|
Uitspraak
01/2735 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde] te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voor zover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent appellant
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Bij besluit van 12 mei 2000 heeft appellant de nabestaandenuitkering van
gedaagde herzien met ingang van 1 januari 1998.
Bij besluit van 20 juni 2000 heeft appellant het onverschuldigd betaalde
bedrag van fl. 5.229,63 van gedaagde teruggevorderd.
Gedaagde heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 20 oktober 2000 (verder: het bestreden besluit) heeft
appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 12 mei 2000 wat
betreft de motivering gegrond verklaard en het bezwaar voor het overige
ongegrond verklaard.
De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 2 mei 2001 het beroep
gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en aan appellant
opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de
uitspraak werd overwogen.
Appellant is tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft appellant nadere inlichtingen verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 december 2002,
waar namens appellant is verschenen J.Y. van den Berg, werkzaam bij de
Sociale verzekeringsbank, terwijl gedaagde in persoon is verschenen,
bijgestaan door M.L. Turnhout.
II. MOTIVERING
Gedaagde ontving een weduwenpensioen op grond van de Algemene Weduwen-
en Wezenwet, welk pensioen met ingang van 1 juli 1996 van rechtswege is
omgezet in een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet (Anw). In augustus 1997 heeft gedaagde aan appellant een
inkomstenopgaveformulier Anw-gerechtigden toegezonden met een
salarisspecificatie over juli 1997 van haar werkgever [werkgever].
Bij besluit van 21 november 1997 heeft appellant de
nabestaandenuitkering van gedaagde met ingang van 1 januari 1998
vastgesteld op een bedrag van fl. 1.066,76 bruto per maand. Appellant
deelde daarbij mede het inkomen van gedaagde te hebben vastgesteld op
een bedrag van fl. 2.664,97 per maand. In verband met een wijziging van
de overhevelingstoeslag heeft appellant het inkomen van gedaagde met
ingang van januari 1998 alsnog vastgesteld op een bedrag van fl.
2.505,07. Gedaagde heeft in dezelfde maand een mededeling ontvangen van
de algemene aanpassing door appellant van de inkomensgegevens uit 1997.
In oktober 1998 en september 1999 heeft gedaagde wederom
inkomstenopgaveformulieren Anw aan appellant toegezonden. Bij beide
formulieren werd een salarisspecificatie gevoegd waaruit een
conjuncturele verhoging van het salaris bleek en die overigens dezelfde
inkomenscomponenten vermeldde als de specificatie over juli 1997.
Naar aanleiding van de laatste specificatie heeft appellant in oktober
1999 aan de werkgever van gedaagde verzocht om opgave van de inkomsten
die gedaagde sinds 1 januari 1998 maandelijks had genoten. In april 2000
kreeg appellant uiteindelijk de beschikking over alle
salarisspecificaties over de jaren 1998 en 1999 van gedaagde. Hieruit
bleek dat op het salaris van gedaagde - in tegenstelling tot hetgeen
appellant tot op dat moment had aangenomen - alleen over de laatste zes
maanden van 1998 en 1999 spaarloon was ingehouden. Voorts bleek dat
gedaagde naast de bekende inkomensbestanddelen in bepaalde maanden ook
incidentele inkomsten zoals inkomsten uit overwerk, een nabetaling en
een winstuitkering had ontvangen.
Appellant, die tot op dat moment de nabestaandenuitkering van gedaagde
was blijven uitbetalen rekening houdend met een inkomen van fl. 2.505,07
per maand, heeft deze uitkering bij besluit van 12 mei 2000 herzien met
een terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998. Bij besluit van 20
juni 2000 heeft appellant van gedaagde een bedrag van fl. 5.229,63
teruggevorderd. Bij het bestreden besluit heeft appellant de herziening
en de hierop gebaseerde terugvordering gehandhaafd.
Gedaagde heeft in eerste aanleg aangevoerd dat het bestreden besluit in
strijd is met het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel. Gedaagde
zou de wijzigingen in haar inkomen steeds aan appellant hebben
doorgegeven en ook herhaaldelijk contact hebben opgenomen met
medewerkers van appellant. Bij die gelegenheid zou appellant steeds de
indruk hebben gewekt dat alles in orde was. Gedaagde zou hierop hebben
mogen vertrouwen.
Tijdens de beroepsprocedure in eerste aanleg heeft appellant laten weten
dat het inkomen waarop het besluit van 12 mei 2000 was gebaseerd,
onjuist was vastgesteld. Appellant heeft een nieuwe berekening
overgelegd, op basis waarvan hij van oordeel is dat van gedaagde een
bedrag van fl. 4.140,87 dient te worden teruggevorderd.
De rechtbank heeft het beroep van gedaagde gegrond verklaard. De
rechtbank meent dat gedaagde tot januari 2000 niet heeft kunnen
begrijpen dat aan haar een te hoog bedrag werd uitgekeerd. Voorts is de
rechtbank, gelet op het gestelde in het verweerschrift en omdat op grond
van artikel 18, tweede lid, van de Anw de overhevelingstoeslag zijns
inziens buiten beschouwing dient te blijven, van oordeel dat de herziene
bedragen onjuist zijn vastgesteld. Ten slotte acht de rechtbank het
besluit onvoldoende kenbaar en, wat betreft de hoogte van de herziene en
teruggevorderde bedragen, onjuist gemotiveerd. De rechtbank heeft
appellant in de proceskosten van gedaagde veroordeeld tot een bedrag van
fl. 1.420,=.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat gedaagde wel heeft kunnen
begrijpen dat aan haar een te hoog bedrag was toegekend. Appellant meent
voorts dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel
18, tweede lid, van de Anw. Ten slotte meent appellant dat de rechtbank
hem ten onrechte in de proceskosten heeft veroordeeld op een wijze als
zou gedaagde zich hebben laten bijstaan door een professionele
rechtshulpverlener.
Gedaagde heeft herhaald dat zij al haar verplichtingen is nagekomen en
dat zij op de juistheid van de betaalde uitkering heeft mogen
vertrouwen. Voorts acht zij het bestreden besluit onzorgvuldig nu
appellant met weinig voortvarendheid heeft gereageerd op meldingen van
wijzigingen in haar inkomen.
De Raad overweegt als volgt.
Over het tijdvak januari 1998 tot en met december 1999 heeft appellant
aan gedaagde een nabestaandenuitkering verleend welke was gebaseerd op
een inkomen dat was berekend aan de hand van de salarisspecificatie van
juli 1997. Derhalve is over dit tijdvak uitkering verleend zonder
rekening te houden met conjuncturele verhogingen na juli 1997. Evenmin
is daarbij rekening gehouden met incidentele inkomsten en met het feit
dat uitsluitend over de laatste zes maanden van elk jaar spaarloon op
het salaris werd ingehouden. De Raad constateert dat appellant aldus aan
gedaagde een te hoog bedrag aan nabestaandenuitkering heeft verleend. De
Raad merkt in dit kader nog op dat, in tegenstelling tot hetgeen de
rechtbank hierover in de aangevallen uitspraak heeft opgemerkt, de door
gedaagde ontvangen overhevelingstoeslag op grond van artikel 67, tweede
lid, van de Anw en artikel 3 van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw
in zijn geheel tot haar inkomen moet worden gerekend.
Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Anw is gedaagde gehouden een
besluit tot toekenning van nabestaandenuitkering in te trekken of te
herzien, indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
verleend. Uitgangspunt van artikel 34 van de Anw is blijkens de memorie
van toelichting dat in alle gevallen correctie van fouten moet
plaatsvinden (TK, 1994-1995, 23 909, nr. 3). In de memorie van antwoord
aan de Eerste Kamer is daaraan echter toegevoegd dat in het wetsvoorstel
wordt aangesloten bij het rechtszekerheidsbeginsel uit de rechtspraak
inhoudend dat herziening/intrekking van een uitkering niet is toegestaan
tenzij betrokkene had kunnen begrijpen dat hij geen recht op uitkering
had (EK, 1995-1996, 23 909, nr. 114b).
Appellant heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van
besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht,
waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het
vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is
dat appellant niet tot herziening of intrekking met volledige
terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen
is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de
uitkering ten onrechte werd verleend. De Raad is van oordeel dat deze
beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of ongeschreven
rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder voornoemde wettelijke
bepalingen, het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.
De Raad constateert dat een situatie waarin appellant volgens zijn
beleidsregels geheel of gedeeltelijk van herziening dient af te zien
zich in dit geval niet voordoet. De Raad heeft niet kunnen vaststellen
dat gedaagde al haar verplichtingen jegens appellant is nagekomen en
elke wijziging van haar inkomen direct aan appellant heeft gemeld. Aan
de stelling van gedaagde dat zij na 1 januari 1998 elke wijziging in
haar inkomen onmiddellijk aan appellant zou hebben doorgegeven en dat
medewerkers van appellant haar telefonisch zouden hebben medegedeeld dat
alles in orde was, kan de Raad niet de betekenis hechten die gedaagde
hieraan gehecht wil zien. Uit de gedingstukken blijkt immers niet van
het onmiddellijk doorgeven van iedere - geringe - wijziging in inkomen en
evenmin van een rechtens te honoreren uitlating van medewerkers van
appellant als zouden dergelijke wijzigingen niet op haar uitkering van
invloed zijn. Appellant heeft daarentegen in januari 1998 een brief aan
gedaagde gezonden waarin uitdrukkelijk werd vermeld dat als uit het
jaarlijkse inkomstenformulier zou blijken dat gedaagde te weinig of te
veel uitkering ontving, dit zou worden verrekend. Naar het oordeel van
de Raad heeft gedaagde in ieder geval kunnen begrijpen dat de
conjuncturele verhogingen en de incidentele inkomsten van invloed zouden
zijn op de hoogte van haar nabestaandenuitkering.
Aan de Raad is voorts niet gebleken van dringende redenen op grond
waarvan appellant gehouden zou zijn geheel of gedeeltelijk van
herziening of terugvordering af te zien.
De Raad kan gedaagde volgen in haar stelling dat appellant naar
aanleiding van de indiening van inkomstenopgaveformulieren in oktober
1998 en september 1999, waaruit bleek van een conjuncturele verhoging
van het inkomen, de uitkering van gedaagde met meer voortvarendheid had
kunnen en moeten herzien. De Raad meent voorts dat indien in een
situatie als de onderhavige herziening van een uitkering ten nadele van
een gerechtigde met een aanzienlijke terugwerkende kracht noodzakelijk
blijkt, van het bestuursorgaan kan worden gevergd dat deze herziening
zeer zorgvuldig wordt voorbereid. De Raad acht het dan ook onjuist dat
appellant bij het nemen van het primaire besluit van 12 mei 2000 de
berekening van het inkomen van gedaagde op foutieve wijze heeft
uitgevoerd, als gevolg waarvan bij het besluit van 20 juni 2000 een te
hoog bedrag van gedaagde werd teruggevorderd, en dat deze fouten bij het
bestreden besluit niet zijn gecorrigeerd. De Raad meent voorts dat
appellant zowel bij het besluit van 21 november 1997 als in de
specificatie bij het herzieningsbesluit van 12 mei 2000 aan gedaagde ten
onrechte geen inzicht heeft geboden in de precieze wijze waarop
appellant tot de vaststelling van het inkomen van gedaagde is gekomen.
Eerst bij verweerschrift in eerste aanleg heeft appellant duidelijk
gemaakt op welke wijze naar zijn oordeel het inkomen van gedaagde dient
te worden vastgesteld. Met het daarin verwoorde standpunt omtrent de
herziening en terugvordering kan de Raad instemmen.
Hoewel de handelwijze van appellant derhalve voor kritiek vatbaar is,
kan naar het oordeel van de Raad toch niet worden gesteld dat appellant
in verband hiermee rechtens gehouden is geheel of gedeeltelijk af te
zien van de hem rechtens voorgeschreven herziening met terugwerkende
kracht en terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag.
Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat de rechtbank hem ten onrechte
in de proceskosten van gedaagde heeft veroordeeld. Deze grief treft doel
nu gedaagde zich in eerste aanleg niet heeft voorzien van door een derde
beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef
en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en nu niet is
gebleken van overige kosten als bedoeld in artikel 1 van dit Besluit.
Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak dient te
worden vernietigd voorzover appellant daarbij is veroordeeld tot de
vergoeding van proceskosten. Nu het bestreden besluit in verband met de
onjuistheid van de daarin genoemde bedragen niet in stand kan blijven,
komt de aangevallen uitspraak voor het overige - zij het met verbetering
van gronden - voor bevestiging in aanmerking, met dien verstande dat
appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van deze -
's Raads - uitspraak.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarin over de vergoeding
van proceskosten is beslist;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, met dien verstande
dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van deze
- 's Raads - uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 januari
2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|