|
Uitspraak
01/1915 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 29 juni 1999 heeft appellant onder meer de hoogte van de
nabestaandenuitkering die gedaagde ontvangt over december 1998 herzien
en het over die maand onverschuldigd betaalde bedrag teruggevorderd.
Bij besluit van 20 augustus 1999 heeft appellant beslist omtrent de
wijze van invordering van het onverschuldigd betaalde bedrag.
Bij besluit van 16 november 1999 (verder te noemen: het bestreden
besluit) heeft appellant het bezwaar tegen de besluiten van 29 juni 1999
en 20 augustus 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 9 februari 2001
het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en daarbij een proceskostenveroordeling en
griffierechtvergoeding uitgesproken.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 oktober
2002. Appellant heeft zich daar doen vertegenwoordigen door H. van der
Most, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB), en gedaagde is
niet verschenen, zoals vooraf was meegedeeld.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.
Gedaagde ontvangt sedert november 1998 een nabestaandenuitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw), waarbij verrekening
plaatsvindt van het inkomen uit arbeid dat gedaagde verwerft. In
februari 1999 heeft gedaagde een wijziging van haar inkomen ingaande
januari 1999 doorgegeven, alsmede het feit dat in december 1998 betaling
van een eindejaarsuitkering heeft plaatsgevonden. Bij het, bij het
bestreden besluit gehandhaafde, besluit van 29 juni 1999 heeft appellant
het volledige bedrag van de eindejaarsuitkering verrekend met de
nabestaandenuitkering over december 1998.
De rechtbank heeft overwogen dat de SVB in zijn beleidsregels heeft
aangegeven dat in geval van inkomen dat met een andere periodiciteit dan
eens per maand wordt betaald, het inkomen wordt herleid tot een inkomen
per maand. Bij ontvangst van een nabetaling ineens van loon of uitkering
wordt dit bedrag toegerekend aan de volledige periode waarop de
nabetaling betrekking heeft. Het inkomen is immers in dat volledige
tijdvak verworven, ook al is het toen nog niet genoten. De rechtbank
heeft daarop het bestreden besluit vernietigd omdat appellant is
uitgegaan van een onjuiste feitelijke grondslag.
In hoger beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat uit de tekst
van en toelichting bij artikel 8, eerste lid, van het Inkomens- en
samenloopbesluit Anw, Stb. 1996, 306 (verder te noemen: het Besluit),
volgt dat inkomen dat in een bepaalde maand wordt genoten in die maand
in mindering dient te worden gebracht op de nabestaandenuitkering. Op
die hoofdregel dient een uitzondering te worden gemaakt als sprake is
van een betaling met een andere periodiciteit dan een maandelijkse. Van
herleiding tot een maandinkomen is echter alleen sprake bij regulier
inkomen dat normaliter maandelijks in de vorm van loon of salaris tot
uitbetaling komt. Volgens appellant is niet beoogd om
vakantie-uitkeringen, eindejaarsuitkeringen en andere incidentele
beloningen zoals een dertiende maand, gratificaties of winstdelingen te
herleiden tot een maandbedrag. Met de door de rechtbank bedoelde passage
in de Beleidsregels SVB is beoogd een beleidsmatige invulling te geven
aan het moment waarop regulier inkomen geacht moet worden te zijn
genoten. Ten onrechte heeft de rechtbank deze passage van toepassing
geacht op niet-reguliere inkomensvormen.
De Raad overweegt als volgt.
In geschil tussen partijen is primair de herziening van de
nabestaandenuitkering van gedaagde over december 1998.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Besluit wordt het inkomen uit
of in verband met arbeid uit het bedrijfs- of beroepsleven vastgesteld
op het tot een bedrag per maand herleide inkomen, bedoeld in de
artikelen 3 tot en met 7, dat de uitkeringsgerechtigde in de maand
waarover het recht op uitkering wordt vastgesteld, verwerft.
Met appellant is de Raad van oordeel dat gedaagde de eindejaarsuitkering
heeft verworven in december 1998, toen deze werd uitbetaald. Dit heeft
in beginsel tot gevolg dat bij de vaststelling van het inkomen uit
arbeid van gedaagde met dit bedrag in die maand volledig rekening dient
te worden gehouden.
De Raad is echter op grond van artikel 13 van het Besluit van oordeel
dat appellant ten onrechte het volledige bedrag van de
eindejaarsuitkering heeft verrekend met de nabestaandenuitkering van
gedaagde over december 1998. Dit artikel luidt als volgt:
"Indien de toepassing van artikel 8, eerste lid, of artikel 11 van
dit besluit tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, bepaalt de
Sociale Verzekeringsbank het inkomen, of de wijze waarop een uitkering
als bedoeld in artikel 11 op een uitkering als bedoeld in artikel 14,
artikel 22 of artikel 26 in mindering wordt gebracht, op andere
wijze."
Ingevolge de van toepassing zijnde CAO heeft gedaagde haar recht op
eindejaarsuitkering gedurende het hele jaar 1998 opgebouwd. Zij heeft
echter eerst sedert november 1998 recht op een nabestaandenuitkering. De
Raad kan onder die omstandigheden niet anders concluderen dan dat het in
december 1998 verrekenen van de volledige eindejaarsuitkering over 1998
tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt. Dit heeft tot gevolg dat
appellant ingevolge artikel 13 van het Besluit gehouden is het inkomen
dat gedaagde in december 1998 verwierf op een andere wijze te bepalen
dan is voorgeschreven in artikel 8, eerste lid, van het Besluit. In deze
situatie dient dat er naar het oordeel van de Raad toe te leiden dat bij
de vaststelling van het inkomen over december 1998 slechts rekening wordt gehouden met het in november en
december 1998 opgebouwde deel van de eindejaarsuitkering. Uit het
voorgaande volgt dat ook de terugvordering en wijze van invordering in
rechte geen stand kunnen houden.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de
aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van de gronden, dient te
worden bevestigd. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten
aan de zijde van gedaagde is de Raad niet gebleken. Wel dient van
appellant een recht te worden geheven ter hoogte van € 327,--.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van de Sociale Verzekeringsbank een recht wordt geheven van
€ 327,--.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 november
2002.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|