|
Uitspraak
00/5368 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante is mr. B. Brouwers, werkzaam bij Rechtshulp Brabant,
in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Breda van 5
september 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 6 maart 2001 - annex bijlagen - heeft mr. Brouwers aan de
Raad bericht dat zij zich als gemachtigde van appellante terugtrekt.
Appellante heeft de gronden waarop het beroep rust aangevuld en nadere
stukken ingezonden.
Desgevraagd heeft gedaagde vertalingen ingezonden van enige op de zaak
betrekking hebbende stukken en nadere informatie verstrekt, waarop
namens appellante is gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 april 2003, waar
voor appellante is verschenen haar zoon, [naam zoon], terwijl voor
gedaagde is verschenen mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 29 september 1997 heeft gedaagde aan appellante een
uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) toegekend ter
hoogte van 50% van het maximale pensioenbedrag. Aan dit besluit heeft
gedaagde onder meer ten grondslag gelegd dat het pensioen op grond van
het Algemeen Verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Verdrag) tussen de rechthebbenden
dient te worden verdeeld.
Naar aanleiding van het namens appellante tegen dit besluit ingediende
bezwaarschrift heeft gedaagde bij brief van 3 november 1997 uiteengezet
dat aan appellante de helft van de volledige nabestaandenuitkering is
toegekend omdat er nog een tweede weduwe zou zijn van [naam echtgenoot],
haar overleden echtgenoot, te weten [naam tweede weduwe].
Onder de gedingstukken bevindt zich een kopie van het verslag van een
ter zake namens gedaagde in Marokko ingesteld onderzoek. Daarbij zijn
ook kopieën van diverse officiële stukken gevoegd, waaronder een
trouwakte van [naam echtgenoot] en [naam tweede weduwe] (huwelijksdatum
23 september 1993), de echtscheidingsakte (datum scheiding 2 januari 1996) en de akte van hertrouw (datum hertrouw 2 mei 1996).
In bezwaar is namens appellante aangevoerd dat het huwelijk tussen [naam
echtgenoot] en [naam tweede weduwe] niet geldig is, omdat appellante
geen toestemming heeft gegeven aan haar man om te hertrouwen. Zij zal
naar Marokko gaan om stappen te ondernemen tegen dit huwelijk. Bij brief
van 29 december 1998 wordt aangevoerd dat de trouwakte niet geheel
overeenstemt met de identiteitskaart van [naam tweede weduwe].
Bij besluit van 2 juni 1999 heeft gedaagde appellantes bezwaar ongegrond
verklaard. Uit het in Marokko ingestelde onderzoek is gebleken dat [naam
tweede weduwe] op 2 mei 1996 met [naam echtgenoot] is hertrouwd. Nu
gedaagde beschikt over een huwelijksakte uit Marokko, gaat hij er
voorshands van uit dat er naar Marokkaans recht sprake is van een geldig
huwelijk. Dat brengt, in samenhang met het bepaalde in artikel 23 van
het Verdrag en artikel 28 van het Administratief Akkoord, volgens
gedaagde mee dat het nabestaandenpensioen tussen appellante en [naam
tweede weduwe] moet worden verdeeld, aldus gedaagde.
In beroep is namens appellante onder meer aangevoerd dat als er al
sprake is van een tweede huwelijk, dit huwelijk in Nederland niet kan
worden erkend. Er is immers, aldus de gemachtigde, sprake van strijd met
de Nederlandse openbare orde. De Nederlands rechtsorde verzet zich tegen
een bigaam huwelijk. Verder wordt als grief naar voren gebracht dat
appellante ten onrechte in bezwaar niet in de gelegenheid is gesteld te
worden gehoord.
In verweer wordt, naar aanleiding van appellantes grief dat zij geen
toestemming heeft gegeven voor het (tweede) huwelijk van haar
echtgenoot, betoogd dat de consequentie hiervan gelegen zou kunnen zijn
in een eventuele vernietiging van het huwelijk door de Marokkaanse
rechter.
Ten aanzien van het bestaan van het huwelijk tussen [naam echtgenoot] en
[naam tweede weduwe] wordt opgemerkt dat uit de aan gedaagde ter
beschikking staande officiële documenten, bevestigd door het onderzoek
ter plekke, moet worden afgeleid dat betrokkenen op 2 mei 1996 zijn
hertrouwd. Van een vernietiging van dit huwelijk door de Marokkaanse
rechter is gedaagde niet gebleken.
De rechtbank heeft primair geoordeeld dat de schending van de hoorplicht
door gedaagde in bezwaar, nu appellante daardoor niet is benadeeld, met
toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan
worden gepasseerd.
Ten gronde heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de overgelegde stukken
blijkt dat [naam echtgenoot] en [naam tweede weduwe] op 2 mei 1996 zijn
hertrouwd. Voorts heeft [naam tweede weduwe] een verklaring overgelegd
waaruit blijkt dat zij weduwe is.
Onder verwijzing naar artikel 5, vierde lid, van de Wet conflictenrecht
huwelijk, heeft de rechtbank geconcludeerd dat een huwelijk vermoed
wordt rechtsgeldig te zijn indien een huwelijksverklaring is afgegeven
door een bevoegde autoriteit. Uit de zich onder de gedingstukken
bevindende 'Acte de continuïté de mariage' leidt de rechtbank af dat
de scheidingsakte van 5 januari 1996 is herroepen. Appellante heeft naar
het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat niet van de
rechtsgeldigheid van dit huwelijk mag worden uitgegaan. De verwijzing
door appellante naar een onjuiste geboorteplaats in vorengenoemde akte
is daarvoor onvoldoende.
De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het - gestelde - ontbreken
van appellantes toestemming voor dit huwelijk niet meebrengt dat dit
huwelijk nietig zou zijn. Ter zitting is door appellante verklaard dat
zij geen procedure in gang heeft gezet gericht op de vernietiging van
het huwelijk van wijlen haar echtgenoot met [naam tweede weduwe].
De rechtbank heeft verder geconstateerd dat [naam tweede weduwe] voldoet
aan de uit de Anw voortvloeiende vereisten om in aanmerking te komen
voor een nabestaandenuitkering. Zij concludeert dat gedaagde terecht en
op goede gronden heeft beslist dat de nabestaandenuitkering moet worden
verdeeld naar rato van het aantal weduwen ten tijde van het overlijden
van [naam echtgenoot] zijnde 50% aan appellante en 50% aan [naam tweede
weduwe].
Het beroep wordt ongegrond verklaard.
In hoger beroep is door appellante aangevoerd dat er geen bewijs is dat
[naam echtgenoot] en [naam tweede weduwe] na de scheiding zijn
hertrouwd. Verder wordt betoogd dat, zo daar anders over mocht worden
gedacht, de rechter geen toestemming mag geven voor een polygaam
huwelijk zonder de toestemming van de eerste echtgenote.
De Raad stelt voorop dat het geschil in hoger beroep is beperkt tot de
vraag of gedaagde met recht het nabestaandenpensioen van appellante
heeft bepaald op 50% van de maximale hoogte van het pensioen, in verband
met het feit dat haar echtgenoot bij leven tevens gehuwd was met [naam
tweede weduwe] en laatstgenoemde eveneens in aanmerking komt voor 50%
van dit pensioen.
Naar het oordeel van de Raad blijkt uit de gedingstukken afdoende dat de
scheiding van echt tussen [naam echtgenoot] en [naam tweede weduwe],
gedateerd 5 januari 1996, bij de 'Acte de continuïté de mariage' van 2
mei 1996 is ongedaan gemaakt, zodat als vaststaand moet worden
aangenomen dat [naam echtgenoot] en [naam tweede weduwe] vanaf deze
datum formeel weer met elkaar waren gehuwd. Verder bieden de
gedingstukken geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat dit
huwelijk niet tot de ontbinding ervan door de dood van [naam echtgenoot]
heeft voortgeduurd.
Appellante heeft gesteld dat naar Marokkaans recht als vormvereiste
geldt bij een polygaam huwelijk de rechterlijke toestemming, terwijl
daarenboven de eerste echtgenote ingelicht dient te worden over het
voornemen van haar echtgenoot naast haar met nog een vrouw te willen
trouwen.
De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat de door appellante
gestelde vormfouten er niet aan af kunnen doen dat [naam echtgenoot] en
[naam tweede weduwe] vanaf 2 mei 1996 weer met elkaar waren gehuwd,
terwijl de gestelde vormfouten hooguit tot vernietigbaarheid van het
huwelijk en niet tot de nietigheid ervan kunnen leiden. Door of namens
appellante is geen actie ondernomen om het huwelijk tussen [naam
echtgenoot] en [naam tweede weduwe] door de rechter te laten
vernietigen.
Onder verwijzing (voor het overige) naar de overwegingen van de
rechtbank concludeert de Raad dat het bestreden besluit, en de uitspraak
van de rechtbank waarbij dat besluit in stand is gelaten, op goede
gronden rusten.
Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. H.J.
Simon en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der
Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|