|
Uitspraak
02/15 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Raad
van bestuur van de Sociale verzekeringsbank de taken en bevoegdheden uit
die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale
Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan
de Sociale Verzekeringsbank.
Appellante heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 16
november 2001, nummer AWB 00/492, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de Raad heeft gedaagde nadere informatie verstrekt,
waarop door appellante is gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 31 oktober 2003, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot
[echtgenoot] (verder: [echtgenoot]), terwijl gedaagde is verschenen bij A. van
Scherpenzeel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante is geboren [in] 1956. Zij is op 15 oktober 1982 gehuwd met
[echtgenoot], geboren [in] 1932.
Bij brief van 21 januari 1998, gevolgd door een aanvraagformulier van 5
januari 1999, heeft [echtgenoot] namens appellante verzocht om deelname
aan de regeling voor personen die bij een particuliere levensverzekeraar
onverzekerbaar zijn, welke regeling is neergelegd in het Besluit ex
artikel 66a ANW (verder: het Besluit). Hij heeft daarbij aangegeven dat
een verzekering bij een particuliere verzekeraar, gelet op zijn leeftijd
en het leeftijdsverschil tussen hem en appellante, niet tot de reële
mogelijkheden behoort. Ter adstructie van deze stelling heeft hij
verklaringen overgelegd van Axent/Aegon Leven NV en van
CNV-verzekeringen, waaruit blijkt dat [echtgenoot] niet terzake van het
overlijdensrisico kan worden verzekerd in verband met zijn leeftijd.
Voorts heeft hij een offerte bijgevoegd van de Stichting
Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalindustrie, waarbij hem een
verzekering wordt aangeboden tegen een jaarpremie van fl. 7.116,= in
1996 bij een jaaruitkering van fl. 23.000,=, welke premie in de loop der
jaren aanzienlijk zal stijgen.
Bij besluit van 25 juni 1999 heeft gedaagde het verzoek om deelname aan
de regeling afgewezen op de grond dat geen verklaring van
onverzekerbaarheid is verstrekt als bedoeld in het Besluit.
In bezwaar tegen dit besluit heeft appellante aangevoerd dat de regeling
discriminerend is naar leeftijd. Gedaagde heeft vervolgens appellante in
de gelegenheid gesteld alsnog een beoordeling door een
verzekeringsmaatschappij te doen verrichten op basis van de gezondheid
van [echtgenoot]. In verband met de leeftijd van [echtgenoot] bleek
echter geen van de benaderde maatschappijen, met uitzondering van PVF
Pensioenen, bereid een verzekering aan te bieden of een medische keuring
te verrichten. PVF-pensioenen deed een offerte voor een verzekering met
ingang van 1 januari 2000 tegen een jaarpremie van fl. 10.347,34 bij een
jaaruitkering van fl. 23.400,=.
Bij beschikking op bezwaar van 9 juni 2000 (het bestreden besluit) heeft
gedaagde het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Gedaagde heeft
hiertoe overwogen dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen
alleen echtgenoten van personen die wegens hun gezondheidstoestand
onverzekerbaar zijn, tot de regeling toe te laten. Voor [echtgenoot] kan
weliswaar geen levensverzekering bij een particuliere verzekeraar worden
afgesloten, maar deze weigering is uitsluitend gebaseerd op zijn
leeftijd.
De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Noch in de tekst van het Besluit, noch in de nota van toelichting
hierbij kan naar het oordeel van de rechtbank steun worden gevonden voor
de opvatting dat echtgenoten van personen die anders dan op grond van
hun gezondheidstoestand onverzekerbaar zijn, aan de regeling kunnen
deelnemen.
In hoger beroep heeft appellante haar stelling herhaald dat in het
Besluit een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt naar leeftijd.
Zij meent dat beide vormen van onverzekerbaarheid gelijk moeten worden
behandeld, omdat zowel in geval van een hoge leeftijd als in geval van
een slechte gezondheid verzekering wordt geweigerd vanwege het grote
overlijdensrisico. De regeling is naar het oordeel van appellante verder
onrechtvaardig omdat bij overlijden van [echtgenoot] diens AOW-pensioen
met de daarbij behorende toeslag wordt ingetrokken zonder dat hiervoor
een nabestaandenuitkering in de plaats komt.
Gedaagde heeft zich ook in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er
sprake is van een uitdrukkelijke keuze van de wetgever. In antwoord op
vragen van de Raad heeft hij voorts te kennen gegeven dat degene die in
de gelegenheid is gesteld tegen een premie die lager is dan de premie
bedoeld in artikel 2, onder c en d, van het Besluit, een
overlijdensrisicoverzekering te sluiten bij een particuliere
verzekeringsmaatschappij, door gedaagde niet als onverzekerbaar wordt
beschouwd in de zin van artikel 2 van het Besluit, zelfs niet als de
betrokkene een mededeling van onverzekerbaarheid in verband met de
gezondheidstoestand overlegt welke is afgegeven door een andere
verzekeringsmaatschappij.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 2 van het Besluit is voor de toepassing van dat
besluit onverzekerbaar de echtgenoot:
a. die gelet op zijn gezondheidstoestand bij een verzekeraar niet kan
worden verzekerd voor een uitkering bij zijn overlijden ten gunste van
de persoon;
b. op wiens leven gelet op zijn gezondheidstoestand door een persoon
geen verzekering voor een uitkering bij overlijden van die echtgenoot
kan worden afgesloten bij een verzekeraar;
c. die gelet op zijn gezondheidstoestand bij een verzekeraar wel kan
worden verzekerd voor een uitkering bij zijn overlijden ten gunste van
de persoon doch voor een premie die per maand ten minste twee en een
half maal hoger is dan de premie die bij dezelfde verzekeraar voor de
echtgenoot van toepassing zou zijn indien zijn gezondheidstoestand niet
in aanmerking zou zijn genomen; of
d. op wiens leven gelet op zijn gezondheidstoestand door een persoon wel
een verzekering voor een uitkering bij overlijden van die echtgenoot kan
worden afgesloten bij een verzekeraar doch voor een premie die per maand
ten minste twee en een half maal hoger is dan de premie die bij dezelfde
verzekeraar voor de echtgenoot van toepassing zou zijn indien zijn
gezondheidstoestand niet in aanmerking zou zijn genomen.
De Raad laat in het midden of ten aanzien van de echtgenoot van
appellante van onverzekerbaarheid kan worden gesproken, nu hem op twee
momenten een levensverzekering is aangeboden tegen de premie die geldt
voor een gezonde persoon. De Raad merkt daarbij op dat de hoogte van de
aan [echtgenoot] in rekening gebrachte premie niet alleen zijn oorzaak
vindt in de leeftijd van [echtgenoot], maar ook in het leeftijdsverschil
tussen hem en appellante. Volgens artikel 2, aanhef en onder c en d van
het Besluit, is bij de beantwoording van de vraag of een persoon
onverzekerbaar moet worden geacht, het verhogende effect van een
aanmerkelijk leeftijdsverschil met de partner op de premie niet van
belang. Bepalend is slechts de invloed van de gezondheidstoestand van de
aanvrager op de premie. Bij de beantwoording van de vraag of
[echtgenoot] op grond van zijn leeftijd onverzekerbaar moet worden
geacht kan het effect op de premie van het aanzienlijke
leeftijdsverschil met appellante dan ook geen rol spelen.
Maar ook indien in verband met het feit dat vrijwel alle door
[echtgenoot] benaderde maatschappijen hebben geweigerd een verzekering
op zijn leven af te sluiten en op grond van de hoogte van de premies in
de hem wel gedane offertes ervan zou moeten worden uitgegaan dat er
realiter sprake is van onverzekerbaarheid, meent de Raad dat gedaagde op
goede gronden tot het bestreden besluit is gekomen.
Tussen partijen is niet in geschil dat het bestreden besluit in
overeenstemming is met de tekst van het Besluit. Het geschil tussen
partijen spitst zich derhalve toe op de vraag of dit besluit wegens
strijd met bepalingen van internationaal recht of met algemene
rechtsbeginselen niet in stand kan blijven.
De Raad verstaat de stelling van appellante daarbij aldus, dat het
onderscheid in het Besluit tussen (echtgenoten van) personen die
onverzekerbaar zijn op grond van hun gezondheidstoestand, en
(echtgenoten van) personen die anderszins (en met name op grond van hun
leeftijd) onverzekerbaar zijn, verboden is tegen de achtergrond van het
in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en
Politieke Rechten (Trb. 1978, 177) en artikel 1 van de Grondwet neergelegde
gelijkheidsbeginsel.
Bij de beoordeling van deze stelling dient in het oog te worden gehouden
dat het in casu gaat om een overgangsregeling betreffende personen die
in geval van overlijden van hun echtgenoot volgens de regels van de AWW
aanspraak op uitkering zouden hebben kunnen maken, maar die volgens de
regels van de Anw niet langer als rechthebbende kunnen worden
aangemerkt. Een dergelijke overgangsregeling, waarbij wordt bepaald ten
aanzien van welke categorieën van personen gedurende welke tijd en
onder welke voorwaarden de nieuwe regelgeving niet ten volle wordt
toegepast, bevat onvermijdelijk bepaalde tot op zekere hoogte arbitraire
elementen, welke echter niet te snel als discriminerend mogen worden
aangemerkt.
Bij de totstandkoming van de Anw heeft de wetgever, gelet op de
toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen, als uitgangspunt gekozen dat
vrouwen geboren op of na 1 januari 1950 worden geacht door arbeid in hun
eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, tenzij zij kinderen hebben die
jonger zijn dan 18 jaar of die arbeidsongeschikt zijn. Bij wege van
overgangsregeling heeft de wetgever echter personen die onder de werking
van de AWW recht op een uitkering zouden hebben gehad en van wie de
echtgenoot, gelet op diens gezondheidstoestand, naar verwachting binnen
afzienbare tijd zou overlijden, willen vrijwaren van het aan de nieuwe
regelgeving verbonden gevolg dat geen recht op uitkering zou ontstaan.
Daarom is in artikel 66a, eerste en tweede lid, van de Anw bepaald dat
personen die zijn geboren op of na 1 januari 1950 en voor 1 juli 1956 en
van wie de echtgenoot is overleden binnen drie jaar na inwerkingtreding
van de Anw, onder bepaalde voorwaarden worden geacht te zijn geboren
voor 1 januari 1950. In een later stadium heeft de wetgever deze
overgangsregeling willen uitbreiden voor gevallen waarin de echtgenoot
verwachtte te zullen overlijden na 1 juli 1999, maar vanwege zijn
gezondheidstoestand niet of slechts tegen een maatschappelijk
onaanvaardbaar geachte premie in staat werd gesteld zich te verzekeren.
Dit heeft geresulteerd in de regeling zoals vervat in het Besluit,
waaraan personen die op grond van hun gezondheidstoestand onverzekerbaar
waren, bij aanmelding voor 1 april 1999 konden deelnemen. Zowel bij de
totstandbrenging van de oorspronkelijke overgangsregeling als bij de
latere uitbreiding daarvan heeft de wetgever derhalve slechts een
beperkte groep van personen, ten aanzien van wier echtgenoot het
verzekerde risico naar verwachting binnen afzienbare tijd zou intreden,
willen uitzonderen van de volle werking van de nieuwe wettelijke aanname
omtrent het kunnen voorzien in het eigen levensonderhoud.
Tegen de achtergrond van de hierboven weergegeven motieven van de
wetgever welke een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de
onderhavige regeling, kan naar het oordeel van de Raad niet worden
gezegd dat het onderscheid tussen personen wier echtgenoten op grond van
hun gezondheidstoestand onverzekerbaar zijn, en personen van wie de
echtgenoot er vanwege zijn leeftijd niet in slaagt zich tegen een
aanvaardbare premie particulier te verzekeren, niet op redelijke en
objectieve gronden berust. Met betrekking tot gezonde personen ouder dan
60 of 65 jaar kan immers niet in algemene zin worden volgehouden dat het
verzekerde risico naar verwachting binnen afzienbare tijd zal intreden.
De wetgever heeft, door te oordelen dat de overgangsrechtelijke
bescherming van personen met een gezonde echtgenoot in deze
leeftijdscategorie op 1 juli 1999 diende te worden beëindigd, de hem op dit punt toekomende
ruime beoordelingsmarge niet overschreden.
Gelet op het bovenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een
vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 december
2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|