|
Uitspraak
01/6211 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Raad
van bestuur van de Sociale verzekeringsbank de taken en bevoegdheden uit
die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale
Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan
de Sociale Verzekeringsbank.
Appellante heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22
oktober 2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 september 2003,
waar appellante in persoon is verschenen, terwijl gedaagde, daartoe
ambtshalve opgeroepen, is verschenen bij mr. J.Y. van den Berg, werkzaam
bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante is in 1980 gescheiden van haar toenmalige echtgenoot [naam
toenmalige echtgenoot] (verder: [naam toenmalige echtgenoot]). Bij
beschikking van 21 april 1982 heeft het gerechtshof te Amsterdam de
maandelijks door [naam toenmalige echtgenoot] aan appellante te betalen
alimentatie zonder beperking van tijd vastgesteld op een bedrag van fl.
1.400,= per maand, welke alimentatie jaarlijks met toepassing van de
wettelijk vastgestelde indexeringspercentages is verhoogd. Daarnaast
ontving appellante sinds 1997 aanvullende bijstand.
Kennelijk in verband met het feit dat de voorlopige heffing van
belasting over nog te ontvangen alimentatietermijnen noopte tot
frequente herberekening van de aanvullende bijstand van appellante,
heeft de sociale dienst van de gemeente Bloemendaal (verder: de GSD)
appellante in 1998 laten weten, in te stemmen met beëindiging van de
betaling van alimentatie door [naam toenmalige echtgenoot], welke op dat
moment reeds 18 jaren had plaatsgevonden. Appellante heeft [naam
toenmalige echtgenoot] toen telefonisch laten weten dat de GSD had
geadviseerd de alimentatie stop te zetten. Nadat [naam toenmalige
echtgenoot] nog gedurende twee maanden alimentatie aan appellante had
betaald, welke bedragen door appellante werden teruggestort, heeft [naam
toenmalige echtgenoot] de betaling van alimentatie aan appellante beëindigd.
Aan appellante is vervolgens ingaande 1 oktober 1998 een normuitkering,
verhoogd met een maximale toeslag, op grond van de Algemene bijstandswet
toegekend.
Op 1 februari 2000 is [naam toenmalige echtgenoot] overleden. Appellante
heeft een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet
(Anw) aangevraagd. Gedaagde heeft deze aanvraag bij besluit van 18 mei
2000 afgewezen omdat [naam toenmalige echtgenoot] onmiddellijk
voorafgaand aan zijn overlijden niet verplicht zou zijn geweest, aan
appellante alimentatie te betalen. Het bezwaar tegen dit besluit is bij
besluit van 28 november 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de alimentatiebetalingen
ten tijde van het overlijden weliswaar waren gestaakt, maar dat er geen
sprake was van een op beëindiging van de alimentatie gerichte
wilsovereenstemming.
De Raad overweegt als volgt.
Op grond van artikel 4 van de Anw kan de gewezen echtgenoot van een
overleden verzekerde onder bepaalde voorwaarden worden aangemerkt als
nabestaande in de zin van de Anw. Eén van de voorwaarden is dat de
overleden verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden
verplicht is krachtens rechterlijke uitspraak of overeenkomst,
vastgelegd in een notariële akte of een akte mede ondertekend door een
advocaat, levensonderhoud te verschaffen aan de gewezen echtgenoot.
Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag of [naam toenmalige
echtgenoot] direct voor zijn overlijden op grond van het arrest van het
gerechtshof te Amsterdam d.d. 21 april 1982 nog verplicht was
levensonderhoud te verschaffen aan appellante.
De Raad constateert dat de door het gerechtshof te Amsterdam
vastgestelde alimentatieverplichting van [naam toenmalige echtgenoot]
nimmer bij rechterlijke uitspraak vervallen is verklaard. Evenmin is
komen vast te staan dat appellante en [naam toenmalige echtgenoot] een
overeenkomst hebben gesloten welke strekte tot beëindiging van de
alimentatieverplichting van [naam toenmalige echtgenoot], of dat
appellante ten principale afstand heeft gedaan van haar recht op
alimentatie. De door appellante geschetste gang van zaken wijst veeleer
in de richting dat appellante, onder behoud van haar recht op
alimentatie en met instandlating van de verplichting van [naam
toenmalige echtgenoot] haar van levensonderhoud te voorzien, op advies
van de GSD heeft verzocht om het (voorshands) achterwege laten van de
feitelijke betaling daarvan in verband met de hieraan voor de GSD
verbonden administratief-technische complicaties. [naam toenmalige
echtgenoot] lijkt, gelet op het feit dat hij na het telefoongesprek met
appellante nog tot twee maal toe is overgegaan tot betaling van de
alimentatie, zelfs met een enkele onderbreking van de feitelijke
betalingen node te hebben ingestemd.
Nu op grond van artikel 4, aanhef en onder b, Anw voor het recht op
nabestaandenuitkering bepalend is of direct voor het overlijden op de
overleden verzekerde een verplichting tot alimentatiebetaling rustte, en
niet of deze alimentatie daadwerkelijk tot uitbetaling kwam, heeft
gedaagde op onjuiste gronden aangenomen dat appellante niet kan worden
aangemerkt als nabestaande in de zin van de Anw.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak en het
bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. Gedaagde dient een nieuw
besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is
overwogen.
De Raad ziet voorts aanleiding gedaagde te veroordelen tot betaling van
de kosten die appellante in verband met het beroep en het hoger beroep
redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn in beroep begroot op
€ 644,= voor verleende rechtsbijstand en in hoger beroep op € 14,90
aan reiskosten, in totaal € 658,90.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg
tot een bedrag groot € 644,= en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 14,90, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het door appellante gestorte
griffierecht van in totaal € 104,37 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 november 2003.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|