|
Uitspraak
00/1495 ANW en 00/1716 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats], appellant en tevens gedaagde,
hierna: betrokkene,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde en tevens
appellant, hierna: de Svb.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de
taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens
verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Partijen hebben op daartoe bij hun beroepschriften aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ´s-Hertogenbosch
van 15 februari 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Partijen hebben beide een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 juli 2003, waar
betrokkene in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Betrokkene, geboren [in] 1939, ontving vanaf 1 februari 1988 een
weduwnaarspensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), dat
met ingang van 1 juli 1996 van rechtswege is omgezet in een
nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Tevens ontvangt hij een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). In 1997 heeft betrokkene
desgevraagd aan de Svb medegedeeld dat hij vanaf 1989 een gezamenlijke
huishouding voert met mevrouw [naam mevrouw], geboren [in] 1945. De
nabestaandenuitkering van betrokkene is met toepassing van artikel 67,
derde lid, van de Anw met ingang van 1 januari 1998 vastgesteld op f
586,27 bruto per maand.
Mevrouw [naam mevrouw] is [in] 1998 overleden. Betrokkene heeft het
overlijden van mevrouw [naam mevrouw] op 24 september 1998 aan de Svb
gemeld, waarna betrokkene op verzoek van de Svb een aanvraag om een
nabestaandenuitkering heeft ingediend. Bij beslissing op bezwaar van 8
juni 1999 heeft de Svb zijn besluit van 19 januari 1999 gehandhaafd,
waarbij aan betrokkene is medegedeeld dat hij met ingang van 1 september
1998 recht heeft op een inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering, maar
dat deze uitkering niet tot uitbetaling komt als gevolg van de hoogte
van zijn inkomen in verband met arbeid. Tevens heeft de Svb medegedeeld
dat de aanspraak van betrokkene op een inkomensonafhankelijke uitkering
komt te vervallen en dat de teveel betaalde Anw-uitkering vanaf
september 1998 tot en met november 1998 ad f 2.085,- wordt
teruggevorderd.
De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat de Svb terecht heeft
beslist dat voor betrokkene met het overlijden van mevrouw [naam
mevrouw] een nieuw recht op nabestaandenuitkering is ontstaan. Daarbij
heeft de rechtbank overwogen dat de redactie van artikel 67 van de Anw
geen ruimte laat voor een andere interpretatie dan dat bij het ontstaan
van een nieuw recht op nabestaandenuitkering de eerder toegekende, deels
inkomensonafhankelijke, nabestaandenuitkering eindigt. De rechtbank
heeft het bestreden besluit niettemin vernietigd, omdat zij van oordeel
is dat het volledig in mindering brengen van de WAO-uitkering van
betrokkene op de Anw-uitkering, in strijd is met artikel 28, aanhef en
onder b, van het Verdrag 128 betreffende uitkeringen bij invaliditeit en
ouderdom en aan nagelaten betrekkingen van 29 juni 1967, Trb. 1968, 131
(hierna: ILO-conventie 128) en artikel 67, aanhef en onder b, van de
Europese Code inzake sociale zekerheid van 16 april 1964, Trb. 1965, 47
(hierna: de Europese Code).
Betrokkene heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank omtrent
artikel 67 van de Anw aangevochten, omdat niet letterlijk in de Anw is
vermeld dat het oude recht ingetrokken moet worden. Voorts heeft de Svb
het oordeel van de rechtbank omtrent ILO-conventie 128 en de Europese
Code betwist, onder verwijzing naar in andere procedures hieromtrent
aangevoerde gronden.
De Raad overweegt het volgende.
Ten aanzien van de aanspraak van betrokkene op een deels
inkomensonafhankelijke nabestaandenuitkering stelt dat de Raad voorop
dat op grond van artikel 67, derde lid, in samenhang met artikel 67,
eerste lid, van de Anw de persoon die direct voor de inwerkingtreding
van de Anw recht had op een weduwenpensioen ingevolge de AWW, en die op
1 juli 1996 en op 1 januari 1998 met dezelfde persoon een gezamenlijke
huishouding voert, aanspraak heeft op een nabestaandenuitkering van 30%
van het brutominimumloon. Deze nabestaandenuitkering wordt verhoogd tot
70 % van het nettominimumloon met ingang van de eerste dag van de maand
dat de nabestaande voor 1 juli 1998 geen gezamenlijke huishouding meer
voert. Op grond van artikel 67, eerste lid, onder c, en artikel 67,
tweede lid, van de Anw, wordt in dat geval het overig inkomen van de
rechthebbende op de nabestaandenuitkering in mindering gebracht, met
dien verstande dat van de nabestaandenuitkering een bedrag ter hoogte
van 30 % van het brutominimumloon buiten aanmerking blijft, en van het
overig inkomen een bedrag ter hoogte van 70% van het brutominimumloon
wordt vrijgelaten.
Het recht op een nabestaandenuitkering die is berekend met toepassing
van de vrijlating als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onder c, Anw is
blijkens de aanhef van het eerste lid uitdrukkelijk beperkt tot de dag
waarop de betrokkene een nieuw recht op nabestaandenuitkering heeft
verkregen. Het tweede en derde lid van artikel 67 Anw zijn blijkens hun
aanhef uitsluitend van toepassing op personen bedoeld in het eerste lid.
Derhalve kan naar het oordeel van de Raad zowel van een verhoging van de
nabestaandenuitkering op de voet van artikel 67, derde lid, tweede
volzin, van de Anw, als van een toepassing van de overgangsrechtelijke
vrijlatingsregel als verwoord in artikel 67, tweede lid, van de Anw,
uitsluitend sprake zijn indien en zolang de nabestaande geen nieuw recht
op nabestaandenuitkering heeft verworven. Steun voor deze opvatting
vindt de Raad in de Memorie van Toelichting bij de Wet van 4 juli 1996
tot wijziging van de Algemene nabestaandenwet, waarin is opgemerkt dat
het overgangsregime uitsluitend geldt tot het moment dat op basis van de
Anw een nieuw recht op nabestaandenuitkering ontstaat (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1995-1996, 24 693, nr. 3, pag. 6).
Nu betrokkene, ook gelet op artikel 67, derde lid, tweede volzin, van de
Anw, voldoet aan de voorwaarden voor het ontstaan van een (nieuw) recht
op nabestaandenuitkering in verband met het overlijden van mevrouw [naam
mevrouw], had betrokkene geen recht meer op voortzetting (of verhoging)
van zijn oorspronkelijke nabestaandenuitkering vanaf 1 september 1998. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld
dat bij het ontstaan van een nieuw recht op nabestaandenuitkering de
eerder toegekende, deels inkomensonafhankelijke, nabestaandenuitkering
eindigt.
Ten aanzien van het oordeel van de rechtbank omtrent ILO-conventie 128
en de Europese Code merkt de Raad allereerst op dat hij in zijn
uitspraak van 24 januari 2001, RSV 2001/138, reeds heeft overwogen dat
deze normverdragen een instructiekarakter dragen en gericht zijn tot de
verdragsluitende partijen, hetgeen in het algemeen in de weg zal staan
aan de mogelijkheid van het inroepen van een rechtens afdwingbare
aanspraak op een concrete prestatie in een individueel geval. Bij
uitspraak van 4 april 2003, nr. 99/4861 Anw, heeft de Raad in het
bijzonder met betrekking tot artikel 28 van ILO-conventie 128 overwogen
dat een staat geacht wordt aan artikel 28 te voldoen als het collectieve
beschermingsniveau adequaat is, zonder daarbij acht te slaan op datgene
wat in het individuele geval tot uitbetaling komt, en dat de
verdragsluitende partijen op verschillende wijzen inhoud kunnen geven
aan die instructienormen, zodat deze moeilijk te sublimeren zijn tot een
rechtens afdwingbare norm voor burgers. De Raad is tot het oordeel
gekomen dat de artikelen 28, sub b, van ILO-conventie 128 en 67, sub b
van de Europese Code niet geacht kunnen worden een eenieder verbindende
bepaling te bevatten in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet
die in beginsel door de burger voor de rechter kan worden ingeroepen.
Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte in
strijd heeft geacht met voornoemde normverdragen, zodat de aangevallen
uitspraak niet in stand kan blijven.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van de Svb
slaagt, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en het
inleidend beroep ongegrond verklaard dient te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 augustus
2003.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|