|
Uitspraak
99/5747 ANW en 99/5748 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante heeft mr. M.W.A. Scheffer, advocaat te Aalsmeer, op
daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 12 oktober
1999, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Voorts heeft gedaagde bij
faxbericht van 12 februari 2001 een stuk aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 februari 2001,
waar appellante - met kennisgeving - niet is verschenen en waar gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door H. van der Most, werkzaam bij de
Sociale verzekeringsbank.
Na de behandeling ter zitting is het onderzoek in deze procedure
heropend.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 18 juli 2003,
waar appellante - met kennisgeving - niet is verschenen en waar gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans, werkzaam bij
de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante, geboren [in] 1935, heeft op 12 september 1996 een aanvraag
om een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw)
bij gedaagde ingediend in verband met het overlijden van haar echtgenoot
op 21 augustus 1996. Blijkens een opgave van het Pensioenfonds PGGM
ontvangt appellante vanaf 1 augustus 1996 een overbruggingsuitkering
(hierna: OBU-uitkering) van f 2.907,13 bruto per maand inclusief
overhevelingstoeslag.
Bij beslissing op bezwaar van 13 december 1996 (hierna: besluit 1) heeft
gedaagde gehandhaafd zijn besluit van 25 september 1996, waarbij is
vastgesteld dat de nabestaandenuitkering van appellante niet tot
uitbetaling komt op de grond dat de OBU-uitkering, die als inkomen in
verband met arbeid moet worden aangemerkt en volledig op de
nabestaandenuitkering in mindering moet worden gebracht, hoger is dan de
nabestaandenuitkering ingevolge de Anw. Vervolgens heeft gedaagde bij
besluit van 25 februari 1998 (hierna: besluit 2) op grond van het
inmiddels met terugwerkende kracht gewijzigde Inkomens- en samenloopbesluit Anw de nabestaandenuitkering van appellante ingaande 1
augustus 1996 vastgesteld op f 674,30 bruto per maand. Op basis van het
gewijzigde Inkomens- en samenloopbesluit Anw wordt de OBU-uitkering
alsnog aangemerkt als inkomen uit arbeid, als gevolg waarvan een deel
ervan, te weten 50% van het bruto minimumloon alsmede een derde van het
meerdere buiten aanmerking wordt gelaten.
De rechtbank heeft het beroep van appellante mede gericht geacht tegen
besluit 2. Omdat appellante geen belang meer had bij een inhoudelijke
beoordeling van besluit 1 heeft de rechtbank het beroep voorzover
gericht tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de
rechtbank overwogen dat besluit 2 niet in strijd is met het nationale
recht en dat artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag
tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
(EVRM) niet is geschonden, dat geen sprake is van een verboden
onderscheid in de zin van artikel 26 van het Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en dat het besluit
evenmin in strijd is met het Verdrag 121 betreffende prestaties bij
arbeidsongevallen en beroepsziekten (Trb. 1965, 16 en 1966, 137, hierna:
ILO-conventie 121), het Verdrag 128 betreffende uitkeringen bij
invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen (Trb. 1968, 131,
hierna: ILO-conventie 128) en de Europese Code inzake sociale zekerheid
van 16 april 1964 (Trb. 1965, 47, hierna: de Europese Code).
Appellante heeft in hoger beroep in het bijzonder doen aanvoeren dat zij
en haar overleden echtgenoot in de jaren 1957 tot en met 1974, waarin
zij in het buitenland woonden en werkten, niet verplicht verzekerd waren
ingevolge de Nederlandse volksverzekeringen en er toen voor gekozen
hebben vrijwillig deel te nemen aan deze verzekeringen, waarbij de
Nederlandse overheid de verwachting heeft gewekt dat bij overlijden
recht zou bestaan op een volledig nabestaandenpensioen. Voorts is
aangevoerd dat het in mindering brengen van de OBU-uitkering op de
nabestaandenuitkering moet worden aangemerkt als een ontneming van
eigendom, hetgeen in strijd is met artikel 1, eerste lid, van het Eerste
Protocol bij het EVRM. Voorts heeft appellante haar stellingen
gehandhaafd dat de besluiten in strijd zijn met artikel 26 van het IVBPR
alsmede met (niet nader aangeduide artikelen van) de genoemde
ILO-conventies en de Europese Code. Ten slotte is een beroep gedaan op
artikel 14 van het EVRM met de motivering dat het gemaakte onderscheid
tussen inkomen uit of in verband met arbeid enerzijds en ander inkomen,
zoals inkomen uit vermogen, anderzijds een verboden onderscheid is in de
zin van deze verdragsbepaling.
De Raad stelt voorop dat van de zijde van appellante geen afzonderlijke
grieven zijn aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover
daarbij het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk is verklaard. In
hoger beroep is derhalve uitsluitend in geding gedaagdes besluit 2.
Voorts stelt de Raad vast dat tussen partijen niet in geschil is dat
gedaagde bij besluit 2 de aanspraak van appellante op een
nabestaandenuitkering ingaande 1 augustus 1996 overeenkomstig het
bepaalde in de Anw heeft vastgesteld. Het geschil spitst zich derhalve
toe op de vraag of dit besluit wegens strijd met algemene
rechtsbeginselen of met bepalingen van internationaal recht niet in
stand kan blijven.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet is gebleken dat door
gedaagde of de Nederlandse overheid bij appellante en haar echtgenoot
destijds bij het aangaan van de vrijwillige verzekering ingevolge de
Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) gerechtvaardigde verwachtingen zijn
gewekt dat appellante na het overlijden van haar echtgenoot aanspraak
zou kunnen maken op een ongekorte nabestaandenuitkering. In dit verband
merkt de Raad op dat de wettelijke nabestaandenverzekering een
risicoverzekering is en dat appellante bij overlijden van haar
echtgenoot ten tijde van de vrijwillige verzekering aanspraak had kunnen
maken op een uitkering of een pensioen ingevolge de AWW. Ten tijde van
het overlijden van appellantes echtgenoot op 21 augustus 1996 was hij
verplicht verzekerd ingevolge de Anw. In de uitspraak van 22 april 1994,
gepubliceerd in RSV 1994/240 heeft de Raad overwogen dat gedaagde door
toelating van de betrokkene tot de vrijwillige verzekering zich heeft
verbonden tot toekenning van een wettelijk pensioen, dat derhalve wordt
beheerst door regels die zonder instemming van de belanghebbende kunnen
worden gewijzigd. Zoals de Raad onder meer in zijn uitspraak van 1
september 1999, RSV 1999/289 en USZ 1999/295 heeft overwogen kan de
wetgever niet de bevoegdheid worden ontzegd in bestaande regelingen
wijziging te brengen.
Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat gedaagde met het
nemen van besluit 2 niet heeft gehandeld in strijd met de bepalingen van
de internationale verdragen waarop van de zijde van appellante een
beroep is gedaan. Voorzover de toekenning van de gedeeltelijke
nabestaandenuitkering ingevolge de Anw al zou kunnen worden aangemerkt
als een eigendomsontneming in de zin van artikel 1, eerste lid, van het
Eerste Protocol bij het EVRM, verwijst de Raad naar de overwegingen
omtrent die verdragsbepaling in zijn uitspraken van 24 januari 2001,
gepubliceerd in USZ 2001/49 en 50 en RSV 2001/138.
Ten aanzien van het beroep van appellante op de hiervoor genoemde
ILO-conventies en de Europese Code merkt de Raad allereerst op dat hij
in zijn uitspraak van 24 januari 2001, RSV 2001/138, reeds heeft
overwogen dat deze normverdragen een instructiekarakter dragen en
gericht zijn tot de verdragsluitende partijen, hetgeen in het algemeen
in de weg zal staan aan de mogelijkheid van het inroepen van een
rechtens afdwingbare aanspraak op een concrete prestatie in een
individueel geval. Bij uitspraak van 4 april 2003, 99/4861 ANW, heeft de
Raad in het bijzonder met betrekking tot artikel 28 van ILO-conventie
128 overwogen dat een staat geacht wordt aan artikel 28 te voldoen als
het collectieve beschermingsniveau adequaat is, zonder daarbij acht te
slaan op datgene wat in het individuele geval tot uitbetaling komt, en
dat de verdragsluitende partijen op verschillende wijzen inhoud kunnen
geven aan die instructienormen, zodat deze moeilijk te sublimeren zijn
tot een rechtens afdwingbare norm voor burgers. De Raad is derhalve tot
het oordeel gekomen dat de voor de aanspraak op een
nabestaandenuitkering relevante artikelen in de ILO-conventies en de
Europese Code niet geacht kunnen worden een eenieder verbindende
bepaling te bevatten in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet
die in beginsel door de burger voor de rechter kan worden ingeroepen.
Ten slotte is de Raad niet gebleken van een verboden onderscheid in de
zin van de artikelen 14 van het EVRM en 26 van het IVBPR. De
omstandigheid dat de Anw-uitkering van voormalige AWW-gerechtigden tot 1
januari 1998 inkomensonafhankelijk was en voor hen vanaf die datum een
andere kortingsregeling geldt, waarbij van het inkomen uit arbeid en
inkomen in verband met arbeid 70% van het brutominimumloon buiten
aanmerking wordt gelaten, betekent niet een verboden onderscheid ten
opzichte van personen, zoals appellante, die na de inwerkingtreding van
de Anw weduwe of weduwnaar zijn geworden en voor wie de andere
kortingsregeling niet van toepassing is. Aan de voormalige
AWW-gerechtigden is destijds een inkomensonafhankelijk AWW-pensioen
toegekend, dat in beginsel zou worden verstrekt tot het bereiken van de
leeftijd van 65 jaar. Zoals overwogen in de hiervoor genoemde uitspraken
van 24 januari 2001 acht de Raad het standpunt van de wetgever
aanvaardbaar dat vanuit het oogpunt van rechtszekerheid een tijdelijke
en/of gedeeltelijke (in casu tot 1 januari 1998 een tijdelijke volledige
en in aansluiting daarop een gedeeltelijke) eerbiediging van bestaande
rechten geboden is. Daarbij is tevens van belang dat degenen die na
inwerkingtreding van de Anw nabestaande worden veelal de gelegenheid
hebben gehad om een aanvullende particuliere nabestaandenverzekering af
te sluiten voor het zogenoemde Anw-gat, waaraan reeds geruime tijd voor
de inwerkingtreding van de Anw in de media uitvoerig aandacht is
besteed. Zelfs indien de echtgenoot van appellante niet in de
gelegenheid is geweest zich bij te verzekeren voor het Anw-gat, zoals
appellante suggereert, is dat onvoldoende reden om appellante op
dezelfde wijze te behandelen als de voormalige AWW-gerechtigden.
Uit de wetsgeschiedenis van de Anw, welke wet het karakter heeft van een
basisvoorziening, blijkt dat is overwogen dat bij deze wet zo nauw
mogelijk wordt aangesloten bij het inkomensbegrip zoals dat wordt
toegepast in de sociale wetgeving, namelijk het inkomen uit of in
verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven. Onder dit
inkomensbegrip valt niet inkomen uit vermogen en evenmin het vermogen
zelf. Uit de kamerstukken blijkt dat is overwogen dat de beperkte
invulling van het inkomensbegrip zich onderscheidt van de Algemene
bijstandswet, zijnde een voorziening met een vangnetkarakter, om reden
dat de Anw uitkering geeft aan nabestaanden van wie wordt aangenomen dat
zij zich niet door middel van arbeid voldoende inkomsten kunnen
verwerven en, indien blijkt dat de nabestaande dit wel kan, er reden
bestaat de uitkering te korten. Gelet op dit karakter van de Anw bestaat
voldoende reden om op de nabestaandenuitkering alleen in mindering te
brengen inkomen uit of in verband met arbeid en de overige inkomsten,
zoals inkomen uit vermogen, buiten aanmerking te laten. De Raad is van
oordeel dat een voldoende rechtvaardiging bestaat voor het onderscheid
tussen inkomen uit of in verband met arbeid enerzijds en andere vormen
van inkomen, zoals inkomen uit vermogen, anderzijds. Derhalve is geen
sprake van een verboden onderscheid, zoals namens appellante is
aangevoerd.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 augustus
2003.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|