|
Uitspraak
01/4025 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant is mr. H. Cornelis, advocaat te Utrecht, op bij
aanvullend beroepschrift annex bijlage aangegeven gronden in hoger
beroep gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 juni
2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 april 2003, waar
appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Cornelis
voornoemd, terwijl voor gedaagde is verschenen J.Y van den Berg,
werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Naar aanleiding van de aanvraag van appellant gedateerd 7 maart 1996
heeft gedaagde aan appellant met ingang van 1 februari 1996 een uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet
toegekend, welke per 1 juli 1996 van rechtswege is omgezet in een
uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Appellant heeft in augustus 1997 aan gedaagde een 'Inkomstenopgaveformulier
Anw-gerechtigden' doen toekomen, vergezeld van een pensioenafrekening
van de 'Stichting Pensioenfonds Stork'. Genoemde afrekening had
betrekking op de maand maart 1997. Uit de afrekening blijkt dat
appellant naast zijn particuliere invaliditeitspensioen een uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangt. Het
netto in die maand uitbetaalde bedrag bedroeg fl. 2.403,76. Daarnaast
bevatte deze afrekening cumulatieve gegevens van de inkomsten van
appellant over de maanden januari tot en met maart 1997.
Bij besluit van 27 oktober 1997 heeft gedaagde appellants
nabestaandenuitkering per 1 januari 1998 vastgesteld op fl. 1.831,76 bruto per maand. In dit besluit is overwogen dat op grond
van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw appellants inkomen is
vastgesteld op fl. 1.200,99 per maand. Dit is inkomen in verband met
arbeid. In de toelichting bij dit besluit wordt nog aangegeven dat deze
vaststelling plaatsvindt op basis van de door appellant via het
inlichtingenformulier verstrekte gegevens.
In december 1998 heeft appellant aan gedaagde opnieuw een
inkomstenopgaveformulier doen toekomen, vergezeld van een
pensioenafrekening. Naar aanleiding van laatstgenoemde opgave heeft
gedaagde geconstateerd dat bij de beslissing van 27 oktober 1997 het
inkomen van appellant onjuist is beoordeeld. De maandopgave is per abuis
aangezien voor een kwartaalspecificatie.
Op 18 februari 1999 is appellant ter zake bezocht door een
buitendienstmedewerker van gedaagde. Appellants schoonzoon was bij het
gesprek aanwezig. Onder de gedingstukken bevindt zich een afschrift van
een verslag van dit gesprek opgemaakt door de buitendienstmedewerker.
Uit dit verslag valt op te maken dat in het gesprek de financiële
consequenties voor appellant van de onjuiste vaststelling van zijn
inkomen besproken zijn.
Bij besluit van 30 maart 1999 heeft gedaagde appellants uitkering
ingevolge de Anw per 1 januari 1998, per 1 april 1998, per 1 juli 1998
en per 1 januari 1999 herzien en per genoemde data vastgesteld op
respectievelijk fl. 694,86, fl. 694,61, fl. 704,12 en fl. 719,33 (bruto)
per maand exclusief vakantie-uitkering. De ten onrechte betaalde
nabestaandenuitkering en eventuele vakantie-uitkering over de periode
januari 1998 tot en met januari 1999 van fl. 14.331,02 wordt
teruggevorderd. Bij brief gedateerd 12 april 1999 heeft appellant tegen
dit besluit bezwaar aangetekend.
Onder de gedingstukken bevindt zich een afschrift van een tweede verslag
van de hiervoor genoemde buitendienstmedewerker, dit maal naar
aanleiding van een telefoongesprek met appellant. De medewerker geeft
aan dat appellants schoonzoon diens financiële zaken behartigt. De
medewerker merkt op zich niet te kunnen voorstellen dat het schrijven
van de SVB, waarin een inkomen is vastgesteld van fl. 1.200,99 per
maand, niet is opgevallen. De medewerker stelt te hebben uitgelegd dat
het natuurlijk nooit zo kan zijn dat dan de schuld maar wordt
kwijtgescholden.
Bij brief van 22 oktober 1999 zijn namens appellant de gronden van het
bezwaar aangevuld. Aangegeven wordt dat het appellant bekend was dat de
Anw per 1 januari 1998 inkomensafhankelijk zou worden. Tevens was hem
bekend dat de nabestaandenuitkering per genoemde datum omlaag zou gaan.
Appellant was derhalve verbaasd dat blijkens het besluit van 27 oktober
1997 de uitkering hetzelfde bleef.
Hij heeft toen navraag gedaan bij zijn schoonzuster, die als
administratief medewerkster werkt bij de SVB. Deze verklaarde, na zelf
bij een medewerker Anw navraag te hebben gedaan, dat de zaak in orde
was. Uit de tekst van het besluit van 27 oktober 1997 heeft appellant niet kunnen opmaken dat dat anders lag.
Het besluit spreekt immers over de vaststelling van het inkomen op grond
van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw en inkomen in verband met
arbeid. Het is appellant geheel niet duidelijk geworden dat daarmee zijn
WAO-uitkering werd bedoeld. Opgemerkt wordt verder dat appellant geheel
aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan. Hij kon er dan ook
vanuit gaan dat zijn uitkering correct was vastgesteld. Appellant heeft
geen bezwaar tegen de herziening van de uitkering, maar wel tegen de
herziening met terugwerkende kracht. Appellant treft in het geheel geen
verwijt.
Daarenboven dient aldus de gemachtigde op grond van dringende redenen
geen terugwerkende kracht verder dan tot 31 januari 1999 te worden aangenomen. Appellant zal onevenredig grote
financiële schade lijden. Omdat appellant met ingang van december 1999
een uitkering ingevolge de AOW zal ontvangen, ontstaat een
belastingnadeel door de bruto terugvordering. Tevens heeft appellant in
het jaar 1998 in verband met de hoogte van zijn inkomen een particuliere
ziektekostenverzekering moeten afsluiten, terwijl dit bij een juiste
Anw-uitkering niet nodig zou zijn geweest. Gesteld wordt verder dat de
buitendienstmedewerker bij zijn bezoek aan appellant gezegd zou hebben
dat alle kosten van de ziektekostenverzekering en het belastingnadeel
van het terug te vorderen bedrag zouden worden afgetrokken.
Uit een zich onder de gedingstukken bevindende rapportage van gedaagde
blijkt dat appellants schoonzuster heeft verklaard dat zij tegenover
appellant heeft aangegeven dat appellants inkomen(sformulier) door hem
juist was ingevuld. Als administratief medewerkster is zij niet bekend
met de berekening van inkomens en vaststelling van de Anw-uitkering.
Door haar is dienaangaande ook geen actie ondernomen naar een
beoordelaar toe. Zij is er, met appellant, van uitgegaan dat het inkomen
op basis van de door appellant aangeleverde gegevens juist was
vastgesteld.
Tijdens de hoorzitting is namens appellant verklaard dat hij
redelijkerwijs niet kon weten, gezien het specifieke inkomensbegrip in
de Anw, dat zijn inkomen onjuist was vastgesteld. Daarnaast heeft hij
dienaangaande, omdat hij vermoedde dat er een fout was gemaakt, zelf
actie ondernomen. Doordat de fout niet snel is gecorrigeerd, is de
schade onnodig opgelopen. Gesteld wordt verder dat de
buitendienstmedewerker die appellant heeft bezocht, heeft toegezegd dat
alle kosten van de ziekenfondsverzekering en het belastingnadeel op de
terugvordering in mindering zouden worden gebracht. Volgens appellant
bedraagt de eigenlijke schade geen fl. 14.000, maar fl. 20.000,-.
Bij besluit van 23 december 1999 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond
verklaard. Aangegeven wordt dat er geen dringende redenen zijn om van
herziening, dan wel terugvordering, af te zien. Appellant had
redelijkerwijs moeten weten dat aan hem te veel uitkering werd betaald.
Het verschil tussen zijn werkelijke inkomen en het vastgestelde inkomen
was te groot om niet te worden opgemerkt. Daar komt bij dat appellant
zelf al vermoedde dat er een fout was gemaakt. Opgemerkt wordt verder
dat het feit dat gedaagde een wijziging in de gegevens te laat doorvoert
geen dringende redenen oplevert om van terugvordering af te zien.
Uit de gedingstukken blijkt dat namens appellant bij brief gedateerd 22
februari 2000 bij gedaagde een zelfstandig verzoek is ingediend om
schadevergoeding.
In verweer in eerste aanleg is namens gedaagde opgemerkt dat het juist
is dat appellant de informatie tijdig heeft verstrekt en gedaagde een
fout heeft gemaakt bij de berekening van het inkomen. Hoewel gedaagde
deze fout ten zeerste betreurt kan dit enkele feit er niet toe leiden
dat van herziening van de uitkering met terugwerkende kracht wordt
afgezien. Betoogd wordt dat appellant redelijkerwijs had moeten
begrijpen dat zijn uitkering onjuist was vastgesteld. Appellant had
gedaagde dienen te informeren over de onjuiste vaststelling van het
inkomen. Met betrekking tot de gestelde schade wordt opgemerkt dat ook
appellant een verwijt kan worden gemaakt. Had hij tijdig gedaagde geïnformeerd
over de onjuiste vaststelling van zijn inkomen, dan had de schade
voorkomen kunnen worden.
Bij besluit van 22 november 2000 heeft gedaagde het besluit op bezwaar
van 23 december 1999 ingetrokken, omdat het terugvorderingsbesluit een
invorderingsclausule ontbeerde, en is dit besluit vervangen door een
nieuw besluit. Bij dit besluit is het bezwaar gegrond verklaard voor wat
betreft het ontbreken van een invorderingsclausule en voor het overige
ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 22 november 2000
ongegrond verklaard. In verband met de intrekking van het besluit op
bezwaar van 23 december 1999, en de vervanging van dat besluit door het
besluit van 22 november 2000, heeft zij gedaagde veroordeeld tot
betaling van proceskosten en vergoeding van het griffierecht. Zij heeft
verder geoordeeld dat appellant, gezien het oordeel van de rechtbank met
betrekking tot het besluit van 22 november 2000, geen belang heeft bij
een gegrondverklaring van het beroep en een vernietiging van het besluit
van 23 december 1999.
In hoger beroep zijn namens appellant de in bezwaar en beroep
aangevoerde grieven in essentie herhaald.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de in
het besluit van 30 maart 1999 vastgestelde aanspraken van appellant op
uitkering ingevolge de Anw vanaf 1 januari 1998 juist zijn en dat
gedaagde aan appellant per genoemde data te veel nabestaandenuitkering
heeft betaald. Tussen partijen is in geschil of gedaagde met recht
appellants uitkeringen met terugwerkende kracht tot 1 januari 1998 heeft
herzien en, zo die vraag bevestigend zou moeten worden beantwoord, of
gedaagde met recht is overgegaan tot terugvordering van de te veel
betaalde uitkering ad fl. 14.331,02.
Met betrekking tot de herziening van het recht op Anw-uitkering merkt de
Raad op dat uit artikel 34, eerste lid van de Anw volgt dat indien de
uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, gedaagde
gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken.
Uitgangspunt van artikel 34 van de Anw is blijkens de memorie van toelichting dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden
(Kamerstukken II 1994-1995, 23 909, nr. 3). In de memorie van antwoord aan de Eerste
Kamer is daaraan echter toegevoegd dat in het wetsvoorstel wordt
aangesloten bij het rechtszekerheidsbeginsel uit de rechtspraak
inhoudend dat herziening/intrekking van een uitkering niet is toegestaan
tenzij betrokkene had kunnen begrijpen dat hij geen recht op uitkering
had (Kamerstukken I 1995-1996, 23 909, nr. 114b).
Gedaagde heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van
besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht,
waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het
vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is
dat gedaagde niet tot herziening of intrekking met volledige
terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen
is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de
uitkering ten onrechte werd verleend. De Raad heeft al eerder geoordeeld
dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of
ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder
voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van de rechtszekerheid en
het vertrouwensbeginsel. Namens appellant is betoogd dat hij
redelijkerwijs niet heeft kunnen onderkennen dat aan hem tot een te hoog
bedrag Anw-uitkering werd betaald.
De Raad kan appellant in dit betoog niet volgen. Uit de gedingstukken
blijkt dat appellant bekend was met het feit dat de Anw per 1 januari
1998 inkomensafhankelijk zou worden. Verder is verklaard dat het
appellant bekend was dat de nabestaandenuitkering per genoemde datum
omlaag zou gaan. Toen uit het besluit van 27 oktober 1997 bleek dat de
uitkering hetzelfde bleef verbaasde dit appellant. Hij heeft toen
navraag gedaan bij zijn schoonzuster. Deze werkte als administratief
medewerkster bij de SVB en heeft, zo blijkt uit haar eigen verklaring,
alleen appellants inkomensgegevens gecontroleerd. Zij heeft ter zake van
de juistheid van de vaststelling van appellants inkomen, in het kader
van de toepassing van de Anw, geen actie ondernomen naar een beoordelaar
toe. Verder is ter zitting komen vast te staan dat appellant ter zake
van de juistheid van die vaststelling destijds geen contact op heeft
genomen met gedaagde.
In het licht van de vorenstaande feiten en omstandigheden, mede gelet op
de bijzonder grote discrepantie tussen appellants (bruto) inkomen en het
door gedaagde vastgestelde (bruto) inkomen en het feit dat in de bijlage
bij het besluit wordt aangegeven dat de berekening van het inkomen is
gebaseerd op het door appellant opgegeven inkomen, had het appellant,
naar het oordeel van de Raad, redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat
hij per 1 januari 1998 te veel uitkering ontving.
Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde dan ook met recht geoordeeld
dat er in het onderhavige geval - ook in zijn beleid - geen redenen zijn
om van herziening met terugwerkende kracht van appellants recht op
Anw-uitkering met ingang van 1 januari 1998 af te zien.
Ingevolge artikel 53 van de Anw wordt, voor zover hier van belang, een
uitkering die onverschuldigd is betaald, teruggevorderd. Uit deze
bepaling volgt verder dat op grond van dringende redenen geheel of
gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien. Zoals de Raad reeds
meermalen heeft overwogen kunnen dringende redenen als hier bedoeld
slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de - financiële en/of
sociale - gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft.
Appellant heeft, onder meer in dit verband, gewezen op de financiële
schade die hij leidt ten gevolge van de onjuiste vaststelling door
gedaagde van zijn recht op Anw-uitkering. De Raad moet evenwel
constateren dat gesteld noch gebleken is dat appellant ten gevolge van
de terugvordering in een noodsituatie als hiervoor bedoeld terechtkomt,
zodat zijn beroep op een dringende reden om van terugvordering af te
zien faalt.
Het vorenstaande laat onverlet dat ook een gebonden beschikking als waar
het hier om gaat, getoetst kan worden aan de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur. In het onderhavige geval is in dit verband van
belang dat namens appellant is betoogd dat het bestreden besluit in
strijd is met het vertrouwensbeginsel. Door gedaagdes
buitendienstmedewerker zou zijn toegezegd dat appellants schade met de
terugvordering zou worden verrekend.
Dienaangaande merkt de Raad op dat in het onderhavige geval een beroep
wordt gedaan op mondelinge uitlatingen van een buitendienstmedewerker.
Door gedaagde wordt ontkend dat enige toezegging als gesteld door
appellant zou zijn gedaan. Op grond van deze gegevens moet de Raad
constateren dat inhoud noch draagwijdte van genoemde uitlatingen
afdoende in rechte zijn vast komen te staan, zodat appellants beroep op
het vertrouwensbeginsel niet kan slagen.
Tenslotte is namens appellant een beroep gedaan op het
zorgvuldigheidsbeginsel. Betoogd is dat appellant als gevolg van een
fout van gedaagde onevenredig grote financiële schade leidt. Gewezen is
op het belastingnadeel dat appellant leidt en de kosten voor de
particuliere ziektekostenverzekering die hij heeft moeten afsluiten.
Naar het oordeel van appellant brengt een redelijke wetstoepassing met
zich mee dat bij het maken van een fout door een uitvoeringsorgaan bij
de omvang van de terugvordering rekening wordt gehouden met dit financiële
nadeel. Het is immers nooit de bedoeling van de wetgever geweest dat bij
terugvordering van te veel betaalde uitkering de betrokkene ook nog eens
extra financieel nadeel leidt.
De Raad is van oordeel dat gedaagde, bij de wettelijk verplichte
terugvordering als hier aan de orde, in beginsel niet gerechtigd is om
bij de vaststelling van het terug te vorderen bedrag rekening te houden
met mogelijke schade voortvloeiend uit het, naar achteraf is gebleken,
onjuiste toekenningsbesluit van 27 oktober 1997. Appellant kan de
gestelde schade via een bestuursrechtelijke of civielrechtelijk
procedure trachten op gedaagde te verhalen. Overigens is inmiddels
gebleken dat appellant ten aanzien van de hiervoor bedoelde schade een
verzoek om een zelfstandig schadebesluit bij gedaagde heeft ingediend,
op welk verzoek, zoals ter zitting is gebleken, binnen afzienbare
termijn door gedaagde beslist zal worden.
Uit het voorafgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2003.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|