|
Uitspraak
01/5215 ANW en 5216 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent appellant
de bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de
Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens
verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda
van 7 september 2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. P.J. Hagemeijer, werkzaam bij ARAG -
Nederland, een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 4 april 2003, waar partijen - met kennisgeving - niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde ontving een weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en
Wezenwet (AWW), dat met ingang van 1 juli 1996 van rechtswege is omgezet
in een nabestaandenuitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet
(Anw). Tevens ontvangt zij arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en een
overlevingspensioen krachtens de Belgische wetgeving. Sinds ongeveer
1992 woonde gedaagde ongehuwd samen met [naam partner] (verder: [naam
partner]). De nabestaandenuitkering van gedaagde is met toepassing van
artikel 67, derde lid, van de Anw en artikel 46, tweede lid, van
EG-verordening nr. 1408/71 met ingang van 1 januari 1998 gesteld op 0,9704 x 30% van het
nettominimumloon. Op
deze uitkering werd de arbeidsongeschiktheidsuitkering van gedaagde niet
in mindering gebracht. De nabestaandenuitkering van gedaagde bedroeg
aldus met ingang van 1 januari 1998 fl. 559,16 per maand.
Op 24 februari 1998 is [naam partner] opgenomen in het ziekenhuis, waar
hij op 27 februari 1998 is overleden. Appellant heeft bij besluiten van
1 mei 1998 de oorspronkelijke nabestaandenuitkering van gedaagde met
ingang van 1 februari 1998 beëindigd en aan gedaagde een nieuwe
nabestaandenuitkering toegekend waarop haar
arbeidsongeschiktheidsuitkering volledig in mindering wordt gebracht. De
aldus resterende nabestaandenuitkering bedroeg fl. 9,07 per maand.
Appellant heeft het onverschuldigd betaalde bedrag van fl. 1.107,56 van
gedaagde teruggevorderd.
Bij besluit van 21 september 1998 heeft appellant het bezwaar van
gedaagde tegen de intrekking van de oude nabestaandenuitkering en de
toekenning van de nieuwe nabestaandenuitkering ongegrond verklaard.
Appellant heeft hiertoe overwogen dat door het overlijden van [naam
partner] een nieuw recht op nabestaandenuitkering is ontstaan aangezien
de samenwoning van gedaagde met [naam partner] op het moment van diens
overlijden niet was verbroken.
Bij besluit van 6 januari 1999 heeft appellant het bezwaar van gedaagde
tegen de terugvordering ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft de beroepen van gedaagde tegen beide besluiten
gegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank stelt appellant
zich ten onrechte op het standpunt dat artikel 67, derde lid, tweede
volzin, van de Anw, niet ziet op situaties waarin sprake is van beëindiging
van een gezamenlijke huishouding door overlijden.
Appellant heeft hiertegen aangevoerd dat het overgangsregime uitsluitend
geldt totdat een nieuw recht op nabestaandenuitkering ontstaat, en dat
bij overlijden van de partner met wie de nabestaande al voor 1 juli 1996
een gezamenlijke huishouding voerde, krachtens artikel 67, vierde lid,
van de Anw alleen geen nieuw recht ontstaat als dit overlijden voor 1
januari 1998 plaatsvindt.
De Raad overweegt als volgt.
Overgangsrecht
Op grond van artikel 67, derde lid, in samenhang met artikel 67, eerste
lid, van de Anw heeft de persoon die direct voor de inwerkingtreding van
de ANW recht had op een weduwenpensioen ingevolge de AWW, en die op 1
juli 1996 en op 1 januari 1998 met dezelfde persoon een gezamenlijke
huishouding voert, aanspraak op een nabestaandenuitkering van 30% van
het brutominimumloon. Deze nabestaandenuitkering wordt verhoogd tot 70
% van het nettominimumloon met ingang van de eerste dag van de maand
dat de nabestaande voor 1 juli 1998 geen gezamenlijke huishouding meer
voert. Op grond van artikel 67, eerste lid, onder c, en artikel 67,
tweede lid, van de Anw, wordt in dat geval het overig inkomen van de
rechthebbende op de nabestaandenuitkering in mindering gebracht, met
dien verstande dat van de nabestaandenuitkering een bedrag ter hoogte
van 30 % van het brutominimumloon buiten aanmerking blijft, en van het
overig inkomen een bedrag ter hoogte van 70% van het brutominimumloon
wordt vrijgelaten.
Het recht op een nabestaandenuitkering die is berekend met toepassing
van de vrijlating als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onder c, Anw is
blijkens de aanhef van het eerste lid uitdrukkelijk beperkt tot de dag
waarop de betrokkene een nieuw recht op nabestaandenuitkering heeft
verkregen. Het tweede en derde lid van artikel 67 Anw zijn blijkens hun
aanhef uitsluitend van toepassing op personen bedoeld in het eerste lid.
Derhalve kan naar het oordeel van de Raad zowel van een verhoging van de
nabestaandenuitkering op de voet van artikel 67, derde lid, tweede
volzin, van de Anw, als van een toepassing van de overgangsrechtelijke
vrijlatingsregel als verwoord in artikel 67, tweede lid, van de Anw,
uitsluitend sprake zijn indien en zolang de nabestaande geen nieuw recht
op nabestaandenuitkering heeft verworven. Steun voor deze opvatting
vindt de Raad in de Memorie van Toelichting bij de Wet van 4 juli 1996
tot wijziging van de Algemene nabestaandenwet, waarin is opgemerkt dat
het overgangsregime uitsluitend geldt tot het moment dat op basis van de
Anw een nieuw recht op nabestaandenuitkering ontstaat (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1995-1996, 24 693, nr. 3, pag. 6). De Raad dient derhalve
vast te stellen of gedaagde aan het overlijden van [naam partner] een
nieuw recht op nabestaandenuitkering ontleent.
Gedaagde heeft primair gesteld dat voor haar geen nieuw recht op
nabestaandenuitkering is ontstaan omdat haar gezamenlijke huishouding
met [naam partner] ten tijde van diens overlijden reeds was verbroken.
Volgens een verklaring van een dochter van [naam partner] zou [naam
partner], als hij uit het ziekenhuis was gekomen, bij deze dochter zijn
gaan wonen, omdat zijn gestaag verslechterende gezondheid de verzorging
door gedaagde steeds zwaarder maakte. Hoewel de Raad niet uitsluit dat
er vóór het overlijden van [naam partner] voorbereidingen zijn
getroffen voor een verhuizing naar zijn dochter, vormt genoemde
verklaring toch onvoldoende grondslag voor het oordeel dat ten tijde van
de opname van [naam partner] in het ziekenhuis reeds een definitieve
verbreking van de gezamenlijke huishouding had plaatsgevonden mede in
aanmerking genomen dat die reeds jarenlang bestaande plannen nog niet
tot concrete stappen ter uitvoering hadden geleid.
Op grond van artikel 67, vierde lid, van de Anw, zoals dit van kracht
was ten tijde in geding, ontstaat voor de persoon die op 1 juli 1996 een
gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon, bij overlijden
van die andere persoon geen nieuw recht op nabestaandenuitkering, indien
dit overlijden plaatsvindt voor 1 januari 1998. Zowel uit de tekst van
deze bepaling als uit de Memorie van Toelichting bij de Wet van 4 juli
1996 (pag. 2, 3 en 8) blijkt dat bij een later overlijden van de partner
wel een nieuw recht op nabestaandenuitkering ontstaat. De Raad kan uit
de parlementaire geschiedenis bij de Wet tot wijziging van de Algemene
nabestaandenwet in verband met gebleken onbillijkheden niet lezen dat de
wetgever door de toevoeging van de tweede volzin aan artikel 67, derde
lid, van de Anw, heeft willen afdoen aan het uitgangspunt dat het
overgangsregime uitsluitend geldt tot het moment dat op basis van de Anw
een nieuw recht op nabestaandenuitkering ontstaat, en dat genoemde
volzin derhalve ook van toepassing zou moeten worden geacht op de
nabestaanden van wie de partner tussen 1 januari 1998 en 1 juli 1998 is
overleden (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 900, nr. 3, pag. 6
en pag. 15; nr. 6, pag. 11 en 12). Veeleer leidt de Raad uit het feit
dat artikel 67, vierde lid van de Anw, bij deze wetswijziging
ongewijzigd is gelaten, af, dat de wetgever het bestaande regime voor
personen die op 1 juli 1996 een gezamenlijke huishouding voerden en van
wie de partner kwam te overlijden, onverkort heeft willen handhaven.
Nu [naam partner] na 1 januari 1998 is overleden staat artikel 67, derde
lid van de Anw, derhalve niet in de weg aan het ontstaan van een nieuw
recht op nabestaandenuitkering voor gedaagde.
Aangezien gedaagde ook overigens voldoet aan de voorwaarden voor het
ontstaan van een recht op nabestaandenuitkering in verband met het
overlijden van [naam partner], had gedaagde geen recht op een verhoging
van haar oorspronkelijke nabestaandenuitkering tot 70 % van het
nettominimumloon op de voet van artikel 67, derde lid, tweede volzin
van de Anw. De rechtbank heeft de bestreden besluiten dan ook ten
onrechte op deze grond vernietigd.
De Raad dient vervolgens te beoordelen of de bestreden besluiten om
enige andere reden niet in stand kunnen blijven.
Gedaagde heeft aangevoerd dat een vrijwillige beëindiging van een
gezamenlijke huishouding haar in een gunstiger positie zou hebben
gebracht dan de beëindiging van haar gezamenlijke huishouding door het
overlijden van [naam partner]. Voorts meent zij dat de onderhavige
overgangsregeling in strijd is met het internationale recht, nu de in
verdragen voorziene minimumuitkering niet wordt verstrekt en de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van gedaagde volledig op haar uitkering
in mindering wordt gebracht.
Ongelijke behandeling
Gedaagde heeft kennelijk willen aanvoeren dat de wetgever een door
artikel 26 IVBPR verboden ongelijke behandeling tot stand heeft gebracht
tussen personen wier gezamenlijke huishouding is beëindigd door
overlijden, en personen van wie de gezamenlijke huishouding door een
andere oorzaak is geëindigd.
De Raad kan gedaagde in deze stelling niet volgen. Blijkens de Memorie
van Toelichting bij de Wet tot wijziging van de Algemene nabestaandenwet
in verband met gebleken onbillijkheden is de mogelijkheid van herleving
van een nabestaandenuitkering bij beëindiging van een gezamenlijke
huishouding binnen zes maanden nadat deze uitkering wegens het voeren
van een gezamenlijke huishouding is beëindigd, met name in de wet
opgenomen om personen die voor hen onverwacht een gezamenlijke
huishouding in de zin van de wet blijken te voeren, niet onverhoeds te
confronteren met een definitieve beëindiging van hun uitkering. Om
redenen van rechtszekerheid is deze bepaling van toepassing op alle
gevallen waarin de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren,
de uitkeringsgevolgen daarvan aanvaardt, maar de gezamenlijke
huishouding binnen korte tijd beëindigt. In overgangsgevallen heeft de
wetgever personen die per 1 januari 1998 geconfronteerd werden met een
verlaging van hun uitkering omdat zij een gezamenlijke huishouding
voerden, een gelijke bedenktijd willen geven.
In geval van beëindiging van de gezamenlijke huishouding door
overlijden van de partner is van een definitieve beëindiging of
verlaging van de nabestaandenuitkering echter geen sprake. Er ontstaat
immers een nieuw recht op een in beginsel volledige uitkering, waarop
het inkomen volgens de reguliere bepalingen van de Anw in mindering
wordt gebracht. Weliswaar wordt de inkomensonafhankelijkheid van een
uitkering(sdeel) ter hoogte van 30 % van het brutominimumloon niet
gehandhaafd, maar een onverkorte bescherming van dit
overgangsrechtelijke voordeel is niet het doel geweest waarmee de
wetgever de herlevingsregeling in de Anw heeft opgenomen.
Het onderscheid tussen personen wier gezamenlijke huishouding is beëindigd
door overlijden, en personen van wie de gezamenlijke huishouding door
een andere oorzaak is geëindigd, berust derhalve op redelijke en
objectieve gronden.
De Raad merkt hierbij overigens nog op dat artikel 67, vierde lid van de
Anw, niet afdeed aan de mogelijkheid voor ongehuwd samenwonenden om -
uiteraard vóór het moment van overlijden van één van hen - de
samenwoning op vrijwillige basis te beëindigen en aldus artikel 67,
derde lid, tweede volzin van de Anw, op zich van toepassing te doen
worden.
Minimumnormverdragen
Gedaagde heeft doen stellen dat de onderhavige regeling in strijd is met
het internationale recht, nu de in verdragen voorziene minimumuitkering
niet wordt verstrekt en de arbeidsongeschiktheidsuitkering van gedaagde
volledig op haar uitkering in mindering wordt gebracht. Gedaagde heeft
hierbij kennelijk het oog op met name artikel 28, sub b, van het Verdrag
128 betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan
nagelaten betrekkingen van 29 juni 1967, Trb. 1968, 131 (hierna:
ILO-conventie 128) en artikel 67, sub b, van de Europese Code inzake
sociale zekerheid van 16 april 1964, Trb. 1965, 47 (hierna: de Europese
Code). De Raad heeft in zijn uitspraak van 24 januari 2001, RSV
2001/138, reeds overwogen dat deze normverdragen een instructiekarakter
dragen en gericht zijn tot de verdragsluitende partijen, hetgeen in het
algemeen in de weg zal staan aan de mogelijkheid van het inroepen van
een rechtens afdwingbare aanspraak op een concrete prestatie in een
individueel geval. Bij uitspraak van 4 april 2003, nr. 99/4861, heeft de
Raad in het bijzonder met betrekking tot artikel 28 van ILO-conventie
128 overwogen dat een staat geacht wordt aan artikel 28 te voldoen als
het collectieve beschermingsniveau adequaat is, zonder daarbij acht te
slaan op datgene wat in het individuele geval tot uitbetaling komt, en
dat de verdragsluitende partijen op verschillende wijzen inhoud kunnen
geven aan die instructienormen, zodat deze moeilijk te sublimeren zijn
tot een rechtens afdwingbare norm voor burgers. De Raad is tot het
oordeel gekomen dat de artikelen 28, sub b, van ILO-conventie 128 en 67,
sub b van de Europese Code niet geacht kunnen worden een eenieder
verbindende bepaling te bevatten in de zin van de artikelen 93 en 94 van
de Grondwet die in beginsel door de burger voor de rechter kan worden
ingeroepen.
Een beroep op genoemde bepalingen kan derhalve niet leiden tot het door
gedaagde gewenste resultaat.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande is de Raad van oordeel dat appellant de
oorspronkelijke nabestaandenuitkering van gedaagde op goede gronden met
ingang van 1 februari 1998 heeft beëindigd. Van onjuistheden bij de
vaststelling van de nabestaandenuitkering die haar met ingang van die
datum is toegekend, is niet gebleken. Gedaagde heeft tegen de
terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag geen zelfstandige
bezwaren ingebracht. Ook overigens ziet de Raad geen aanleiding om het
bestreden besluit van 6 januari 1999 voor onjuist te houden. De
aangevallen uitspraak dient derhalve te worden vernietigd onder
ongegrondverklaring van de inleidende beroepen.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake
een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de inleidende beroepen ongegrond.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2003.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|