|
Uitspraak
99/4861 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent appellant
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
's-Hertogenbosch van 29 juli 1999, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. P.J.J.A. Hendriks, advocaat te Deurne, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 augustus 2001, waar
appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C.P.H. Runia-Allon,
werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank, en waar gedaagde met
kennisgeving niet is verschenen.
De Raad heeft daarna het onderzoek in deze zaak heropend en heeft aan
partijen enkele stukken toegezonden, waaronder een brief van het
International Labour Office van 17 augustus 2001. Partijen hebben
vervolgens op deze stukken gereageerd.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 21 februari
2003, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door prof. dr. G.J.
Vonk en H. van der Most, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank, en
waar namens gedaagde is verschenen mr. P.M.E.C. Bertens-van Kuijk,
advocaat te Eindhoven.
II. MOTIVERING
Appellant heeft met ingang van 1 december 1996 een nabestaandenuitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) aan gedaagde toegekend in
verband met het overlijden van haar echtgenoot op 19 december 1996. Op
grond van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw heeft appellant het
inkomen van gedaagde, bestaande uit een wachtgelduitkering die zij van
het USZO ontving, in eerste instantie per december 1996 vastgesteld op f
918,14 per maand. Dit bedrag heeft appellant volledig op de
Anw-uitkering in mindering gebracht, hetgeen resulteerde in een
uitkering van f 886,25 bruto per maand. Onder meer in verband met de
wijziging van de hoogte van de nabestaandenuitkering ingevolge de Anw
alsmede van gedaagdes wachtgeld heeft appellant de Anw-uitkering van
gedaagde nadien enkele keren herzien.
Bij brief van 30 november 1997 heeft gedaagde appellant ervan in kennis
gesteld dat haar wachtgelduitkering met terugwerkende kracht tot en met
januari 1994 is verhoogd. Gedaagde heeft appellant daarbij afschriften
van de specificaties van haar wachtgelduitkering over de maanden
december 1996 tot en met oktober 1997 doen toekomen.
Op basis van de door gedaagde verstrekte gegevens heeft appellant bij
besluit van 15 december 1997 de aan gedaagde toegekende Anw-uitkering
vanaf 1 december 1996 tot en met november 1997 herzien. Tevens heeft
appellant vastgesteld dat over dit tijdvak een bedrag van f 2.714,69
onverschuldigd aan Anw-uitkering is betaald, welk bedrag bij dit besluit
door appellant is teruggevorderd van gedaagde. Door gedaagde is bezwaar
gemaakt tegen dit besluit.
Tijdens de bezwaarprocedure is appellant tot de conclusie gekomen dat
het bij besluit van 15 december 1997 vastgestelde inkomen van gedaagde
niet juist is berekend. Ingevolge artikel 7, derde lid, van het
Inkomens- en samenloopbesluit Anw dient slechts een deel van gedaagdes
wachtgelduitkering in aanmerking te worden genomen, omdat over die
uitkering geen aanspraak bestaat op vakantie-uitkering. Bij besluit van
18 maart 1998 heeft appellant het inkomen van gedaagde over december
1996 alsnog vastgesteld op f 1.055,17, vanaf januari 1997 op f 1.056,77,
vanaf juli 1997 op f 1.068,33 en vanaf januari 1998 op f 994,68 bruto
per maand en heeft appellant de Anw-uitkering van gedaagde met ingang
van de hiervoor genoemde data vastgesteld op respectievelijk f 749,22, f
760,55, f 763,43 en f 778,16 bruto per maand. Bij beslissing op bezwaar
van 27 maart 1998, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant het
bezwaar tegen het besluit van 15 december 1997 ongegrond verklaard.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat appellant
de nabetaling door het USZO van het wachtgeld terecht voor een deel
heeft toegerekend aan de maanden december 1996 tot en met oktober 1997.
De rechtbank is evenwel tot het oordeel gekomen dat het bestreden
besluit om twee redenen niet in stand kan blijven. In de eerste plaats
omdat appellant gedaagdes bezwaar met herroeping van het besluit van 15
december 1997 gegrond had moeten verklaren in plaats van het nemen van
het op dat besluit betrekking hebbend correctiebesluit van 18 maart
1998. In de tweede plaats is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat
het volledig in mindering brengen van het inkomen in verband met arbeid,
zoals gedaagdes wachtgelduitkering, in strijd is met rechtstreeks
werkende bepalingen van internationaal recht, te weten artikel 28,
aanhef en onder b, van het Verdrag 128 betreffende uitkeringen bij
invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen van 29 juni 1967,
Trb. 1968, 131 (hierna: ILO-conventie 128) en artikel 67, aanhef en
onder b, van de Europese Code inzake sociale zekerheid van 16 april
1964, Trb. 1965, 47 (hierna: de Europese Code).
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat ingevolge artikel 6:18,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de mogelijkheid
bestaat om een besluit te nemen ter correctie van het besluit van 15
december 1997 en dat van die mogelijkheid gebruik is gemaakt bij het
besluit van 18 maart 1998. Tevens heeft appellant met verwijzing naar
uitspraken van de Raad van 24 januari 2001, waarvan enkele zijn
gepubliceerd in USZ 01/49 en 50 en RSV 01/138, betwist dat de door de
rechtbank genoemde verdragsartikelen aangemerkt kunnen worden als een
ieder verbindende bepalingen in de zin van de artikelen 93 en 94 van de
Grondwet.
Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Internationaal
Arbeidsbureau te Genève bij brief van 17 augustus 2001 geconcludeerd dat
ILO-conventie 128 het in mindering brengen van een
werkloosheidsuitkering op een nabestaandenuitkering slechts toestaat
voorzover van de werkloosheidsuitkering een aanzienlijk gedeelte niet in
aanmerking wordt genomen bij de vermindering. In reactie op deze brief
heeft appellant medegedeeld dat de conclusie van het Internationaal
Arbeidsbureau naar zijn oordeel onjuist is voorzover deze is bedoeld om
te dienen tot handleiding in individuele gevallen. Voorts heeft
appellant erop gewezen dat ILO-conventie 128 op generlei wijze is
bedoeld om in individuele gevallen rechtens afdwingbare aanspraken op
concrete prestaties in het leven te roepen, zodat de in dit geding
relevante bepalingen uit die conventie niet als een ieder verbindend
kunnen worden beschouwd.
De Raad overweegt het volgende.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet de
bevoegdheid kan worden ontzegd om tijdens de bezwaarschriftprocedure op
grond van artikel 6:18 van de Awb het bestreden besluit te wijzigen. Bij
besluit van 18 maart 1998 heeft appellant het besluit van 15 december
1997 gewijzigd in die zin dat de hoogte van gedaagdes Anw-uitkering
vanaf december 1996 opnieuw is vastgesteld. Indien een bestuursorgaan
een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, dan
wordt echter ingevolge artikel 6:19 van de Awb het bezwaar geacht mede
te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het
bezwaar geheel tegemoet komt.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de grieven van gedaagde
niet gericht waren tegen de wijze waarop appellant het inkomen van
gedaagde vanaf december 1996 nader heeft vastgesteld. Appellant meent
dat door het buiten behandeling laten van het besluit van 18 maart 1998
de transparantie van de bezwaarschriftprocedure wordt vergroot en de
positie van gedaagde beter wordt beschermd. De Raad kan dit standpunt
niet onderschrijven. De nadere vaststelling van het inkomen van gedaagde
en haar recht op Anw-uitkering vanaf december 1996 bij het besluit van
18 maart 1998 betekent tevens dat het bedrag van de terugvordering van f
2.714,69 in het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 15
december 1997 niet langer juist is. Nu het bezwaar van gedaagde mede was
gericht tegen de terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering
is de Raad van oordeel dat de bescherming van gedaagde vergt dat
appellant bij de beslissing op bezwaar het juiste bedrag van de
terugvordering vast stelt, temeer daar het besluit tot terugvordering
ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Anw een executoriale titel
oplevert in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering.
Bij het bestreden besluit heeft appellant het bezwaarschrift van
gedaagde tegen het besluit van 15 december 1997 ongegrond verklaard. De
Raad stelt vast dat appellant aldus in strijd met artikel 6:19 van de
Awb heeft gehandeld door het bezwaar van gedaagde niet mede gericht te
achten tegen het besluit van 18 maart 1998. Derhalve kan het bestreden
besluit niet in stand blijven. Appellant dient een nieuwe beslissing op
bezwaar te nemen waarbij het bezwaar van gedaagde geacht wordt mede te
zijn gericht tegen het besluit van 18 maart 1998.
Ten aanzien van de betekenis van ILO-conventie 128 en de Europese Code
heeft de Raad in zijn hiervoor genoemde uitspraken van 24 januari 2001
reeds overwogen dat deze normverdragen een instructiekarakter dragen en
gericht zijn aan de verdragsluitende partijen, hetgeen in het algemeen
in de weg zal staan aan de mogelijkheid van het inroepen van een
rechtens afdwingbare aanspraak op een concrete prestatie in een
individueel geval. Dit instructiekarakter komt met name tot uitdrukking
in algemeen geformuleerde normen in deze verdragen waaraan de nationale
wetgevingen moeten voldoen, waarbij zelfs de definiëring van centrale
begrippen in deze verdragen als "weduwe" en
"kostwinner" aan de nationale wetgevingen is overgelaten.
Verder komt dit instructiekarakter tot uitdrukking in een onvoldoende
concrete dan wel een facultatieve normering van het uitkeringsniveau.
De rechtbank heeft echter geoordeeld dat artikel 28, sub b, van
ILO-conventie 128 en het vrijwel gelijkluidende artikel 67, sub b, van
de Europese Code geëigend zijn om rechtstreekse werking te hebben.
Artikel 28, sub b, van ILO-conventie 128 luidt aldus: "Ten aanzien
van elke periodieke betaling waarop dit artikel van toepassing is: (..)
b. kan het bedrag van de uitkering slechts worden verminderd in de mate
waarin de overige inkomsten van het gezin van de gerechtigde een
voorgeschreven of door het bevoegde overheidsorgaan overeenkomstig
voorgeschreven regelen vastgesteld aanzienlijk bedrag te boven
gaan". Partijen zijn het er in hoger beroep over eens dat deze
bepaling aldus verstaan dient te worden dat een volledige korting van
een werkloosheidsuitkering op de nabestaandenuitkering daarmee niet in
overeenstemming is, maar verschillen van mening over de vraag of deze
bepaling een ieder verbindend is als bedoeld in de artikelen 93 en 94
van de Grondwet.
De Raad is met appellant van oordeel dat hoewel de bedoeling van deze
bepalingen duidelijk geacht zou kunnen worden, deze aan de
verdragsluitende partijen niet een nauwkeurig en onvoorwaardelijk verbod
opleggen tot anticumulatie van een nabestaandenuitkering en een
werkloosheidsuitkering in enigerlei vorm. Daarbij acht de Raad, naast
het hiervoor omschreven instructiekarakter van de normverdragen, ten
eerste van belang dat uit het antwoord van het Internationaal
Arbeidsbureau, daargelaten nog de vraag wat de status van dit antwoord
is of kan zijn in deze procedure, volgt dat een volledige korting van
een werkloosheidsuitkering op een nabestaandenuitkering niet in
overeenstemming lijkt te zijn met voornoemde bepalingen, maar dat een
andere juridische vormgeving van de anticumulatie, leidend tot hetzelfde
financiële resultaat voor de betrokkenen, wel aanvaardbaar zou zijn.
Verder heeft appellant er terecht op gewezen dat het Comité van
Deskundigen van de ILO in 1989 heeft opgemerkt dat de strekking van
artikel 28, sub d, van ILO-conventie 128 is duidelijk te maken dat een
staat geacht wordt aan artikel 28 te voldoen als het collectieve
beschermingsniveau adequaat is, zonder daarbij acht te slaan op datgene
wat in het individuele geval tot uitbetaling komt. Hoewel artikel 28,
sub d, van ILO-conventie 128 met name betrekking lijkt te hebben op
hetgeen is bepaald in artikel 28, sub c, van deze conventie, volgt uit
dit artikellid evenzeer dat de verdragsluitende partijen op
verschillende wijzen inhoud kunnen geven aan deze instructienormen,
zodat die moeilijk te sublimeren zijn tot een rechtens afdwingbare norm
voor burgers. Op deze gronden is de Raad van oordeel dat de artikelen
28, sub b, van ILO-conventie 128 en 67, sub b, van de Europese Code niet
geacht kunnen worden een eenieder verbindende bepaling te bevatten in de
zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet die in beginsel door de
burger voor de rechter kan worden ingeroepen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep gedeeltelijk
slaagt, hetgeen betekent dat de aangevallen uitspraak, met wijziging van
gronden voor bevestiging in aanmerking komt, met dien verstande dat
appellant een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met
inachtneming van hetgeen in 's Raads uitspraak is overwogen.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
Ten slotte ziet de Raad geen aanleiding van appellant een recht te
heffen, nu het hoger beroep van appellant grotendeels doel heeft
getroffen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een
nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze,
's Raads, uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|