|
Uitspraak
01/4438 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de
rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2000 tot heropening van het onderzoek
alsmede tegen de uitspraak van die rechtbank van 26 juli 2001, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 4 december 2001 zijn de gronden van het hoger beroep
nader aangevuld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 februari 2003,
waar appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is
verschenen A. Bos, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant heeft op 11 september 1998 zijn partnerschap met H. [partner]
(hierna: [partner]) laten registreren. [Partner] is op 24 september 1998
overleden. Op 23 oktober 1998 heeft appellant, daartoe aangezet door het
pensioenfonds van [partner] en door de Gemeentelijke Sociale Dienst, bij
gedaagde een aanvraag voor een nabestaandenuitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet (Anw) ingediend.
Gedaagde heeft zich gewend tot Cadans Uitvoeringsinstelling B.V.
(hierna: Cadans) met vragen omtrent de voorzienbaarheid van het
overlijden van [partner] en naar de arbeidsongeschiktheid van appellant.
Op 24 maart 1999 is advies uitgebracht door de verzekeringsarts J.S.
Baldewsing. Deze heeft als zijn mening gegeven dat het op 11 september
1998 te verwachten was dat [partner] binnen een jaar zou overlijden en
heeft voorts als zijn oordeel gegeven dat - kort gezegd - appellant op
24 september 1998 arbeidsongeschikt was in de zin van de Anw.
Bij besluit van 21 april 1999 heeft gedaagde appellant een uitkering
ingevolge de Anw geweigerd onder overweging dat [partner] binnen een
jaar na 11 september 1998 is overleden. Daarbij is verwezen naar artikel
15 van de Anw. Bij het bestreden besluit van 1 oktober 1999 heeft
gedaagde dat besluit na bezwaar gehandhaafd. Appellant heeft tegen het
bestreden besluit beroep ingesteld.
Na de behandeling van het beroep ter zitting van 26 oktober 2000 heeft
de rechtbank beslist het onderzoek te heropenen. De rechtbank heeft
daarbij bepaald dat appellant in de gelegenheid wordt gesteld binnen zes
weken een verklaring van de behandelend arts(en) van [partner] in het
geding te brengen, waarin wordt verklaard wat deze artsen aan appellant
en [partner] hebben medegedeeld ten aanzien van de levensverwachting van
[partner].
Op 19 december 2000 zijn namens appellant medische stukken, ontvangen
van [partner]s behandelend longarts, en stukken uit appellants medisch
dossier bij Cadans ingezonden. Daarbij is verzocht om met betrekking tot
de vraag of het overlijden van [partner] binnen een jaar na het
registreren van het partnerschap van [partner] en appellant
redelijkerwijs te verwachten viel, een deskundige te benoemen.
Na een hernieuwde behandeling van het geding ter zitting van de
rechtbank op 14 juni 2001, heeft de rechtbank appellants beroep bij de
aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Met betrekking tot het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank
van 26 oktober 2000 overweegt de Raad het volgende. Appellant heeft doen
stellen dat de rechtbank weliswaar ingevolge artikel 8:45 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) partijen kan verzoeken schriftelijk
inlichtingen te geven, maar dat dit verzoek alleen kan gelden voor
gegevens, inlichtingen c.q. stukken waarvan redelijkerwijs kan worden
verwacht dat appellant die in geding brengt. Naar de mening van
appellant (s gemachtigde) kon van appellant niet in redelijkheid worden
verwacht dat hij de door de rechtbank gevraagde stukken in geding zou
brengen.
De Raad stelt in de eerste plaats vast dat uit de gedingstukken niet
blijkt dat de rechtbank gebruik heeft gemaakt van de haar in artikel
8:45 gegeven bevoegdheid. De rechtbank heeft appellant slechts in de
gelegenheid gesteld stukken in te zenden. Dat ter zitting van 26 oktober
2000 wellicht enige aandrang is uitgeoefend om van die gelegenheid
gebruik te maken, doet hieraan niet af. De Raad stelt vervolgens vast
dat appellant, zoals hij ter zitting van de Raad heeft verklaard, zich
heeft ingespannen de bedoelde stukken, die niet in zijn bezit waren, te
vergaren en deze vervolgens zonder enige vorm van protest aan de
rechtbank heeft doen toekomen. Appellant heeft daarbij zelfs meer
stukken aan de rechtbank toegezonden dan waarover de rechtbank in haar
beslissing van 26 oktober 2000 heeft gesproken. Gezien deze gang van
zaken vermag de Raad niet in te zien wat de rechtbank in deze te
verwijten valt. Het hoger beroep kan in zoverre niet slagen.
Met betrekking tot de aangevallen uitspraak overweegt de Raad het
volgende.
Appellant heeft in de eerste plaats doen stellen dat de rechtbank ten
onrechte niet is ingegaan op zijn grief dat gedaagde in strijd heeft
gehandeld met artikel 7:9 van de Awb nu appellant hangende het bezwaar
niet in de gelegenheid is gesteld nader te reageren op de bevindingen
van de verzekeringsarts van Cadans als verwoord in diens brief van 2
augustus 1999. De Raad stelt vast dat het hier gaat om een advies van
deze verzekeringsarts naar aanleiding van appellants bezwaarschrift en
het gestelde tijdens de hoorzitting. Zoals de Raad al eerder heeft
overwogen, onder meer in zijn uitspraken van 30 mei 1996 (JSV 97/8) en
12 februari 1998 (TAR 98, 58), vormt een dergelijk nader rapport van een
adviseur van gedaagde naar 's Raads oordeel als zodanig geen nieuw feit
of omstandigheid als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb. Het feit dat de
rechtbank niet op deze grief van appellant is ingegaan, vormt voor de
Raad onvoldoende aanleiding tot vernietiging van de aangevallen
uitspraak over te gaan.
Appellant heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de
verzekeringsarts Baldewsing bij zijn advisering geen gebruik heeft mogen
maken van de inlichtingen die appellant over de gezondheidstoestand van
[partner] heeft verstrekt, nu hij appellant had medegedeeld geen
antwoord te zullen geven over de hem voorgelegde vragen over de
voorzienbaarheid van het overlijden van [partner] en appellant slechts
te onderzoeken in het kader van de beoordeling van diens
arbeidsongeschiktheid. Hoewel de Raad appellant moet toegeven dat de
gang van zaken zoals deze door appellant wordt weergegeven, niet geheel
strookt met hetgeen van een zorgvuldig handelende verzekeringsarts mag
worden verwacht, is hij toch van oordeel dat het gebruik van de aldus
verkregen gegevens niet zodanig onzorgvuldig is, dat dit ontoelaatbaar
moet worden geacht.
Ten slotte is namens appellant naar voren gebracht dat het appellant
noch [partner] redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat het overlijden van
[partner] binnen een jaar na 11 september 1998 moest worden verwacht. In
artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Anw is bepaald dat
geen recht op nabestaandenuitkering heeft de nabestaande wiens
echtgenoot is overleden binnen een jaar nadat hij met die echtgenoot is
gehuwd en de gezondheidstoestand ten tijde van de huwelijkssluiting
zulks redelijkerwijs moest doen verwachten. Op grond van artikel 3,
eerste lid, van die wet heeft deze bepaling tevens betrekking op de
situatie van geregistreerd partnerschap.
Bij de uitvoering van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de
Anw voert gedaagde het beleid dat het voor de verzekerde en/of de
nabestaande redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat het
overlijden van de verzekerde binnen een jaar na de huwelijkssluiting te
verwachten was. Daarbij geldt volgens gedaagdes beleid dat hieraan in
elk geval is voldaan indien aan de verzekerde en/of de nabestaande door
een behandelend arts is medegedeeld dat het overlijden binnen een jaar
te verwachten was. Dit beleid, dat naar het oordeel van de Raad een
redelijke invulling geeft aan genoemde wettelijke bepaling, dient als
uitgangspunt bij de beoordeling van het bestreden besluit te gelden.
Tussen partijen is niet in geschil dat door de behandelend arts(en) noch
aan [partner] noch aan appellant mededeling is gedaan van de
levensverwachting van [partner], zodat de Raad de vraag dient te
beantwoorden of het overlijden binnen een jaar na de registratie van het
partnerschap van appellant en [partner] op 11 september 1998 voor
appellant en/of [partner] redelijkerwijs te verwachten was.
Uit de gedingstukken is het volgende af te leiden. [partner] werd op 3
oktober 1997 geopereerd, waarbij een deel van de rechter long werd
verwijderd. Hij hield daarna klachten, die aanvankelijk aan de operatie
werden toegeschreven. Uit een brief van [partner]s behandelend longarts
van 25 juni 1998 blijkt dat er op dat moment een uitgebreide
metastasering in skelet, lever en longen was vastgesteld en dat in
verband met pijnklachten palliatieve chemotherapie werd gegeven. Verder
is in verband met gewichtsverlies en matige eetlust een diëtiste in
consult gevraagd. Blijkens genoemd schrijven werd een en ander met
[partner] besproken en ging hij akkoord met het behandelingsvoorstel. In
een brief van de behandelend radioloog oncoloog van 22 september 1998
leest de Raad voorts dat deze specialist [partner] op 25 augustus zag en
omschrijft als een cachectische man in een rolstoel, hetgeen betekent
dat [partner] op die datum ernstig verzwakt en vermagerd was. Gezien
deze gegevens is voor de Raad voldoende duidelijk dat [partner] op de
hoogte was van zijn ziekte en redelijkerwijs kon weten dat die op niet
al te lange termijn tot zijn overlijden zou leiden. Niet uitgesloten is
dat [partner] dit alles voor appellant verborgen heeft gehouden Dit doet
er evenwel niet aan af dat aan de in artikel 15, eerste lid, aanhef en
onder a, van de Anw gestelde voorwaarde is voldaan. Gedaagde heeft
appellant derhalve terecht een nabestaandenuitkering ingevolge de Anw
geweigerd.
In het voorgaande ligt besloten dat de Raad zich voldoende geïnformeerd
acht om tot een oordeel te kunnen komen. Hij ziet dan ook geen
aanleiding tot de inschakeling van een deskundige over te gaan.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|