|
Uitspraak
02/4247 ANW en 02/4249 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant 1] en [appellant 2], beide wonende te [woonplaats],
appellanten,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Op bij beroepschrift - annex bijlagen - aangegeven gronden is mr. J.A. van
Ham, advocaat te Veenendaal, namens appellanten, in hoger beroep gekomen
van de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 juli 2002, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding van een verzoek van de gemachtigde van appellanten heeft
de Raad aan partijen een, in een andere procedure uitgebracht, rapport
van het T.M.C. Asser Instituut doen toekomen.
Het geding is - gevoegd met de gedingen bij de Raad bekend onder nr.
00/4803 + 00/4804 ANW - behandeld ter zitting van de Raad op 14 maart
2003, waar [appellant 2] in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
J.A. van Ham voornoemd, die tevens is verschenen voor [appellant 1]. B.
van der Boor-Sretenovic is ter zitting opgetreden als tolk. Voor
gedaagde is niemand verschenen.
II. MOTIVERING
Appellanten zijn de verzorgers van de kinderen [kind 1] en [kind 2],
geboren in respectievelijk 1986 en 1988. De ouders van deze kinderen,
[ouder 1] en [ouder 2], zijn op respectievelijk 7 januari 1994 en 8
augustus 1996 in Joegoslavië overleden. [Ouder 1] heeft van 1969 tot
juni 1983 in Nederland werkzaamheden verricht en was toen verzekerd
ingevolge de volksverzekeringen. Aan haar echtgenoot, [ouder 2], is met
ingang van 1 januari 1994 een nabestaandenuitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet (Anw) toegekend. [Ouder 2] heeft nooit in
Nederland gewerkt en is uit dien hoofde dan ook nooit verzekerd geweest
hier te lande. [Ouder 2] heeft wel tot kort voor zijn overlijden in het
toenmalige Joegoslavië gewerkt.
Na het overlijden van [ouder 2] zijn de kinderen eerst door anderen in
Joegoslavië opgevangen, waarna appellanten de zorg voor de kinderen op
zich hebben genomen. Door hen is, ten behoeve van de kinderen, bij de
zusterorganisatie van gedaagde in Servië een aanvraag gedaan voor een
pensioen.
Bij een tweetal primaire besluiten van 19 december 1997 heeft gedaagde
deze aanvragen, door gedaagde opgevat als aanvragen om een
wezenpensioen, afgewezen. Bij een tweetal besluiten op bezwaar van 2
september 1999 zijn deze beslissingen gehandhaafd. De rechtbank
Amsterdam heeft bij uitspraken van respectievelijk 12 juli 2000 ([kind
1]) en 14 augustus 2000 ([kind 2]) het beroep tegen deze besluiten
ongegrond verklaard. Bij de Raad is terzake hoger beroep ingesteld. De
zaken zijn, zoals is aangegeven in rubriek I, gevoegd met de onderhavige
gedingen behandeld. Bij uitspraak van heden heeft de Raad het namens de
kinderen ingestelde hoger beroep in deze zaken ongegrond verklaard.
Hangende de gedingen inzake het recht op wezenpensioen, hebben
appellanten bij gedaagde een aanvraag ingediend voor een
halfwezenpensioen ten behoeve van de kinderen. Bij besluit van 1
augustus 2001, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 4 september 2001, heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen. Bij de in
rubriek I genoemde uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 juli 2002
heeft de rechtbank het beroep tegen laatstgenoemd besluit ongegrond
verklaard.
Het gaat in het onderhavige geding om de beantwoording van de vraag of
appellanten ten behoeve van de kinderen [kind 1] en [kind 2] aanspraak
kunnen maken op een halfwezenpensioen.
De Raad oordeelt als volgt.
Na het overlijden van [ouder 1] in 1994 is aan [ouder 2] een uitkering
ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet toegekend. Op grond van
artikel 67, eerste lid, van de Anw is deze uitkering met ingang van 1
juli 1996 omgezet in een nabestaandenuitkering en een halfwezenuitkering.
Volgens artikel 24, eerste lid, van de Anw, eindigt het recht op
halfwezenuitkering onder meer met ingang van de eerste dag van de maand
volgend op die, waarin niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor
het verkrijgen van een halfwezenuitkering. In dat verband is in het
onderhavige geval met name van belang het bepaalde in artikel 22, eerste
lid, van de Anw, dat 'recht op een halfwezenuitkering heeft de
nabestaande die een halfwees heeft'. De Raad concludeert dat na het
overlijden van [ouder 2] er niet langer sprake is van een nabestaande
die een halfwees heeft, zodat er geen rechthebbende meer is op een
halfwezenuitkering ten behoeve van de kinderen [kind 1] en [kind 2].
Het bepaalde in artikel 22, tweede lid, van de Anw kan hieraan niet
afdoen. In deze bepaling is neergelegd dat onder het begrip
'nabestaande', kort gezegd, ook de verzorger van de halfwees kan worden
begrepen. Ten tijde van het overlijden van [ouder 1] waren appellanten
evenwel nog geen verzorgers van de kinderen, zodat zij reeds op die
grond aan deze bepaling geen aanspraak op een halfwezenpensioen kunnen
ontlenen.
Ook aan het overlijden van [ouder 2] kunnen appellanten geen aanspraak
op een halfwezenpensioen ontlenen, nu de kinderen door het overlijden
van [ouder 2] wees zijn geworden en zij derhalve op het moment dat de
verzorging een aanvang nam geen halfwees (meer) waren als bedoeld in
artikel 1, onder e, van de Anw. Uit artikel 22 van de Anw volgt dat
recht op een halfwezenuitkering heeft de 'nabestaande' die een halfwees
heeft.
De Raad merkt nog op dat het beroep dat appellanten hebben gedaan op het
Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië niet kan slagen,
reeds omdat aan dit Verdrag geen aanspraak op een halfwezenpensioen kan
worden ontleend.
De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld en dat de
uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 april 2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|