|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 98/5766 ANW en 98/5986 ANW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
tegen
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Bij twee besluiten van 7 mei 1997 heeft gedaagde, na bezwaar,
gehandhaafd zijn eerdere besluiten tot weigering van een
nabestaandenuitkering aan appellante ten behoeve van haarzelf en van een
halfwezenuitkering ten behoeve van haar twee kinderen.
De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 24 juni
1998 de tegen de besluiten van 7 mei 1997 ingestelde beroepen ongegrond
verklaard.
Het hoger beroep van appellante strekt tot vernietiging van deze
uitspraak.
Gedaagde heeft bij brief van 27 januari 1999 een verweerschrift
ingediend.
De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad van 6 september 2000, waar geen van partijen is verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante voerde sedert november 1989 zonder gehuwd te zijn een
gezamenlijke huishouding met [partner], die op 21 oktober 1995 is
overleden. Uit de relatie zijn twee kinderen geboren, op 22 juni 1992 en
op 17 januari 1995.
Op 11 september 1996 heeft appellante in verband met het overlijden van
[partner] een aanvraag om uitkeringen ingevolge de - op 1 juli 1996 in werking
getreden - Algemene nabestaandenwet (Anw) ten behoeve van haarzelf en van
haar kinderen ingediend.
Gedaagde heeft deze aanvragen afgewezen, in beide gevallen op de grond
dat [partner] ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was op grond van
de Anw.
Deze besluiten zijn na bezwaar en beroep in stand gebleven.
In hoger beroep heeft appellante zich in het bijzonder gekeerd tegen de
weigering van halfwezenuitkering voor haar kinderen. Zij stelt dat de
kinderen evenzeer halfwees zijn als de kinderen van een, in gelijke
omstandigheden verkerende, ouder die bij overlijden wel Anw-verzekerd
was en acht deze ongelijke behandeling in strijd met internationale
verdragen.
De Raad stelt voorop dat de Anw het recht op nabestaanden- en
halfwezenuitkering koppelt aan de status van verzekerde ingevolge die
wet van de overledene (artikel 1, onder e en f, van de Anw); in zoverre
corrigeert de Raad, onder verwijzing naar artikel 22, tweede lid, van de
Anw, zijn in een soortgelijk geding gewezen uitspraak, waarin ten
onrechte is overwogen dat (ook) de halfwezenuitkering is gekoppeld aan
de status van nabestaande in de zin van artikel 1, onder e, van de Anw
(uitspraak d.d. 10 maart 1999, 98/240 Anw, gepubliceerd in Rechtspraak
Sociale Verzekering 1999/231).
Dit betekent onder meer, dat de wijzigingen van de Anw ten opzichte van
de daaraan voorafgaande Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), met name
betreffende het uitkeringsrecht van de nabestaande uit een
ongehuwdenrelatie en het recht op halfwezenpensioen, uitsluitend gelden
in verband met een overlijden dat op of na 1 juli 1996 heeft
plaatsgevonden.
Terzake van overlijden vóór die datum blijft wat betreft de categorieën
rechthebbenden in feite het regime van de AWW van kracht (artikelen 67
tot en met 73 Anw). In concreto houdt dat in dat er een wettig huwelijk
moet hebben bestaan tussen de nabestaande en de overledene, en dat de
aanspraak van de halfwees de facto gekoppeld blijft aan de, door
voornoemde voorwaarde beheerste, aanspraak op (voorheen) weduwenpensioen
krachtens de AWW (zie de artikelen 67 en 68 Anw).
Met betrekking tot het door appellante aangevochten onderscheid dat
dusdoende door de wetgever is gecreëerd, heeft de Raad in de zojuist
genoemde uitspraak RSV 1999/231 als volgt overwogen:
"Zoals namens appellante terecht is gesteld, brengt dit stelsel een
onderscheid teweeg tussen nabestaanden, uit een niet-huwelijkse relatie,
van wie de levenspartner vóór, en van wie die partner na 1 juli 1996
is overleden.
De Raad ziet echter niet in dat hij op grond van de onverenigbaarheid
van dit onderscheid met enige, hier rechtstreeks inroepbare, rechtsnorm
gehouden zou zijn dit onderscheid geheel of ten dele ongedaan te maken.
Zoals hij al eerder heeft uitgesproken, is de Raad van oordeel dat
discriminatieverboden als bijvoorbeeld neergelegd in artikel 26 IVBPR,
niet beogen bescherming te bieden tegen nadelen (of tegen het onthouden
van voordelen) waarvan het al dan niet optreden wordt bepaald door het
aan wetswijziging inherente tijdsaspect (vgl. RSV 1995/139).
Evenmin bestaat er in algemene zin een (afdwingbare) rechtsplicht voor
de wetgever die bij wijziging of herziening, dan wel het tot stand
brengen, van een regeling aan bepaalde feiten rechtsgevolgen verbindt
waarin voorheen niet was voorzien, voor die oude gevallen
overeenkomstige rechtsgevolgen in het leven te roepen.
In zoverre ziet de Raad dan ook geen grond voor het oordeel dat de
weigering om aan appellante een uitkering ten behoeve van haarzelf en
van haar kinderen (enkel) uit hoofde van de Anw toe te kennen, in rechte
aantastbaar zou zijn."
De Raad acht deze overwegingen onverkort van toepassing op het
onderhavige geschil en legt ze aan zijn oordeel in deze gedingen ten
grondslag.
Dat brengt mee dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. F.P. Zwart, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2000.
(get.) F.P. Zwart.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|