|
Uitspraak
01/2772 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voor zover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent appellant
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden is appellant in hoger
beroep gekomen van de uitspraak van 6 april 2001 van rechtbank Breda,
waarbij het beroep van gedaagde tegen het besluit van appellant van 27
juni 2000 gegrond is verklaard, dit besluit is vernietigd, appellant is
opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak
van de rechtbank en beslissingen zijn gegeven inzake de proceskosten en
het betaalde griffierecht.
Bij brief van 26 oktober 2001 heeft appellant de gronden van het beroep
aangevuld.
Namens gedaagde heeft mr. M.A. Wellen, werkzaam bij Rechtshulp Brabant,
van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 februari 2003,
waar voor appellant is verschenen mr. P.C.A. Buskens, werkzaam bij de
Sociale verzekeringsbank, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. M.A.
Wellen, voornoemd.
II. MOTIVERING
Gedaagde is, na het overlijden van haar (eerste) echtgenoot, met ingang
van 1 april 1990 in het genot gesteld van een uitkering op grond van de
Algemene Weduwen- en Wezenwet, welke uitkering per 1 juli 1996 is
omgezet in een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Gedaagde had al jaren een LAT-relatie met J.H. [betrokkene]. Nadat [betrokkene] ernstig ziek was geworden, zijn gedaagde en [betrokkene],
naar de Raad uit de stukken afleidt om redenen van erfrecht, op 23 juli
1999 in het huwelijk getreden.
Bij besluit van 6 augustus 1999 heeft appellant aan gedaagde medegedeeld
dat haar recht op nabestaandenuitkering op 31 juli 1999 eindigt in
verband met haar huwelijk.
Gedaagdes echtgenoot is op 16 augustus 1999 overleden.
Bij formulier gedagtekend 1 november 1999 heeft gedaagde een aanvraag
ingediend om een nabestaandenuitkering. Daarbij heeft zij aangegeven dat
zij een WAO-uitkering ontvangt ad fl. 1.742,61 (bruto) per maand.
Bij besluit van 15 december 1999 heeft appellant aan gedaagde met ingang
van augustus 1999 een nabestaandenuitkering toegekend van fl. 69,82
bruto per maand. De hoogte van de uitkering is bepaald door van de
maximale uitkering haar inkomsten uit de WAO-uitkering in mindering te
brengen.
In bezwaar is namens gedaagde aangevoerd dat de eerder toegekende
(hogere) Anw-uitkering op grond van artikel 16, derde lid, van de Anw
dient te herleven. De gezamenlijke huishouding is immers binnen zes
maanden na het eindigen van de nabestaandenuitkering geëindigd.
Verwezen wordt naar de memorie van toelichting bij de Wijziging van de
Algemene nabestaandenwet in verband met gebleken onbillijkheden (Tweede
Kamer 1997-1998, 25.990, nr. 3, p. 5), waaruit zou volgen dat de
herlevingsperiode om redenen van rechtszekerheid geldt voor alle
gevallen waarin de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren,
de uitkeringsgevolgen daarvan aanvaardt, maar waarbij vervolgens de
gezamenlijke huishouding binnen korte tijd weer beëindigd wordt. Er
wordt geen onderscheid gemaakt tussen een gezamenlijke huishouding op
grond van huwelijk, samenlevingsovereenkomst of geregistreerd
partnerschap. Namens gedaagde is verder betoogd dat voorzover artikel
16, derde lid, van de Anw enkel van toepassing zou zijn op ongehuwd
samenwonenden, dit in strijd is met artikel 26 van het Internationaal
Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
Tijdens de hoorzitting gehouden op 21 maart 2000 is namens gedaagde
onder meer naar voren gebracht dat geen beroep wordt gedaan op de
overgangsbepalingen. Er bestaat recht op grond van artikel 16, derde
lid, van de Anw. Op grond van dit artikel komt een nabestaandenuitkering
welke in 1990 is toegekend, te herleven. De wet maakt geen onderscheid
tussen overlijden of anderszins. Gewezen wordt op artikel 3, tweede tot
en met zesde lid, van de Anw.
Van de zijde van appellant is opgemerkt dat in artikel 16 van de Anw het
gaat om het verbreken van de samenwoning binnen zes maanden anders dan
door overlijden. De achterliggende gedachte voor de invoering van deze
bepaling is een 'gewenningsperiode' daar bij samenwoning na 1 juli 1996
de nabestaandenuitkering wordt ingetrokken. Wanneer de relatie dan
binnen zes maanden wordt verbroken, herleeft het recht.
Volgens appellant is er aldus geen sprake van discriminatie. Aan
gedaagde wordt immers een nabestaandenuitkering toegekend op grond van
de Anw. Net zoals dit geldt voor alle Anw-gerechtigden van wie de
partner is komen te overlijden ná 1 juli 1996. De nabestaandenuitkering
is evenwel inkomensafhankelijk. Daardoor komt, als gevolg van de hoogte
van het inkomen in verband met arbeid, slechts een klein deel tot
uitbetaling. Dit in tegenstelling tot de nabestaandenuitkering die
gedaagde ontving vóór haar huwelijk met de heer [betrokkene].
Bij besluit van 27 juni 2000 heeft appellant het bezwaar van gedaagde
ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Uit de Memorie van
Toelichting bij de wet tot Wijziging van de Algemene nabestaandenwet
leidt de rechtbank af dat de nabestaandenuitkering herleeft in alle
gevallen waarin sprake is van een gezamenlijke huishouding die binnen
zes maanden eindigt. Appellant heeft zich derhalve ten onrechte op het
standpunt gesteld dat artikel 16, derde lid, van de Anw niet ziet op
situaties waarin sprake is van beëindiging van een gezamenlijke
huishouding door overlijden, aldus de rechtbank.
In hoger beroep is namens appellant betoogd dat de wetgever artikel 16,
derde lid, van de Anw heeft opgenomen omdat een gezamenlijke huishouding
zich kan voordoen zonder dat de wil van de nabestaande daarop is
gericht. Omdat onvoldoende onderscheid kan worden gemaakt tussen
personen wier intentie is gericht op het voeren van een gezamenlijke
huishouding en personen bij wie dit niet zo is, heeft de wetgever
gemeend de herlevingsperiode te moeten toepassen in alle gevallen waarin
sprake is van een gezamenlijke huishouding.
Bij personen die in het huwelijk treden doen de hiervoor aangehaalde
omstandigheden zich niet voor. Het huwelijk is geen weging van feiten en
omstandigheden, maar is op zich een objectief feit. Het aangaan van een
huwelijk is derhalve altijd het gevolg van de wil van de nabestaande. De
omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het opnemen van artikel
16, derde lid, van de Anw, kunnen zich derhalve niet voordoen bij
personen die in het huwelijk treden.
Appellant is van oordeel dat in de onderhavige zaak door het huwelijk
van gedaagde er geen mogelijkheid meer bestond op het herleven van de
nabestaandenuitkering. Als gevolg van het overlijden van gedaagdes
echtgenoot is derhalve een nieuw recht ontstaan.
Gedaagde heeft in hoger beroep haar in eerdere instanties ingenomen
standpunten in wezen herhaald.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat gedaagde
na het overlijden van haar (tweede) echtgenoot een nieuw recht op een
Anw-uitkering heeft verworven, zodat gedaagde geen aanspraken kan
ontlenen aan het overgangsrecht neergelegd in onder meer artikel 67 van
de Anw.
Gedaagde is van oordeel dat zij op grond van artikel 16 van de Anw
aanspraak kan maken op 'herleving' van haar oorspronkelijke
nabestaandenrecht. Artikel 16 van de Anw, voorzover hier van belang,
luidt:
1. Het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien:
(...)
b. de nabestaande in het huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke
huishouding gaat voeren (...).
(...)
3. Voor de nabestaande wiens uitkering op grond van het eerste lid,
onderdeel b, wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding is geëindigd
herleeft het recht op een nabestaandenuitkering met ingang van de eerste
dag van de maand dat hij, uiterlijk binnen zes maanden na het eindigen
van de nabestaandenuitkering, deze gezamenlijke huishouding niet meer
voert.
Deze bepaling gaat uit van de nabestaande die een recht heeft op een
nabestaandenuitkering. Dit bestaande recht eindigt indien de
rechthebbende een gezamenlijke huishouding gaat voeren. Daarbij maakt de
bepaling expliciet onderscheid tussen de nabestaande die in het huwelijk
treedt en de nabestaande die (anderszins) een gezamenlijke huishouding
gaat voeren. Alleen met betrekking tot laatstgenoemde situatie regelt
het derde lid de herleving van het recht op nabestaandenuitkering in het
geval aan de gezamenlijke huishouding binnen zes maanden na de beëindiging
van het daarvoor bestaande recht op een nabestaandenuitkering een einde
komt.
De Raad concludeert dat artikel 16 van de Anw geen ruimte biedt voor de
opvatting van gedaagde dat ook in het geval dat de nabestaandenuitkering
wegens het aangaan van een huwelijk binnen de genoemde termijn is geëindigd,
het (eerdere) recht op nabestaandenuitkering kan herleven. De Raad merkt
daarbij op dat het bepaalde in artikel 3 van de Anw daaraan niet in de
weg staat, nu uit deze bepaling niet volgt dat binnen de Anw en de
daarop rustende bepalingen aan het onderscheid tussen de huwelijkse
staat en de niet-huwelijkse staat geen enkele betekenis meer kan
toekomen.
Het voorafgaande brengt mee dat, nu de rechtbank van een andere
opvatting is uitgegaan, de Raad tevens de vraag zal moeten beantwoorden
of het in artikel 16 van de Anw gemaakte onderscheid naar burgerlijke
staat in strijd komt met het onder meer in artikel 26 van het IVBPR
verankerde discriminatieverbod.
Dienaangaande kan de Raad zich vinden in de opvatting van appellant dat
uit de wetsgeschiedenis van de hier aan de orde zijnde bepaling moet
worden afgeleid dat de wetgever bij de hier geregelde mogelijkheid van
herleving van het recht op nabestaandenuitkering het oog heeft gehad op
situaties waarin belanghebbenden zich onbewust begeven in een situatie
die valt onder het wettelijke begrip 'gezamenlijke huishouding', met als
gevolg dat zij hun aanspraak op een nabestaandenuitkering verliezen. De
in artikel 16 neergelegde periode van zes maanden geeft deze
belanghebbenden de kans zich te bezinnen op de gevolgen van het
samenwonen met het oog op de aanspraak op een nabestaandenuitkering.
Voor mensen die in het huwelijk treden geldt het hiervoor beschreven
'gevaar' niet. Van mensen die in het huwelijk treden kan immers, gezien
de aard van de huwelijksrelatie, in het algemeen worden verwacht dat zij
bedacht zijn op de gevolgen die het in het huwelijk treden heeft voor
aanspraken op - onder meer - een nabestaandenuitkering.
Aldus bezien berust, naar het oordeel van de Raad, het in de onderhavige
bepaling gemaakte onderscheid naar huwelijkse staat op redelijke en
objectieve gronden. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd
dat het gemaakte onderscheid, bezien vanuit de doelstelling van de Anw,
voor belanghebbenden die een huwelijkse relatie aangaan, onevenredige
gevolgen met zich brengt.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit, waarbij appellant aan
gedaagde met ingang van augustus 1999 een nabestaandenuitkering heeft
toegekend van fl. 69,82 bruto per maand, op goede gronden berust. Nu de
rechtbank het beroep tegen dit besluit ten onrechte gegrond heeft
verklaard, onder vernietiging van dit besluit, slaagt het hoger beroep
van appellant.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 april 2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|