|
Uitspraak
99/3729 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluiten van 29 januari 1997 heeft gedaagde aan appellante met
ingang van 1 december 1996 een nabestaandenuitkering en een
halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw)
toegekend.
Bij beslissing op bezwaar van 2 mei 1997, het thans bestreden besluit,
is het bezwaar tegen de besluiten van 29 januari 1997 ongegrond
verklaard.
De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 31 mei 1999 het
tegen het besluit van 2 mei 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante is [naam familielid] als haar gemachtigde op bij
beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft bij brief van 18 januari 2000 onder andere medegedeeld
vooralsnog af te zien van het indienen van een verweerschrift.
Bij brief van 5 juni 2000 zijn namens appellante nog enige stukken
ingezonden.
Desgevraagd is namens appellante bij brief van 4 februari 2002 de ter
zitting van de rechtbank overgelegde pleitnota - met bijlagen -
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 25 september
2002, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door [naam
familielid], voornoemd, en M.E.C. Santoro-van Halm Braam als
medegemachtigde, en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.F. Sturmans,
werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante heeft op 9 januari 1997 een aanvraag ingediend voor een
nabestaandenuitkering en een halfwezenuitkering ingevolge de Anw, in
verband met het overlijden van [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot]) op 24 december 1996, met wie appellante vanaf 8 augustus
1984 gehuwd is geweest.
Bij besluiten van 29 januari 1997 heeft gedaagde aan appellante met
ingang van 1 december 1996 zowel een nabestaandenuitkering als een
halfwezenuitkering ingevolge de Anw toegekend. Nadien heeft gedaagde
wegens misslagen gecorrigeerde besluiten aan appellante doen toekomen.
Bij beslissing op bezwaar van 2 mei 1997, het thans bestreden besluit,
is het bezwaar tegen de besluiten van 29 januari 1997 ongegrond
verklaard.
De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft het tegen dat besluit ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
In het beroepschrift alsmede in de ter zitting van de Raad overgelegde
pleitnotitie zijn namens appellante diverse grieven aangevoerd. De
gronden kunnen blijkens het beroepschrift als volgt samengevat worden
weergegeven:
- miskenning van de gevoelens van de nabestaanden en van hun
financiële rechten uit hoofde van de herverzekering van het Anw-gat;
- door de rechtbank wordt niet ingegaan op de mogelijke
compensatie van het verlies van eigendom ten gevolge van de splitsing
van nabestaandenuitkering en halfwezenuitkering in de Anw;
- door de rechtbank is evenmin aandacht besteed aan een
afspraak met het Verbond van Verzekeraars tot uitbetaling als de polis
is afgesloten voor 1 juli 1996 en het overlijden plaatsvindt binnen 1
jaar na het afsluiten daarvan.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat gedaagde
de aanspraak van appellante op nabestaandenuitkering en
halfwezenuitkering ingaande 1 december 1996 overeenkomstig het bepaalde
in de Anw heeft vastgesteld. Het geschil tussen partijen spitst zich
derhalve toe op de vraag of de namens appellante naar voren gebrachte
grieven het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak anderszins
kunnen aantasten.
Met betrekking tot de eerste grief merkt de Raad op dat de gestelde
miskenning van gevoelens, hoezeer de Raad ook begrip kan opbrengen voor
de gevoelens van appellante en de overige nabestaanden van [echtgenoot], geen onderdeel kan uitmaken van de beoordeling van een
geschil als het onderhavige nu de Raad niet bekend is met enige bepaling
in de Anw op grond waarvan een en ander kan leiden tot toekenning van
een hogere Anw-uitkering, zodat de Raad deze grief hier verder buiten
beschouwing zal laten.
De tweede grief verstaat de Raad aldus dat er verlies aan eigendom zou
zijn ontstaan doordat de nabestaandenuitkering en de halfwezenuitkering
in één bedrag aan de nabestaande wordt betaald, in plaats van betaling
van genoemde uitkeringen aan afzonderlijk de nabestaande en de halfwees.
Appellante stelt in laatstgenoemd geval als gevolg van fiscale
consequenties netto meer over te zullen houden.
Zo appellante met deze grief heeft beoogd een beroep te doen op artikel
1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van
de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt de
Raad het volgende. Zoals de Raad eerder in zijn uitspraak van 24 januari
2001 (o.a. gepubliceerd in JB 2001/76) heeft overwogen kan bij een
besluit dat de aanspraak op Anw-uitkering regelt een "possession"
(eigendom) in de zin van evenvermelde bepaling betrokken zijn. Daarvan
is echter alleen sprake voor zover bij zo'n besluit een (gedeeltelijke)
ontneming van een voordien toegekende uitkering of andere aanspraak aan
de orde is, zoals in de hiervoor genoemde uitspaak de gedeeltelijke
ontneming van het eerder toegekende AWW-pensioen. Een zodanige situatie
is hier niet aan de orde, nu aan appellante vóór 1 december 1996 niet
enig ander pensioen was toegekend, dat bij het bestreden besluit is
herzien naar een lager bedrag. Er is derhalve geen sprake van enige
inbreuk op het eigendomsrecht van appellante in de hiervoor bedoelde
zin. Hetzelfde geldt ook voor zover appellante heeft beoogd te stellen
dat er sprake is van een verlies van eigendom doordat een nabestaande
met een kind onder de 18 jaar onder de Anw een uitkering ter hoogte van
90% van het nettominimumloon ontvangt, terwijl onder de AWW een
nabestaande met een kind onder de 18 jaar een uitkering ter hoogte van
100% van het nettominimumloon ontving.
Met betrekking tot de derde grief waarbij appellante een beroep heeft
gedaan op de algemene rechtsbeginselen, overweegt de Raad dat hij zich
in constante rechtspraak heeft aangesloten bij het oordeel van de Hoge
Raad, inhoudende dat artikel 120 van de Grondwet (mede) een verbod
inhoudt om de wet (in formele zin) te toetsen aan dergelijke beginselen
(HR 14 april 1989, AB 1989, 207, Harmonisatiearrest). Van "niet
door de wetgever verdisconteerde omstandigheden", welke volgens
diezelfde rechtsraak aanleiding zouden kunnen vormen strikte
wetstoepassing achterwege te laten, is in het onderhavige geval niet
gebleken. De Raad wijst er in dit verband op dat, blijkens de
wetsgeschiedenis van de Anw, de wetgever voor gevallen als de
onderhavige heeft beoogd dat belanghebbenden ter dekking van het
zogeheten Anw-hiaat een particuliere verzekering kunnen afsluiten. De
omstandigheid dat de door [echtgenoot] vóór 1 juli 1996 via zijn
werkgever afgesloten particuliere verzekering ter dekking van het
Anw-hiaat, in appellantes geval niet heeft geleid tot een uitkering,
omdat [echtgenoot] binnen een jaar na het afsluiten van de
verzekering overleed, is het gevolg van de wijze waarop particuliere
verzekeraars invulling hebben gegeven aan de door de wetgever beoogde
mogelijkheden om zich voor het Anw-hiaat te verzekeren.
Voor zover appellante, gelet op hetgeen ter zitting van de Raad nader is
aangevoerd, meent dat zowel de Staat der Nederlanden als het Verbond van
Verzekeraars daardoor jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld,
overweegt de Raad dat hem geen bevoegdheid toekomt over dit geschilpunt
te oordelen.
Gelet op artikel 8:71 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) merkt de
Raad op dat appellante zich met betrekking tot de door haar beoogde
vordering uitsluitend tot de burgerlijke rechter zal kunnen wenden.
Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan
houden, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking
komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en prof. mr. F.J.L.
Pennings en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van
J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6
november 2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|