|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/4275 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden is mr. ing. J.G. van
Ek, advocaat te Heerlen, namens appellante in hoger beroep gekomen tegen
de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 9 juli 2002, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 10 oktober 2003,
waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar
gemachtigde mr. Van Ek voornoemd en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante is tot 30 maart 1993 gehuwd geweest met [naam ex-echtgenoot],
die is overleden [in] 2001. Naar aanleiding van dit overlijden heeft
appellante in november 2001 een aanvraag om uitkering op grond van de -
op 1 juli 1996 in werking getreden - Algemene nabestaandenwet (Anw) bij
gedaagde ingediend.
Bij besluit van 27 november 2001 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen.
Bij beslissing op bezwaar van 6 februari 2002 heeft gedaagde het bezwaar
tegen het besluit van 27 november 2001 ongegrond verklaard overwegende
dat appellante niet als nabestaande van de overledene kan worden
aangemerkt, omdat de overledene niet verplicht was aan appellante een
bedrag voor levensonderhoud te betalen.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten.
Bij de beoordeling van het hoger beroep stelt de Raad voorop dat, naar
van de zijde van appellante niet is bestreden, zij niet als nabestaande
in de zin van artikel 1, onder e, in verbinding met artikel 3, van de
Anw kan worden aangemerkt. Een aanspraak op nabestaandenuitkering zou
appellante slechts kunnen ontlenen aan artikel 4 van de wet, dat bepaalt
dat onder nabestaande mede wordt verstaan de gewezen echtgenote van een
overleden verzekerde, indien:
a. het huwelijk anders dan door de dood is ontbonden; en
b. de overleden verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden
verplicht is krachtens rechterlijke uitspraak of overeenkomst,
vastgelegd in een notariële akte of een akte mede ondertekend door een
advocaat, levensonderhoud te verschaffen aan de gewezen echtgenoot op
grond van Boek I van het Burgerlijk Wetboek; en
c. de gewezen echtgenoot overeenkomstig de bepalingen in deze wet recht
op nabestaandenuitkering zou hebben gehad, indien het overlijden plaats
zou hebben gehad op de dag van ontbinding van het huwelijk anders dan
door de dood.
Gedaagde heeft appellante de nabestaandenuitkering ingevolge de Anw
ontzegd op de grond dat haar gewezen echtgenoot onmiddellijk
voorafgaande aan zijn overlijden niet verplicht was aan appellante
levensonderhoud te verschaffen.
Van de zijde van appellante is dit standpunt van gedaagde betwist en
aangevoerd dat zij wel als nabestaande in de zin van artikel 4 van de
Anw dient te worden aangemerkt. Ter ondersteuning van dit standpunt
heeft appellante verwezen naar het echtscheidingsconvenant waarin de
volgende passage is opgenomen:
"De vrouw doet uitdrukkelijk afstand van haar recht op alimentatie
jegens de man, voor nu en in de toekomst, welk beding niet bij
rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd, ook niet bij
wijziging van omstandigheden, welk beding niet geldt voor de periode dat
zij na het feitelijk uit elkaar gaan van partijen, bijstand
geniet."
In dit verband is namens appellante betoogd dat zij ten tijde van het
overlijden van haar ex-echtgenoot bijstand genoot en dat de gemeente f
1000,- per maand bij hem verhaalde, waaruit kan worden afgeleid dat
appellante recht had op alimentatie.
De Raad kan de opvatting van appellante niet onderschrijven.
De Raad overweegt daartoe, dat de "pseudoweduwe", zoals een
persoon in de positie van appellante doorgaans wordt aangeduid, slechts
bij wege van gelijkstelling ingevolge artikel 4 van de Anw als
nabestaande kan worden aangemerkt. Blijkens de wetsgeschiedenis is voor
die gelijkstelling slechts dan voldoende grondslag aanwezig geacht,
indien er ten tijde van het overlijden sprake was van economische
afhankelijkheid, tot uitdrukking komend in een financiële band tussen
de overledene en de ex-echtgenoot, welke op zijn beurt was vastgelegd in
een uitspraak of akte als in de wet omschreven.
Duidelijk is dat aan deze voorwaarden in de situatie van appellante niet
is voldaan: door het verhaal op [naam ex-echtgenoot] vanwege de gemeente
is er geen financiële band tussen hem en appellante ontstaan waarin
haar economische afhankelijkheid van hem tot uitdrukking komt. Evenmin
is er enige indicatie dat de wetgever bedoeld heeft om die voorwaarden
ook vervuld te achten in de feitelijke omstandigheden die zich bij
appellante hebben voorgedaan.
De Raad ziet dan ook geen ruimte om de voorwaarde onder b) van artikel 4
van de Anw ook vervuld te achten in het geval dat er sprake is van
verhaal ingevolge de Algemene bijstandswet op de ex-echtgenoot. Derhalve
moet geconcludeerd worden dat de gewezen echtgenoot van appellante niet
verplicht was aan appellante levensonderhoud op grond van Boek I van het
Burgerlijk Wetboek te verschaffen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een
vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. M.F.
van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 november
2003.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|