|
Uitspraak
00/4803 ANW en 4804 ANW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant 1 en appellant 2], wettelijk vertegenwoordigd door [naam
wettelijke vertegenwoordiger], wonende te [woonplaats], appellanten,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Op bij beroepschrift - annex bijlagen - aangegeven gronden is mr. J.A. van
Ham, advocaat te Veenendaal, namens appellanten, in hoger beroep gekomen
van de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van respectievelijk 12 juli
2000 en 14 augustus 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens appellanten zijn nadere stukken ingezonden en zijn de gronden van
het beroep aangevuld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding van een verzoek van de gemachtigde van appellanten heeft
de Raad aan partijen een, in een andere procedure uitgebracht, rapport
van het T.M.C. Asser Instituut doen toekomen.
De gedingen zijn - gevoegd met de gedingen bij de Raad bekend onder nr.
02/4247 en 02/4249 Anw - behandeld ter zitting van de Raad op 14 maart
2003, waar voor appellanten zijn verschenen mr. Van Ham voornoemd,
alsmede R. Ilic-Tosic, bijgestaan door B. van der Boor-Sretenovic als
tolk, terwijl voor gedaagde niemand is verschenen.
II. MOTIVERING
Appellanten, [appellant 1] en [appellant 2], geboren in respectievelijk
1986 en 1988, zijn de kinderen van [ouder 2] en [ouder 2]. [Ouder 2]
heeft van 1969 tot juni 1983 in Nederland, met het oog op de toepassing
van de Algemene nabestaandenwet (Anw), verzekerde werkzaamheden
verricht. Zij is op 7 januari 1994 in Joegoslavië overleden. Aan haar
echtgenoot, [ouder 2], is met ingang van 1 januari 1994 een
nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw)
toegekend. [Ouder 2] heeft nooit in Nederland gewerkt en is uit dien
hoofde dan ook nooit verzekerd geweest ingevolge de Anw. [Ouder 2] heeft
wel in het toenmalige Joegoslavië gewerkt. Op 30 juni 1996 heeft hij
zijn werkzaamheden neergelegd. Hij is op 8 augustus 1996 overleden. Bij
besluit van 16 januari 1997 is zijn nabestaandenuitkering ingevolge de
Anw met ingang van 1 september 1996 ingetrokken.
Na het overlijden van [ouder 2] is ten behoeve van appellanten bij de
zusterorganisatie van gedaagde in Servië ingevolge de Anw een aanvraag
gedaan voor een pensioen.
Bij een tweetal primaire besluiten van 19 december 1997 heeft gedaagde
deze aanvragen, door gedaagde opgevat als aanvragen om een
wezenpensioen, afgewezen. Bij een tweetal besluiten op bezwaar van 2
september 1998 zijn deze beslissingen gehandhaafd.
Bij de in rubriek I genoemde uitspraken van respectievelijk 12 juli 2000
([appellant 1]) en 14 augustus 2000 ([appellant 2]) heeft de rechtbank
het beroep tegen deze besluiten ongegrond verklaard.
In hoger beroep is namens appellanten aangevoerd dat in de aanvraag om
een wezenpensioen een aanvraag om een halfwezenpensioen, ontleend aan
het overlijden van de moeder, was begrepen en dat de rechtbank ten
onrechte heeft nagelaten hieromtrent uitspraak te doen.
Met betrekking tot de aanspraak van appellanten op een wezenpensioen
wordt een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 18, derde lid, van
het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië
(hierna: NJV). Betoogd wordt dat [ouder 2] op grond van deze
verdragsbepaling verzekerd was onder de Anw, zodat appellanten, die door
zijn overlijden wees zijn geworden, op grond van de Anw aanspraak kunnen
maken op een wezenuitkering.
Met betrekking tot de grief inzake het halfwezenpensioen merkt de Raad
op dat appellanten bij deze grief belang ontberen, nu met betrekking tot
dit pensioen namens hen een separate aanvraag is ingediend. Op deze
aanvraag is door gedaagde een besluit genomen, waarna het bezwaar door
gedaagde ongegrond is verklaard. Tegen dit besluit is beroep ingesteld
bij de rechtbank, en na ongegrondverklaring van het beroep, hoger beroep
bij de Raad. In deze gedingen, welke zoals vermeld in rubriek I gevoegd
met de onderhavige gedingen zijn behandeld, is door de Raad heden
uitspraak gedaan.
Met betrekking tot de geschillen omtrent het wezenpensioen oordeelt de
Raad als volgt.
Blijkens het bepaalde in artikel 26 van de Anw heeft het kind dat door
het overlijden van een verzekerde ouderloos is geworden, recht op een
wezenuitkering, zolang het de leeftijd van 16 jaar niet heeft bereikt.
Ten tijde van het overlijden van [ouder 2], de laatst levende ouder, op
8 augustus 1996, waren de kinderen nog geen zestien jaar oud. De Raad
staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of [ouder 2] ten tijde
van zijn overlijden als verzekerde kan worden aangemerkt.
Tussen partijen is niet in geschil dat [ouder 2] ten tijde van zijn
overlijden niet verzekerd was ingevolge de nationale Nederlandse
wetgeving. Tussen partijen is in geschil of [ouder 2] op grond van artikel 18, derde lid, van het NJV als verzekerde
kan worden aangemerkt.
Daaraan vooraf gaat de vraag of [ouder 2] valt onder de personele
werkingssfeer van het NJV. In artikel 3.1 van het NJV is dienaangaande
bepaald dat het NJV van toepassing is op Nederlandse en Joegoslavische
werknemers op wie de wetgeving van een der verdragsluitende partijen van
toepassing is of geweest is, alsmede op hun gezinsleden of nagelaten
betrekkingen, voorzover zij hun rechten ontlenen aan de verzekering van
de werknemer.
Uit doel en strekking van het NJV leidt de Raad af dat het verdrag
alleen van toepassing is op werknemers op wie de wetgeving van beide
verdragspartijen van toepassing is, of is geweest. In het onderhavige
geval volgt daaruit dat [ouder 2] alleen dan valt onder de personele
werkingssfeer van het NVJ indien hij als werknemer in Nederland
verzekerd is geweest. Tussen partijen is niet in geschil dat dit niet
het geval is, waaruit volgt dat [ouder 2] op grond van het Verdrag niet
als verzekerde ingevolge de Anw kan worden aangemerkt. Appellanten
kunnen dan ook, als nagelaten betrekkingen van [ouder 2], aan diens
overlijden geen aanspraak ontlenen op een wezenuitkering.
De Raad wijst er nog op dat ook indien [ouder 2] wel geacht zou moeten
worden onder de personele werkingssfeer van het NJV te vallen,
appellanten weliswaar ingevolge artikel 18, derde lid, van het NJV,
verzekerd zouden zijn geweest voor de Anw, maar daaruit volgt niet dat
appellanten ook aanspraak zouden hebben kunnen maken op uitbetaling van
een wezenpensioen. Artikel 19 van het NJV, inzake de berekening van
pensioenen, brengt mee dat de uitkering wordt vastgesteld naar
verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering die vóór het
intreden van de verzekerde gebeurtenis zijn vervuld. Heeft een onderdaan
van het voormalige Joegoslavië, die valt onder de bescherming van het
NJV, geen verzekerde tijdvakken in Nederland vervuld, dan is de pro rata
uitkering waarop betrokkene aanspraak zou kunnen maken nihil.
De Raad voegt aan het voorafgaande toe dat [ouder 2], de moeder van de
kinderen, wel aan de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving
onderworpen is geweest. Aan haar overlijden kunnen appellanten evenwel
geen aanspraak op een wezenuitkering ontlenen, omdat zij door haar
overlijden niet ouderloos zijn geworden.
De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld en dat de
uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 april 2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|