de
Anw-uitkering per 1 juli 1996 in geschil is, nu appellant het besluit
ten aanzien van de terugvordering niet langer handhaaft.
Ingevolge de artikelen 26 van de AWW en 34, eerste lid, van de Anw is
gedaagde gehouden een besluit tot toekenning van weduwnaarspensioen of
nabestaandenuitkering in te trekken of te herzien, indien de uitkering
ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Uitgangspunt van
artikel 34 van de Anw is blijkens de memorie van toelichting dat in alle
gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden (TK, 1994-1995, 23 909,
nr. 3). In de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer is daaraan echter
toegevoegd dat in het wetsvoorstel wordt aangesloten bij het
rechtszekerheidsbeginsel uit de rechtspraak inhoudend dat
herziening/intrekking van een uitkering niet is toegestaan tenzij
betrokkene had kunnen begrijpen dat hij geen recht op uitkering had (EK,
1995-1996, 23 909, nr. 114b). Daarbij merkt de Raad nog op dat, anders
dan namens gedaagde is betoogd, niet van doorslaggevend belang is of
sprake is van laakbaar gedrag van de betrokkene. In de hiervoor genoemde
memorie van antwoord is weliswaar in antwoord op gestelde vragen
opgemerkt dat herziening met terugwerkende kracht mogelijk is als de
betrokkene wist of had moeten weten dat zijn gedrag laakbaar was. Uit
dit antwoord kan echter niet afgeleid worden dat alleen in geval van
laakbaar gedrag tot herziening of intrekking kan worden besloten, zulks
te minder nu in de nadere memorie van antwoord (EK, 1995-1996, 23 909,
nr. 114d) tot uitdrukking is gebracht dat de invulling van beginselen
van behoorlijk bestuur haar grenzen vindt in een reeds door de wetgever
gemaakte afweging inhoudende de verplichting tot herziening en
intrekking.
Appellant heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van
besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht,
waarbij rekening wordt gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het
vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is
dat appellant niet tot herziening of intrekking met volledige
terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen
is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat het
pensioen of de uitkering ten onrechte werd verleend. De Raad is van
oordeel dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven
of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder
voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van de rechtszekerheid en
het vertrouwensbeginsel.
Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of appellant, in
het kader van de toepassing van het hiervoor weergegeven beleid, terecht
heeft aangenomen dat gedaagde na de toekenning van het
weduwnaarspensioen bij besluit van 15 mei 1990 had kunnen onderkennen
dat hij dit pensioen ten onrechte ontving. Anders dan de rechtbank is de
Raad van oordeel dat gedaagde reeds bij lezing van het
toekenningsbesluit had kunnen begrijpen dat een fout was gemaakt door
gedaagde, nu in dat besluit is vermeld dat hij in de maand van
overlijden van zijn echtgenote 40 jaar was, terwijl gedaagde die
leeftijd pas een maand later had bereikt. Indien het gedaagde na lezing
van het toekenningsbesluit niet duidelijk was of terecht een
AWW-pensioen aan hem was toegekend, had het op zijn weg gelegen
informatie daarover in te winnen bij appellant. Het feit dat gedaagde
ten tijde van het toekenningsbesluit inmiddels al de leeftijd van 49
jaar had bereikt kan daaraan niet afdoen, nu hij kon begrijpen dat de
leeftijd in juli 1980 van belang was. Ten slotte vermag de Raad in het
onderhavige kader geen betekenis toe te kennen aan het gegeven dat
appellant de fout niet eerder, bij herzieningen van de
nabestaandenuitkeringen, heeft onderkend.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat appellant, met
inachtneming van zijn hiervoor weergegeven beleid ten aanzien van de
intrekking van uitkeringen met terugwerkende kracht, terecht heeft
besloten het aan gedaagde toegekende weduwnaarspensioen per 1 februari
1994 en de nadien van rechtswege toegekende nabestaandenuitkering vanaf
1 juli 1996 in te trekken. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak
niet in stand kan blijven, voor zover daarbij het beroep betrekking
hebbend op de intrekking van deze uitkeringen gegrond is verklaard. Voor
het overige komt die uitspraak voor bevestiging in aanmerking nu
appellant de terugvordering niet langer handhaaft.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,-
voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep
betrekking hebbend op de intrekking van het weduwnaarspensioen en de
nabestaandenuitkering vanaf 1 februari 1994, gegrond is verklaard;
Verklaart het inleidend beroep in zoverre ongegrond;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot 644,- .
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr.
M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18
september 2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|