|
Uitspraak
00/3628 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale
verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en
bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de
Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens
verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante heeft mr. A.J.G. Cras-Schoenmakers, werkzaam bij het
Buro voor rechtshulp te Venlo, op bij beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Roermond op 30 juni
2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 4 februari 2003, waar appellante
is verschenen bij haar gemachtigde mr. Cras-Schoenmakers en waar
gedaagde zich, met voorafgaande kennisgeving, niet heeft doen
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellante ontving een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en
Wezenwet, welk pensioen ingaande 1 juli 1996 is omgezet in een uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante al meer dan twee
jaar zou samenwonen met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) heeft
gedaagde een onderzoek doen instellen naar de rechtmatigheid van de aan
appellante toegekende uitkering. In het kader daarvan heeft een sociaal
rechercheur op 19 augustus 1999 een onaangekondigd huisbezoek aan
appellante gebracht waarbij door appellante en [betrokkene] verklaringen
zijn afgelegd die zijn vastgelegd in het daartoe opgemaakte rapport.
Tevens is daarbij gevoegd een op 19 augustus 1999 door appellante en
[betrokkene] ingevulde en door beiden ondertekende “checklist
onderzoek van de leefsituatie”. Op 3 september 1999 heeft een nader
verhoor plaatsgevonden, waarvan eveneens rapport is opgemaakt en waaraan
is gehecht een door appellante en [betrokkene] ondertekende verklaring.
Op grond van deze onderzoeksbevindingen heeft gedaagde bij besluit van 9
september 1999 de nabestaandenuitkering van appellante met ingang van 1
februari 1999 beëindigd wegens het met [betrokkene] vanaf die datum
voeren van een gezamenlijke huishouding.
Bij besluit van 5 januari 2000 heeft gedaagde het namens appellante
tegen het besluit van 9 september 1999 gemaakte bezwaar ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft het namens appellante tegen het besluit van 5 januari
2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante is deze uitspraak in hoger beroep gemotiveerd
bestreden.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Anw wordt als gehuwd of als
echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere
ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het
betreft een bloedverwant in de eerste graad. Ingevolge artikel 3, derde
lid, van de Anw is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee
personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven
zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage
in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Bij de beoordeling van de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft,
moet naar vaste rechtspraak de feitelijke woonsituatie doorslaggevend
worden geacht. De Raad vindt voor deze opvatting mede steun in het
arrest van de Hoge Raad van 21 september 2001, gepubliceerd in JABW
2001/178. Aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde
woning kan ook zijn voldaan indien ondanks het aanhouden van
afzonderlijke woonruimte toch een feitelijke situatie van samenwoning
bestaat doordat door beiden slechts een van de beide ter beschikking
staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een
zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat de facto van
samenwonen moet worden gesproken.
Van een feitelijke situatie van samenwoning is sprake in het geval van
appellante en [betrokkene] sedert januari 1999. Uit de ten overstaan van
de sociaal rechercheur afgelegde verklaringen van 19 augustus 1999 en de
ondertekende verklaring van 3 september 1999 blijkt naar het oordeel van
de Raad genoegzaam dat appellante en [betrokkene] sedert januari 1999
feitelijk samenwoonden, afwisselend in de woning van appellante te
[woonplaats] en in die van [betrokkene] te [woonplaats betrokkene]. Zij
verbleven doorgaans gelijktijdig in een van beide woningen en brachten
aldaar ook de nachten door.
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van de wederzijdse
verzorging. Die kan blijken uit een bepaalde mate van financiële
verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend
delen van woonlasten en hiermee samenhangende vaste lasten. Indien van
een zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe mate
sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging
voorzien.
Op grond van de ter beschikking staande gegevens acht de Raad het
aannemelijk dat sedert januari 1999 appellante en [betrokkene] doorgaans
gezamenlijk de maaltijden gebruikten, gezamenlijk boodschappen deden en
beiden bijdroegen in de kosten van de boodschappen wanneer zij in
[woonplaats] of in [woonplaats betrokkene] verbleven. Van belang is
verder dat familiebezoeken in de regel samen door hen werden afgelegd,
dat zij wederzijdse familie samen ontvingen en dat bij kortstondige
ziekte de een de ander zou verzorgen of verplegen. Deze omstandigheden
in onderlinge samenhang bezien zijn voldoende om te concluderen dat ten
tijde hier van belang ook aan het criterium van wederzijdse verzorging
is voldaan.
De Raad merkt nog op dat hem niet is gebleken dat de verklaring van 3
september 1999 onder ongeoorloofde druk zou zijn afgelegd. Hij ziet dan
ook geen reden om appellante niet te houden aan deze tegenover de
sociaal rechercheur afgelegde - en ondertekende - verklaring.
Gelet op vorenstaande concludeert de Raad dat gedaagde terecht heeft
aangenomen dat appellante en [betrokkene] sedert januari 1999 een
gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 3, derde lid,
van de Anw. Gelet op het bepaalde in artikel 16, eerste lid, aanhef en
onder b, en tweede lid, van de Anw heeft gedaagde de
nabestaandenuitkering van appellante terecht met ingang van 1 februari
1999 beëindigd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden
bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs.
Th.G.M. Simons en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid
van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18
maart 2003.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene
nabestaandenwet kan ieder van partijen beroep in cassatie instellen ter
zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het
begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep kan worden
ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak
vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van
Beroep in te zenden.
|
|