|
Uitspraak
01/2724 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 17 november 1999 heeft gedaagde het verzoek van
appellante om deel te nemen aan de regeling op grond van artikel 66a,
derde lid, van de Algemene nabestaandenwet (Anw ), bedoeld voor personen
die bij een particuliere levensverzekeraar onverzekerbaar zijn,
afgewezen op de grond dat zij het verzoek om deelname aan de regeling
niet tijdig heeft ingediend.
Bij beslissing op bezwaar van 17 januari 2000, het thans bestreden
besluit, is het bezwaar tegen eerdergenoemd besluit van 17 november 1999
ongegrond verklaard.
De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 22 maart 2001 het
tegen het besluit van 17 januari 2000 ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld op bij
aanvullend beroepschrift van 27 mei 2001 aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 september
2002, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd, werkzaam
bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Namens appellante, geboren [in] 1951, is bij brief van 26 oktober 1999
aan gedaagde verzocht haar in aanmerking te laten komen voor deelname
aan de regeling, ingevolge artikel 66a, derde lid, van de Anw, voor
personen die bij een particuliere levensverzekeraar onverzekerbaar zijn
(hierna te noemen: het Besluit ex artikel 66a Anw). Daarbij is
aangegeven dat haar echtgenoot op 25 juli 1999 is overleden.
Bij besluit van 17 november 1999 heeft gedaagde op dit verzoek afwijzend
gereageerd met de motivering dat appellante niet voldaan heeft aan de
voorwaarde dat het verzoek om deelname uiterlijk voor 31 maart 1999 bij
de Sociale Verzekeringsbank moet zijn ingediend.
Bij het thans bestreden besluit heeft gedaagde na bezwaar het besluit
van 17 november 1999 gehandhaafd.
In dit geding is uitsluitend de vraag aan de orde of gedaagde bij het
bestreden besluit terecht heeft geweigerd appellante deel te laten nemen
aan de regeling, neergelegd in het Besluit ex artikel 66a Anw.
De Raad komt, evenals de rechtbank, en op dezelfde gronden waarop die
rechter dat oordeel doet steunen, tot een bevestigende beantwoording van
die vraag.
In artikel 3, eerste lid, van het Besluit ex artikel 66a Anw is bepaald
dat de persoon wiens echtgenoot onverzekerbaar is of de echtgenoot die
onverzekerbaar is, bevoegd is zich uiterlijk op 31 maart 1999 bij de
Sociale Verzekeringsbank aan te melden.
Vaststaat dat appellante zich niet eerder dan op 26 oktober 1999,
derhalve na 31 maart 1999, bij gedaagde heeft aangemeld om in aanmerking
te komen voor de regeling, zodat geen sprake is van een tijdige
aanmelding.
In hoger beroep heeft appellante nogmaals aangegeven dat haar echtgenoot
ongeneeslijk ziek was sedert het najaar van 1997 en dat er in de periode
tot zijn overlijden op 25 juli 1999 nauwelijks van een sociaal leven
sprake was. Hierdoor waren appellante en haar echtgenoot niet op de
hoogte van de wijzigingen die in de Anw-regelgeving in die periode
hebben plaatsgevonden en waren zij ook onbekend met de in artikel 3 van
het Besluit ex artikel 66a Anw vervatte aanmeldingstermijn voor deelname
aan de regeling. Op grond van de door haar aangevoerde omstandigheden
acht appellante de te late aanmelding verontschuldigbaar en wenst zij
alsnog in de gelegenheid gesteld te worden om deel te nemen aan genoemde
regeling.
De Raad overweegt dienaangaande dat de in de onderhavige regeling
neergelegde aanmeldingstermijn dwingendrechtelijk van aard is en dat in
de regeling niet is voorzien in een bevoegdheid om van die termijn af te
wijken.
Voorts is naar het oordeel van de Raad in het geval van appellante niet
gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat deze gedaagde ertoe
zouden moeten nopen af te wijken van de hier geldende
dwingendrechtelijke bepalingen.
De Raad concludeert derhalve dat appellante reeds op grond van de te
late aanmelding terecht door gedaagde niet in aanmerking is gebracht
voor deelname aan de regeling neergelegd in het Besluit ex artikel 66a
Anw.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.
van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 oktober
2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|