|
Uitspraak
01/4049 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voor zover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellante heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 juni
2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 8 november 2001 heeft appellante de Raad nog een nader
stuk doen toekomen.
Bij schrijven van 13 november 2001 heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te
Nijmegen, zich als gemachtigde van appellante gesteld.
Namens appellante heeft de gemachtigde bij brief van 4 juni 2002 nog een
nader stuk in het geding gebracht.
Desgevraagd heeft gedaagde op 3 februari 2003 de Raad een reactie op
bovengenoemde stukken doen toekomen.
Bij schrijven van 28 maart 2003 zijn namens appellante nog enkele
stukken aan de Raad toegezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 augustus
2003 waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar
gemachtigde mr. Bemelmans voornoemd en haar medegemachtigde J.A.M. van
Baal en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door J.A.J.
Groenendaal, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante is na het overlijden van haar echtgenoot in het genot gesteld
van een uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, welke
uitkering per 1 juli 1996 is omgezet in een uitkering op grond van de
Algemene nabestaandenwet (Anw).
Op 1 november 1998 is appellante gaan samenwonen met [naam partner]. De
vermogensrechtelijke gevolgen van de gevoerde gemeenschappelijke
huishouding zijn op 11 december 1998 neergelegd in een
samenlevingsovereenkomst.
Bij besluit van 8 februari 1999 heeft gedaagde aan appellante
medegedeeld dat haar recht op nabestaandenuitkering op 30 november 1998 is geëindigd omdat zij op 1 november 1998 is gaan
samenwonen. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen
aangewend.
Op 25 januari 2000 heeft appellante een (nieuwe) aanvraag ingediend om
een nabestaandenuitkering.
Bij besluit van 2 maart 2000 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen
onder verwijzing naar het besluit van 8 februari 1999.
In bezwaar heeft appellante aangegeven dat de samenleving met [naam
partner] is verbroken en dat zij er altijd van is uitgegaan dat zij -
mede in verband met de verzorging van haar hulpbehoevende zoon - dan
weer recht zou krijgen op een nabestaandenuitkering.
Bij beslissing op bezwaar van 7 augustus 2000 heeft gedaagde het bezwaar
van appellante tegen het besluit van 2 maart 2000 ongegrond verklaard.
Hiertoe heeft gedaagde overwogen dat het recht op nabestaandenuitkering
op grond van artikel 16, derde lid van de Anw niet meer kan herleven omdat de
gezamenlijke huishouding niet binnen zes maanden na het eindigen van de
nabestaandenuitkering is geëindigd. Voorts heeft gedaagde in de
individuele omstandigheden van appellante geen aanleiding gezien om op
grond van artikel 16, vierde lid van de Anw van deze termijn van zes
maanden af te wijken.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten.
In dit geding is allereerst de vraag aan de orde of appellante na de beëindiging
van de nabestaandenuitkering korter dan zes maanden met [naam partner]
een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, in welk geval het recht op
een Anw-uitkering kan herleven. Vervolgens is bij een ontkennende
beantwoording van die vraag aan de orde of gedaagde in redelijkheid
heeft kunnen komen tot de beslissing om de hardheidsclausule niet toe te
passen.
De Raad gaat uit van de volgende uit de gedingstukken en het verhandelde
ter zitting gebleken feiten en omstandigheden.
Appellante woonde na de dood van haar echtgenoot samen met haar aan
epilepsie lijdende zoon. In het najaar van 1998 zijn [naam partner] en
zijn hulpbehoevende zuster bij haar in huis getrokken. Op 11 december
1998 is een samenlevingscontract opgemaakt. Appellante stond een
affectieve relatie met [naam partner] voor ogen doch hij was - naar later
bleek - slechts op financieel gewin uit en zag zijn kans schoon zijn
gehandicapte zuster bij appellante onder te brengen. Appellante is in de
stukken omschreven als een goedgelovige, wat naïeve vrouw, die na de
dood van haar echtgenoot, met wie zij een ellendig huwelijk heeft gehad,
een makkelijk slachtoffer was voor de oplichtingspraktijken van [naam
partner]. Zo zou hij hebben aangedrongen op een samenlevingscontract,
heeft hij appellante veel geld afhandig gemaakt en heeft hij zelfs
geprobeerd het huis van appellante op zijn naam te krijgen, hetgeen door
ingrijpen van appellantes omgeving tijdig verhinderd is. Uiteindelijk is
[naam partner] met veel geld van appellante vertrokken onder
achterlating van zijn zuster. Appellante heeft altijd begrepen dat haar
uitkering zou herleven als de samenleving met [naam partner] zou zijn beëindigd,
mede gezien het feit dat zij woont met haar hulpbehoevende zoon.
Onweersproken is dat [naam partner] vanaf 1 november 1998 tot en met 18
januari 2000 op het adres van appellante stond ingeschreven en dat de
samenlevingsovereenkomst formeel is beëindigd op 13 maart 2000. Ten
bewijze dat de samenleving reeds veel eerder was verbroken heeft
appellante in hoger beroep allereerst een door haar handgeschreven
briefje d.d. 31 juli 1999 - kennelijk - gericht aan de
woningbouwvereniging overgelegd waarin appellante heeft medegedeeld dat
aan [naam partner] en zijn zuster per 1 september 1999 de woonruimte
wordt ontzegd. In aanvulling hierop heeft appellante de Raad bericht dat
[naam partner] onmiddellijk na 31 juli 1999 is vertrokken. Desgevraagd
heeft de medegemachtigde Van Baal ter zitting van de Raad meegedeeld dat
dit briefje met veel moeite uit het archief van de woningbouwvereniging
is gehaald en daarom pas veel later in de procedure kon worden
overgelegd. Vervolgens is een verklaring van [naam partner] d.d. 10 mei
2002 in het geding gebracht waarin deze stelt dat de
samenlevingsovereenkomst met ingang van 1 juli 1999 met wederzijds
goedvinden werd beëindigd en dat hij met uitdrukkelijke toestemming tot
1 september 1999 samen met zijn gehandicapte zus om niet gebruik heeft
mogen maken van een gescheiden deel van de woonruimte omdat nog
vervangende woonruimte gezocht diende te worden. Bij schrijven van 28
maart 2003 zijn namens appellante nog twee van kennissen afkomstige
verklaringen, respectievelijk gedateerd 19 en 25 maart 2003, aan de Raad
toegezonden alsmede een verklaring d.d. 23 maart 2003 van de huisarts.
In de verklaring van 19 maart 2003 wordt onder meer vermeld dat [naam
partner] in april/mei 1999 een ander "slachtoffer" had
gevonden, dat hij rond juni 1999 plotseling is vertrokken en dat zijn
zus nog tot eind augustus bij appellante is blijven wonen. Blijkens de
verklaring van 25 maart 2003 had [naam partner] sedert midden mei een
andere relatie, is hij in mei dan wel in juni 1999 vertrokken en is zijn
zus nog ongeveer een half jaar bij appellante in huis gebleven. De
huisarts heeft op 23 maart 2003 verklaard dat de relatie met [naam
partner] was beëindigd voor 15 juni 1999 en dat de zorg voor zijn
zuster nog enkele maanden heeft voortgeduurd. Dit alles heeft bij
appellante van 1999 tot 2001 tot ernstige stemmingsstoornissen van
depressieve aard geleid. Ter zitting van de Raad is van de zijde van
appellante nog gesteld dat appellante al eerder de samenwoning had
willen verbreken doch dat zij daar op grond van een psychische
overmachtsituatie niet toe in staat was. Vanwege de weigering van de
Anw-uitkering is appellante uiteindelijk gedwongen geweest haar huis te
verkopen en was zij genoodzaakt weer te gaan werken om in haar onderhoud
te kunnen voorzien.
Wat betreft de beantwoording van de hiervoor omschreven eerste vraag
overweegt de Raad het volgende.
Artikel 16 van de Anw luidt voorzover hier van belang als volgt:
"1. Het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien:
a. (...)
b. de nabestaande in het huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke
huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van een hulpbehoevende;
of
c. (...)
2. (...)
3. Voor de nabestaande wiens uitkering op grond van het eerste lid,
onderdeel b, wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding is geëindigd
herleeft het recht op een nabestaandenuitkering met ingang van de eerste
dag van de maand dat hij, uiterlijk binnen zes maanden na het eindigen
van de nabestaandenuitkering, de gezamenlijke huishouding niet meer
voert.
4. De Sociale verzekeringsbank kan, in afwijking van het derde lid, een
langere termijn vaststellen indien de toepassing wat de termijn van zes
maanden betreft, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende
aard."
Gedaagde heeft het voeren van een gezamenlijke huishouding vastgesteld
met toepassing van een van de onweerlegbare rechtsvermoedens opgenomen
in artikel 3, vierde lid, van de Anw, namelijk het hebben van
hoofdverblijf in dezelfde woning en een samenlevingscontract. Volgens
gedaagdes beleid is beëindiging van de gezamenlijke huishouding in dat
geval slechts mogelijk doordat een van de partners zijn hoofdverblijf
elders vestigt. Indien de nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht
is ingetrokken omdat een gezamenlijke huishouding is vastgesteld, vangt
de termijn van zes maanden, zoals genoemd in het derde lid van artikel
16, aan met ingang van de dag na bekendmaking van de primaire
beschikking, in casu derhalve op 9 februari 1999. Hieruit volgt dat de
termijn van zes maanden eindigde op 8 augustus 1999.
Op grond van de voorhanden zijnde gegevens is de Raad van oordeel dat er
onvoldoende objectieve aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de
gezamenlijke huishouding is beëindigd voor 8 augustus 1999. De Raad
heeft hierbij in aanmerking genomen dat de objectieve gegevens, welke
bestaan uit de inschrijving van [naam partner] op het adres van
appellante tot en met 18 januari 2000 en een formele contractbeëindiging
in maart van dat jaar, niet duiden op de beweerde verbreking van de
samenleving binnen zes maanden. De door appellante hiertegenover
gestelde verklaringen zijn meest achteraf opgesteld en zijn - zoals ook
ter zitting is erkend - tegenstrijdig aangaande de vertrekdatum van [naam
partner], zodat de Raad niet de waarde aan die verklaringen kan hechten
die appellante eraan gehecht wil zien.
De Raad merkt in dit verband nog op dat appellante op 25 januari 2000
een nieuwe aanvraag om Anw-uitkering heeft gedaan en gedaagde eerst toen
op de hoogte is gebracht van de beëindiging van de gezamenlijke
huishouding met [naam partner], welke zoals door appellante wordt
gesteld in de zomer van 1999 moet worden gesitueerd. Het was derhalve
voor gedaagde niet meer mogelijk om uit directe observatie vast te
stellen of de gezamenlijke huishouding feitelijk was verbroken. Het
risico dat appellante achteraf in bewijsmoeilijkheden is gekomen dient
daarom voor haar rekening te blijven.
Vervolgens dient de Raad de vraag te beantwoorden of gedaagde terecht
niet van zijn bevoegdheid zoals verwoord in het vierde lid van artikel
16 heeft gebruik gemaakt om van de in het derde lid genoemde termijn van
zes maanden af te wijken omdat in het geval van appellante geen sprake
zou zijn van een onbillijkheid van overwegende aard. Aangezien het bij
de toepassing van artikel 16, vierde lid, gaat om een bevoegdheid van
een bestuursorgaan, zal de rechter de hantering van die bevoegdheid
slechts in beperkte mate kunnen toetsen en dient hij zijn beoordeling
met name te richten op de beantwoording van de vraag of het orgaan in
redelijkheid niet tot zijn onderwerpelijke besluit heeft kunnen komen,
dan wel daarbij heeft gehandeld in strijd met algemene rechtsbeginselen
of algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Namens appellante is in dit verband subsidiair aangevoerd dat indien
niet uitgegaan kan worden van een beëindiging van de gezamenlijke
huishouding binnen zes maanden dan toch moet worden geoordeeld dat de
wil om de samenwoning te verbreken er binnen zes maanden is geweest,
doch dat dit vanwege psychische factoren pas later is geëffectueerd.
Mede in het licht van de bijzondere omstandigheden waarin appellante
destijds verkeerde en ook thans nog verkeert, heeft gedaagde volgens
appellante(s gemachtigde) ten onrechte artikel 16, vierde lid van de Anw
niet toegepast.
Hoewel de Raad de impact die de gebeurtenissen op appellante hebben
gehad, niet onderschat kan de Raad appellante in haar betoog niet
volgen. De Raad is het geheel van feiten en omstandigheden overziende
van oordeel dat gedaagde in het onderhavige geval in redelijkheid heeft
kunnen besluiten dat de toepassing van de termijn van zes maanden niet
leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De Raad heeft in dit
oordeel betrokken dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 16, vierde lid
van de Anw blijkt dat de hardheidsclausule kan worden toegepast in
uitzonderlijke situaties, waarbij is gedacht aan de situatie waarin de
intentie tot verbreking van de samenwoning voor het einde van de
zesmaanden termijn aanwezig was doch dat aan deze termijn door
toevallige factoren net niet voldaan kon worden. De Raad is uit
objectieve gegevens niet gebleken noch heeft appellante aannemelijk
kunnen maken dat een dergelijke uitzonderlijke situatie hier aan de orde
was.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. H.J.
Simon en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.
van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 oktober
2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|