|
Uitspraak
99/1113 ANW, 99/1114 ANW, 99/1263 ANW en 99/1265 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna te noemen:
betrokkene,
en
de Sociale Verzekeringsbank, hierna te noemen: de SVB.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 4 juni 1998 heeft de SVB het bezwaar van betrokkene
tegen het besluit van 11 december 1997, waarbij de nabestaandenuitkering
van betrokkene ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) ingaande 1
januari 1998 is vastgesteld op f 588,53 bruto per maand, ongegrond
verklaard (hierna: besluit 1).
Bij besluit van 30 juni 1998 heeft de SVB de nabestaandenuitkering van
betrokkene op grond van het bepaalde in de wet van 18 juni 1998, Stb.
377 (hierna: de Wijzigingswet Anw) ingaande 1 januari 1998 verhoogd
(hierna: besluit 2).
De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak van 28 januari
1999 de beroepen gegrond verklaard, de besluiten 1 en 2 vernietigd en de
SVB opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen
in de uitspraak is overwogen. Tevens heeft de rechtbank de SVB
veroordeeld in de proceskosten van betrokkene, tot betaling van
renteschade en tot vergoeding van het griffierecht.
Namens betrokkene is mr. G.J. Knotter, advocaat te Woerden, van die
uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden.
De SVB is eveneens van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.
Mr. Knotter heeft in het aanvullend beroepschrift tevens verweer gevoerd.
De SVB heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is tezamen met een aantal soortgelijke zaken behandeld ter
zitting van de Raad, gehouden op 21 juni 2000, waar betrokkene in
persoon is verschenen bijgestaan door mr. Knotter, voornoemd, en waar de
SVB zich heeft doen vertegenwoordigen door prof. dr. G.J. Vonk, H. van
der Most en mr. G.D. Homan, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
De Raad heeft daarna het onderzoek in deze zaak heropend. De SVB heeft
vervolgens bij brief van 14 september 2000 enige vragen van de Raad
beantwoord. Namens betrokkene heeft mr. Knotter bij brief van 10 oktober
2000 gereageerd op het antwoord van de SVB.
Partijen hebben vervolgens schriftelijk toestemming verleend om zonder
nadere zitting uitspraak te doen.
II. MOTIVERING
Betrokkene heeft vanaf 1 juli 1994 een weduwenpensioen ingevolge de
Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) ontvangen, welk pensioen ingaande 1
juli 1996 op grond van het bepaalde in artikel 67 van de Anw is omgezet
in een nabestaandenuitkering ingevolge laatstgenoemde wet. De SVB heeft
naar aanleiding van de opgave in augustus 1997 van betrokkene van haar
inkomsten, onder bijvoeging van specificaties, vastgesteld dat zij van
de uitvoeringsinstelling Cadans een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangt van f 779,09 bruto per
maand, inclusief overhevelingstoeslag (OHT), en tevens een uitkering
ingevolge de Werkloosheidswet (WW) van f 1.590,19, inclusief OHT, van
het pensioenfonds PGGM een invaliditeitspensioen van f 107,18, inclusief
OHT, en tevens van het pensioenfonds ABP en het pensioenfonds Gebin een
weduwenpensioen. Op grond van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw
heeft de SVB vastgesteld dat betrokkene f 107,18 per maand aan inkomen
uit arbeid ontvangt en f 2.369,28 per maand aan inkomen in verband met
arbeid.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 11 december 1997 heeft de
SVB het nabestaandenpensioen van betrokkene ingaande 1 januari 1998
vastgesteld op een bedrag van f 588,53 bruto per maand. Vervolgens
heeft de SVB bij besluit 2 de nabestaandenuitkering van betrokkene op
grond van de Wijzigingswet Anw ingaande 1 januari 1998 verhoogd en het
bedrag van haar uitkering ingaande 1 juli 1998 vastgesteld op f 1.102,62 bruto per maand.
De rechtbank heeft het beroep van betrokkene mede gericht geacht tegen
besluit 2 en heeft het beroep tegen de beide besluiten gegrond
verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de SVB een nieuw
besluit neemt met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank is tot het
oordeel gekomen dat artikel 67, tweede lid, van de Anw in verbinding met
de bepalingen van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw, waaruit volgt
dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering die betrokkene reeds genoot ten
tijde van het van kracht worden van de Anw in het kader van het
overgangsrecht anders worden behandeld dan inkomen uit arbeid, in dit
geval buiten toepassing dienen te worden gelaten op de grond dat het
gemaakte onderscheid in strijd is met artikel 14 van het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij
het EVRM. Tevens heeft de rechtbank de SVB veroordeeld in de
proceskosten van betrokkene, begroot op f 2.130,-, tot betaling van
renteschade en vergoeding van griffierecht.
De SVB heeft in hoger beroep aangevoerd dat het in artikel 67, tweede
lid, van de Anw gemaakte onderscheid tussen inkomen uit arbeid en
inkomen in verband met arbeid, waaronder
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, berust op redelijke en objectieve
gronden en dat derhalve geen sprake is van een verboden onderscheid in
de zin van artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het Internationaal
Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De SVB heeft
in hoger beroep geen grieven aangevoerd tegen de veroordeling tot
betaling van de proceskosten en wettelijke rente.
Mr. Knotter heeft namens betrokkene het standpunt van de SVB betwist.
Namens betrokkene is in hoger beroep aangevoerd dat de bestreden
besluiten, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel in strijd zijn
met de bescherming van het eigendomsrecht, zoals bepaald in het Eerste
Protocol bij het EVRM. Voorts is aangevoerd dat de bestreden besluiten
in strijd zijn met algemene rechtsbeginselen en in het bijzonder het
rechtszekerheidsbeginsel. Van de zijde van betrokkene wordt onderkend
dat haar uitkering, toegekend bij besluit 2, voldoet aan de normen van
het Verdrag betreffende prestaties bij arbeidsongevallen en
beroepsziekten (IAO-Verdrag nr. 121, Trb. 1965, 16 en Trb. 1966, 137),
het Verdrag betreffende uitkering bij invaliditeit en ouderdom en aan
nagelaten betrekkingen (IAO-Verdrag nr. 128, Trb. 1968, 131) en de
Europese Code inzake Sociale Zekerheid van 16 april 1964 (Trb. 1965,
47). De SVB heeft de stellingen van betrokkene betwist.
De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de SVB
bij besluit 2 de aanspraak van betrokkene op nabestaandenuitkering
ingaande 1 januari 1998 overeenkomstig het bepaalde in de Anw heeft
vastgesteld. Het geschil tussen partijen spitst zich derhalve toe op de
vraag of dit besluit wegens strijd met bepalingen van internationaal of
supranationaal recht of met algemene rechtsbeginselen niet in stand kan
blijven.
Met betrekking tot het door de SVB ingestelde hoger beroep tegen het
oordeel van de rechtbank betreffende het in artikel 67, tweede lid, van
de Anw gemaakte onderscheid overweegt de Raad als volgt.
Uit de wetsgeschiedenis van de Anw blijkt dat deze wet tot doel heeft
voor alle ingezetenen een bescherming op minimumniveau te bieden tegen
de geldelijke gevolgen van het risico van overlijden van de partner. Het
betreft derhalve een basisvoorziening waarbij sociale partners en
individuen aanvullende regelingen kunnen treffen voor dit risico, welke
aanvullende voorzieningen niet op uitkeringen ingevolge de Anw worden
gekort. Voorts heeft de wetgever met de inkomenstoets beoogd het
behoeftebeginsel centraal te stellen, hetgeen ertoe heeft geleid dat
ander inkomen uit of in verband met arbeid wordt gekort op de
nabestaandenuitkering en waarbij de gunstiger vrijlatingsregeling voor
inkomen uit arbeid ertoe strekt de arbeidsparticipatie niet te
ontmoedigen. De Raad is van oordeel dat laatstbedoelde doelstelling een
voldoende rechtvaardiging vormt voor het onderscheid tussen inkomen uit
en in verband met arbeid in artikel 67 van de Anw en in het Inkomens- en
samenloopbesluit Anw.
Voorts kan naar 's Raads oordeel van de wijze waarop in het Inkomens- en
samenloopbesluit verschillende soorten inkomsten zijn gekwalificeerd als
inkomen uit of in verband met arbeid niet gezegd worden dat is gehandeld
in strijd met de hiervoor genoemde doelstellingen van de wetgever, noch
dat daarbij anderszins sprake is van een verboden ongelijke behandeling
van rechthebbenden op bepaalde soorten uitkeringen. De Raad wijst erop
dat er geen aanleiding is arbeidsongeschiktheidsuitkeringen anders te
behandelen dan bijvoorbeeld werkloosheidsuitkeringen, nu het gekozen
vrijlatingsregime van de Anw niet tot doel heeft, zoals de rechtbank
heeft aangenomen, deelname aan het arbeidsproces te stimuleren, hetgeen
in geval van arbeidsongeschiktheid vaak niet meer te realiseren is, maar
wel om - met het oog op de effectiviteit van de toepassing van het
behoeftebeginsel - degenen die arbeid verrichten niet te zeer te
ontmoedigen.
Aan de Raad is ook niet gebleken dat de SVB de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van personen die verzekerd zijn
geweest ingevolge de Algemene Burgerlijke Pensioenwet (ABP) anders
behandelt dan uitkeringen ingevolge de WAO. Uit de brief van de SVB van 14 september 2000 blijkt, kort samengevat, dat deze personen vanaf 1
januari 1998 aanspraak hebben op uitkeringen op grond van de WAO ten
laste van het Landelijk instituut sociale verzekeringen en op een
aanvullend (bovenwettelijk) invaliditeitspensioen van de Stichting
Pensioenfonds ABP. Op grond van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw
wordt de WAO-uitkering van deze personen aangemerkt als inkomen in
verband met arbeid en het aanvullend pensioen als inkomen uit arbeid. De
SVB handelt aldus naar 's Raads oordeel geheel conform het bepaalde in
genoemd Besluit, nu de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van het
bepaalde in de Wet Privatisering ABP aangemerkt moet worden als een
bedrijfspensioenfonds. Ten slotte wil de Raad nog opmerken dat indien de
extra vrijlating bij inkomen uit arbeid van een derde deel van het
inkomen, voor zover dat meer bedraagt dan 70% van het brutominimumloon,
in het geval van betrokkene zou worden toegepast op haar WAO-uitkering,
zoals de rechtbank beoogt, dit niet tot een ander resultaat zou hebben
geleid aangezien haar invaliditeitspensioen van het pensioenfonds PGGM
van f 107,18 bruto per maand en de WAO-uitkering van de
uitvoeringsinstelling Cadans van f 779,09 per maand tezamen niet meer
bedragen dan 70% van het brutominimumloon.
Met betrekking tot de toetsing aan artikel 1 van het Eerste Protocol bij
het EVRM overweegt de Raad als volgt. Blijkens het verhandelde ter
zitting aanvaardt thans ook de SVB dat bij het besluit dat de aanspraak
op Anw-uitkering per 1 januari 1998 regelt, een "possession"
(eigendom) in de zin van evenvermelde bepaling is betrokken. Ook de Raad
is dit oordeel toegedaan en hij onderschrijft op dit punt de
overwegingen van de rechtbank. Als dit eigendom valt aan te merken de
aanspraak op uitkering die voorafgaande aan 1 juli 1996 aan betrokkene
rechtens toekwam overeenkomstig de bepalingen van de AWW en die onder de
vigeur van de Anw tot 1 januari 1998 onaangetast is gebleven. De
inwerkingtreding van de Anw leidde tot een gedeeltelijke ontneming van
eigendom ingaande laatstgenoemde datum voor de personen, waaronder
betrokkene, waarop de overgangsbepaling van artikel 67 van de Anw het
oog heeft.
In deze wetsbepaling is één van de grondgedachten van de Anw, te weten
dat aan een wettelijke nabestaandenverzekering het behoefteprincipe ten
grondslag moet liggen, uitgewerkt voor de voormalige AWW-gerechtigden.
Ten opzichte van het eigenlijke Anw-regime, dat kort gezegd inkomen in
verband met arbeid volledig in mindering brengt op de uitkering en van
het inkomen uit arbeid een bedrag van 50% van het brutominimumloon
buiten aanmerking laat alsmede een derde gedeelte van het meerdere
inkomen, geldt - met inachtneming van het bepaalde in de Wijzigingswet -
voor deze gerechtigden een verzachte kortingsregeling, waarbij van beide
genoemde vormen van inkomen 70% van het brutominimumloon voor de
korting buiten aanmerking wordt gelaten, alsmede voor inkomen uit arbeid
een derde gedeelte van het meerdere. Voorts geldt voor deze gevallen
dat, ongeacht de hoogte van het inkomen, van de nabestaandenuitkering
een bedrag gelijk aan 30% van het brutominimumloon onaangetast blijft.
Ten aanzien van de overgangsregeling van artikel 67 van de Anw is voorts
van belang dat, waar personen die een gezamenlijke huishouding voeren in
de Anw als gehuwd worden aangemerkt (met uitzondering van bloedverwanten
in de eerste graad), de voormalige AWW-gerechtigde die op die grond als
gehuwd wordt aangemerkt ingaande 1 januari 1998 een Anw-uitkering van
30% van het brutominimumloon behoudt, welk percentage voor degenen die
een gezamenlijke huishouding voeren ten behoeve van de verzorging van
een hulpbehoevende 50% (van het nettominimumloon) bedraagt, waarvan 20%
inkomensafhankelijk.
Ten aanzien van betrokkene heeft deze regeling ertoe geleid dat haar
Anw-uitkering, die aanvankelijk bij besluit 1 per 1 januari 1998 is
vastgesteld op f 588,53 per maand, bij besluit 2 met terugwerkende
kracht tot 1 januari 1998 is verhoogd en per 1 juli 1998 is vastgesteld
op f 1.102,62 per maand.
De rechtbank heeft geoordeeld dat dit resultaat in overeenstemming is
met de criteria welke voortvloeien uit de eerste zin van artikel 1 van
het Eerste Protocol, luidend:
"Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord
genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen
behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de
wet en in de algemene beginselen van internationaal recht."
Ook de Raad is van oordeel dat in de overgangsregeling van de Anw deze
criteria op de juiste wijze in acht zijn genomen, en met name dat de
wetgever de hem toekomende beoordelingsmarge bij de vaststelling van wat
in het algemeen belang geboden kan en moet worden geacht niet heeft
overschreden. In aanvulling op hetgeen de rechtbank op dit punt heeft
overwogen, acht de Raad ook nog het volgende van belang. Naar huidig
inzicht fungeert de wettelijke nabestaandenverzekering als
bodemvoorziening ten opzichte van aanvullende nabestaandenregelingen en
als inkomensvoorziening op het niveau van het sociaal minimum. Daarin
past niet het geheel onaangetast laten van die (bodem)uitkering in
omstandigheden die erop duiden dat de betrokken nabestaande in staat is
of is geweest om in het eigen onderhoud te voorzien. Dat op dit punt in
de AWW geen voorzieningen waren getroffen, valt naar aannemelijk is in
overwegende mate toe te schrijven aan de destijds geringe
arbeidsparticipatie van gehuwde vrouwen, als gevolg waarvan samenloop
van AWW-pensioen en inkomen uit arbeid, c.q. loondervingsuitkeringen,
relatief zeldzaam was. De maatschappelijke veranderingen op dit punt
maakten, vanuit de eerder omschreven doelstelling van de regeling, een
regeling voor de samenloop van nabestaandenuitkering en ander inkomen
noodzakelijk. Voorts heeft de wetgever het aangewezen geacht de
gelijkstelling van (in algemene zin:) een gezamenlijke huishouding van
twee personen met een huwelijk, welke in verscheidene andere sociale
regelingen reeds haar beslag had gekregen, uit te breiden tot de
wettelijke nabestaandenverzekering.
Dat de hieruit voortvloeiende aanpassingen zich ook uitstrekken tot
bestaande gevallen (AWW-gerechtigden), acht de Raad binnen het
onderhavige toetsingskader vanuit een oogpunt van gelijkheid, en mede
gelet op de potentieel lange looptijd van de uitkering, aanvaardbaar; en
eveneens aanvaardbaar is in hetzelfde kader het standpunt van de
wetgever dat vanuit een oogpunt van rechtszekerheid een tijdelijke en/of
gedeeltelijke (in casu: een tijdelijke volledige en in aansluiting
daarop een gedeeltelijke) eerbiediging van bestaande rechten geboden is.
Dat slechts een "volledige compensatie" in overeenstemming met
artikel 1 van het Eerste Protocol zou zijn, zoals namens de betrokkenen
in de op de onderhavige zitting behandelde gedingen is betoogd, berust
op een onjuiste opvatting ten aanzien van die bepaling, welke niet zo
ver strekt dat zij het een staat ten enenmale onmogelijk zou maken in
bestaande (socialezekerheids)rechten in te grijpen.
Met betrekking tot de ter zitting opgeworpen stelling dat de wetgever
bij de regeling van het overgangsrecht-Anw haar oordeel niet goed heeft
afgewogen en niet in overeenstemming heeft gehandeld met hetgeen
recentelijk in de Notities overgangsrecht in de sociale zekerheid van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot uitdrukking is
gebracht, welk betoog in wezen strekt tot toetsing van de wet aan
algemene rechtsbeginselen, overweegt de Raad dat hij in deze stellingen
geen rechtsnormen vermag aan te treffen waaraan hij de onderhavige
bepalingen van een wet in formele zin kan toetsen (vgl. CRvB 15 mei
1996, RSV 96/170). Wat meer in het algemeen het beroep op algemene
rechtsbeginselen betreft, overweegt de Raad dat hij zich in constante
rechtspraak heeft aangesloten bij het oordeel van de Hoge Raad,
inhoudende dat artikel 120 van de Grondwet (mede) een verbod inhoudt om
de wet (in formele zin) te toetsen aan dergelijke beginselen (HR 14
april 1989, AB 1989, 207, Harmonisatiewetarrest). Van "niet door de
wetgever verdisconteerde omstandigheden", welke volgens diezelfde
rechtspraak aanleiding zouden kunnen vormen strikte wetstoepassing
achterwege te laten, is in het onderhavige geval niet gebleken. Dit
geldt met name ook voor het beroep namens betrokkene op het
vertrouwensbeginsel.
De rechtbank is op dit punt tot hetzelfde oordeel gekomen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank het beroep, voor
zover gericht tegen het besluit 2 ten onrechte gegrond heeft verklaard
en heeft vernietigd, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan
blijven.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen
besluit 2 gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd;
Verklaart het inleidend beroep, voor zover gericht tegen besluit 2
alsnog ongegrond;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en
mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|