|
Uitspraak
01/4843 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
mede verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellante heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29
juni 2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Op 12 september 2003 heeft appellante 's morgens telefonisch aan de Raad
verzocht de behandeling van het geding aan te houden, aangezien zij met
betrekking tot haar aanspraken krachtens de Algemene nabestaandenwet
(Anw) een klacht heeft ingediend bij het Europese Hof voor de Rechten
van de Mens (het Hof), welke procedure nog bij het Hof aanhangig is.
Het geding is vervolgens op dezelfde dag behandeld ter zitting van de
Raad, waar appellante niet is verschenen, terwijl gedaagde is verschenen
bij G.J.N. Keuper, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad acht geen termen aanwezig voor aanhouding van de behandeling van
het geding op de door appellante aangevoerde gronden. De Raad heeft
hiertoe overwogen dat appellante zich kennelijk op de voet van artikel
34 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens
en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij het Hof heeft beklaagd over
schending door de Staat der Nederlanden van één of meer van haar
rechten op grond van dit verdrag. Op grond van artikel 35, eerste lid,
van het EVRM kan het Hof een zaak pas in behandeling nemen nadat alle
nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput. De Raad acht het meer in
overeenstemming met laatstgenoemde bepaling om thans een uitspraak te
doen, welke - als de klacht ontvankelijk wordt geacht - door het Hof in
zijn oordeelsvorming kan worden betrokken, dan om de behandeling van de
zaak aan te houden. De Raad merkt los hiervan nog op dat het vanuit een
oogpunt van goede procesorde op de weg van appellante had gelegen om,
indien zij aanhouding door de Raad met het oog op haar klacht bij het
Hof op prijs stelde, haar verzoek zo spoedig mogelijk na indiening van
deze klacht te doen en niet eerst ongeveer een uur voordat de
behandeling van het geding ter terechtzitting zou plaatsvinden.
Met betrekking tot de inhoudelijke aspecten van het geding overweegt de
Raad als volgt.
Appellante is geboren [in] 1948. Haar echtgenoot is overleden [in] 1996.
Appellante ontving op 1 september 1996 een inkomen uit arbeid in
loondienst van fl. 3.973,89 en een overhevelingstoeslag van fl. 323,58
per maand.
Bij besluit van 8 november 1996 heeft gedaagde vastgesteld dat
appellante recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de Anw,
maar dat deze in verband met de hoogte van haar inkomen uit arbeid niet
tot uitbetaling komt.
Bij besluit van 29 april 1994 heeft gedaagde het bezwaar van appellante
tegen dit besluit ongegrond verklaard.
In beroep heeft appellante in hoofdzaak geklaagd over schending van de
artikelen 22, 23 en 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van
de Mens (de Universele Verklaring), artikel 14 van het EVRM, de
artikelen 11, 12, 13, 16 en 17 van het Europees Sociaal Handvest (ESH),
en artikel 7 van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Appellante
heeft daarbij aangevoerd dat er sprake is van een ontoelaatbare
rechtsongelijkheid tussen personen die vóór de inwerkingtreding van de
Anw op 1 juli 1996 nabestaande zijn geworden en personen van wie de
echtgenoot op of na deze datum is overleden, alsook tussen mannen en
vrouwen. Voorts meent appellante dat ten onrechte onderscheid wordt
gemaakt tussen personen met inkomen uit of in verband met arbeid en
personen met aanvullende pensioenen of met inkomen uit vermogen.
Appellante heeft verder gewezen op de haars inziens onbillijke
referteperiode die wordt gehanteerd bij de beoordeling van het recht op
een aanvullende studiebeurs voor haar dochter.
De rechtbank heeft bij brief van 18 juni 1998 aan appellante te kennen
gegeven de behandeling van het geding te zullen aanhouden totdat deze
Raad uitspraak zou hebben gedaan in een aantal zaken waarin naar het
oordeel van de rechtbank een vergelijkbare problematiek aan de orde was.
Nadat de Raad op 24 januari 2001 in bedoelde gedingen uitspraak had
gedaan, heeft de rechtbank het geding op 18 mei 2001 ter zitting
behandeld. Vervolgens heeft zij het beroep van appellante bij uitspraak
van 29 juni 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe
geoordeeld dat de Universele Verklaring een beginselverklaring is waarop
burgers geen beroep kunnen doen voor de rechter, dat de door appellante
genoemde bepalingen van het ESH niet eenieder kunnen verbinden in de zin
van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, dat de inkomenstoets in de
Anw niet in strijd komt met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, dat er geen sprake is van verboden
discriminatie tussen personen die wel en personen die niet onder het
overgangsrecht vallen, dat de rechter formele wetgeving niet mag toetsen
aan algemene rechtsbeginselen, dat er geen sprake is van niet door de
wetgever verdisconteerde omstandigheden welke aanleiding zouden kunnen
vormen om een strikte wetstoepassing achterwege te laten en dat het aan
de Commissie gelijke behandeling is om zich uit te laten over een
vermeende schending van artikel 7 van de Awgb.
In hoger beroep heeft appellante haar argumenten in hoofdzaak
gehandhaafd en daarbij tevens gesteld dat de rechtbank de behandeling
van het geding ten onrechte heeft aangehouden, nu de destijds bij de
Raad aanhangige gedingen alle de toepassing van het overgangsrecht Anw
betroffen, waarbij in ieder geval nog een gedeelte van de uitkering tot
uitbetaling kwam.
Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad is van oordeel, dat
gedaagde de aanspraak van betrokkene op nabestaandenuitkering ingaande 1
september 1996 overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Anw heeft
vastgesteld. Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of dit
besluit wegens strijd met bepalingen van internationaal recht of met
algemene rechtsbeginselen niet in stand kan blijven. Dienaangaande
overweegt de Raad als volgt.
Appellante heeft - zakelijk weergegeven - ten eerste aangevoerd dat
onverkorte toepassing van de Anw ertoe leidt dat haar de aanspraken
worden onthouden welke haar worden gegarandeerd in de artikelen 22, 23
en 25 van de Universele Verklaring en de artikelen 11, 12, 13, 16 en 17
van het ESH. Toetsing aan deze bepalingen is echter slechts mogelijk
indien het gaat om in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet bedoelde
bepalingen, die naar hun inhoud eenieder kunnen verbinden. Zoals de Raad
reeds heeft overwogen in zijn uitspraak van 1 maart 2000, RSV 2000/173,
kan de Universele Verklaring niet worden aangemerkt als een verdrag in
de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, zodat zij het
toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet niet vermag te
doorbreken. Met betrekking tot de door appellante aangehaalde artikelen
van het ESH merkt de Raad op dat deze bepalingen naar hun inhoud niet
eenieder kunnen verbinden. Gelet op de bewoordingen en strekking van
bedoelde bepalingen is daarin veeleer sprake van algemeen geformuleerde
sociale doelstellingen, tot het nastreven en verwezenlijken waarvan in
hun regelgeving de verdragsstaten zich hebben verbonden, dan van een
door die verdragsstaten erkend recht, waarop de burgers zich in hun
nationale rechtsorde zonder meer kunnen beroepen. Derhalve valt niet in
te zien waarom met betrekking tot genoemde bepalingen een uitzondering
zou moeten worden aangenomen op de in het algemeen gestelde regel, als
verwoord in de Memorie van Toelichting bij de wet tot goedkeuring van
het ESH (Bijl. Hand. II 1965-1966, 8606, nr. 3), te weten dat het ESH
geen "interne werking" heeft in de deelnemende staten en dat
onderdanen van partijen derhalve geen beroep kunnen doen op het ESH voor
een nationaalrechtelijke instantie. De Raad verwijst in dit kader nog
naar zijn uitspraak van 21 januari 1994, RSV 1994/192, inzake artikel
13, aanhef en onder l, van het ESH.
De Raad is voorts van oordeel dat er geen sprake is van een ontneming
van eigendom of een beperking van het eigendomsrecht in strijd met
artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Van een ontneming van
eigendom of van een beperking van een eigendomsrecht van appellante zou
naar het oordeel van de Raad slechts sprake kunnen zijn indien een vóór
het overlijden van de echtgenoot van appellante, althans vóór de
vaststelling van haar aanspraken uit hoofde van dit overlijden, bestaand
voorwerp van eigendom ("possession") in het kader van de
nabestaandenverzekering zou kunnen worden aangewezen dat haar bij het
besluit van 8 november 1996 is ontnomen of waarvan het genot door dit
besluit is beperkt. Onder de term "possessions" in artikel 1
van het Eerste Protocol moeten volgens jurisprudentie van het Hof niet
alleen worden verstaan bestaande bezittingen, maar ook
vermogensbestanddelen, met inbegrip van aanspraken, met betrekking
waartoe de betrokkene kan onderbouwen dat hij tenminste een
gerechtvaardigde verwachting heeft dat die zullen worden gerealiseerd.
Een voorwaardelijke aanspraak die is vervallen omdat niet aan de
voorwaarden is voldaan, kan echter niet worden beschouwd als een "possession"
(zie EHRM 4 maart 2003, Jantner tegen Slowakije, nr. 39050/97).
De Raad is van oordeel dat er van een "possession" zoals hier
bedoeld tot het moment van overlijden van de echtgenoot van appellante
geen sprake is geweest. Aan het risicoverzekeringskarakter van de Anw is
inherent dat - afgezien van internationale gevallen waarin de overledene
mede aan één of meer opbouwstelsels onderworpen is geweest - een
vervuld tijdvak van verzekering krachtens de Anw is
"uitgewerkt", en derhalve geen economische waarde meer
vertegenwoordigt, als het verzekerd risico tijdens dit tijdvak niet is
ingetreden. Gunstiger verzekeringsvoorwaarden die golden tijdens een
inmiddels uitgewerkt tijdvak van verzekering vormen dan ook geen "possession".
Ook indien zou worden aangenomen dat er toen de AWW nog van kracht was
reeds sprake was van een "possession", te weten: een aanspraak
op uitkering conform het bepaalde in de AWW indien de echtgenoot van
appellante zou komen te overlijden, kan de hierop gerichte verwachting
van appellante slechts gerechtvaardigd worden geacht voorzover deze
betrekking had op de omvang van de dekking bij overlijden van haar
echtgenoot terwijl de AWW nog van kracht was. Appellantes echtgenoot is
evenwel overleden nadat de AWW was vervangen door de Anw. Eventuele aan
het stelsel van de AWW ontleende verwachtingen waren met betrekking tot
dit overlijden niet gerechtvaardigd en vormden dan ook geen "possession"
waarop door het bestreden besluit een inbreuk is gemaakt. Naar het
oordeel van de Raad omvat het recht op een ongestoord genot van eigendom
als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM niet de
aanspraak op het door de wetgever in het leven roepen van een
begunstigende overgangsregeling in situaties waarin de voorwaarden van
een wettelijke risicoverzekering ten nadele van de belanghebbende worden
gewijzigd terwijl het verzekerd risico nog niet is ingetreden.
Gelet op het bovenstaande kon het besluit van 8 november 1996, waarbij
de omvang en de modaliteiten van de nabestaandenuitkering van appellante
conform de wettelijke bepalingen ten tijde van het overlijden van haar
echtgenoot zijn vastgesteld, niet strekken tot ontneming of beperking
van een bestaand eigendomsrecht van appellante.
Met betrekking tot de stelling van appellante dat in de Anw een verboden
onderscheid wordt gemaakt tussen personen wier echtgenoot vóór 1 juli
1996 is overleden en personen wier echtgenoot op of na deze datum is
overleden, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 5 september 2001,
USZ 2001/271. De Raad overwoog in die uitspraak dat artikel 26 van het
IVBPR en artikel 14 van het EVRM er niet toe strekken personen te
beschermen tegen de nadelige gevolgen van wijziging van wetgeving,
waarbij noodzakelijkerwijs het toepasselijke wettelijke regime een
relatie heeft met het tijdstip van de verzekerde gebeurtenis, in
aanmerking genomen dat de gewijzigde wet op zichzelf geen discriminerend
karakter heeft. Een essentieel verschil tussen appellante en personen
wier echtgenoot vóór 1 juli 1996 zijn overleden, is dat appellante ten
tijde van inwerkingtreding van de Anw geen te eerbiedigen recht had op
een nabestaandenuitkering.
De Raad overwoog in genoemde uitspraak voorts dat de inkomenstoets in de
Anw geen indirecte discriminatie oplevert van vrouwen ten opzichte van
mannen. Ervan uitgaande dat meer mannelijke nabestaanden een inkomen of
een hoger inkomen uit of in verband met arbeid ontvangen dan vrouwelijke
nabestaanden, zullen meer mannelijke dan vrouwelijke nabestaanden niet
in aanmerking komen voor een nabestaandenuitkering. De klacht van
appellante over discriminatie van vrouwen moet derhalve worden
verworpen.
De Raad kan appellante voorts niet volgen in haar stelling dat bij de
toepassing van de Anw sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid
tussen personen met inkomen uit of in verband met arbeid enerzijds en
personen met een aanvullend pensioen of inkomen uit vermogen anderzijds.
Blijkens de parlementaire geschiedenis van de Anw (TK 1994-1995, 24 169,
nr. 3, pag. 12 en nr. 45c, pag. 3) is met deze wet beoogd uitkering te
verstrekken aan personen die niet in staat worden geacht zich door
middel van arbeid voldoende inkomsten te verwerven. Daarbij fungeert de
nabestaandenuitkering als bodem voor het aanvullende
nabestaandenpensioen. Naar het oordeel van de Raad is deze doelstelling
legitiem. Het ter verwezenlijking van deze doelstelling gekozen middel -
toepassing van een korting op de uitkering als inkomen wordt genoten
uit of in verband met arbeid, maar niet als er sprake is van inkomen uit
vermogen of van een aanvullend nabestaandenpensioen - is naar het oordeel
van de Raad zowel geschikt om deze doelstelling te bereiken als
proportioneel tegen de achtergrond van het gewicht van deze
doelstelling. De Raad tekent hierbij nog aan dat de criteria voor de
toekenning van studiefinanciering waaraan de dochter van appellante
kennelijk niet voldoet of heeft kunnen voldoen, in een te ver verwijderd
verband tot het thans aanhangige geding staan om daarmee rekening te
kunnen houden.
Voorzover appellante een beroep heeft willen doen op algemene
rechtsbeginselen overweegt de Raad, onder verwijzing naar het
Harmonisatiewetarrest (HR 14 april 1989, AB 1989, 207) dat het de
rechter niet is toegestaan wetten in formele zin, zoals in casu de Anw,
te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en dat de rechter voorts niet
mag treden in een belangenafweging welke reeds door de wetgever is
verricht of geacht moet worden te zijn verricht. Dat er sprake zou zijn
van door de wetgever niet gewenste en onbedoelde effecten van de
regeling welke mogelijkerwijs aan onverkorte wetstoepassing in de weg
zouden staan, is de Raad niet gebleken.
Appellante heeft zich voorts beroepen op schending van artikel 7 van de
Awb. De Raad kan appellante in haar visie op dit punt niet volgen, reeds
omdat genoemd artikel slechts van toepassing is op het aanbieden van
goederen of diensten, het sluiten, uitvoeren of beëindigen van
overeenkomsten ter zake, alsmede bij het geven van advies of
voorlichting over school- en beroepskeuze. Het artikel heeft derhalve
geen betrekking op de toepassing van de sociale verzekeringswetgeving.
In hoger beroep heeft appellante ten slotte gesteld dat de rechtbank de
behandeling van het geding ten onrechte heeft aangehouden in afwachting
van een uitspraak van deze Raad in enkele andere zaken. De Raad
interpreteert deze stelling aldus, dat de rechtbank door deze aanhouding
de redelijke termijn die voor de behandeling van het geding in artikel 6
van het EVRM is voorgeschreven, heeft geschonden. De Raad kan appellante
op dit punt niet volgen. Naar het oordeel van de Raad heeft de
rechtbank, onder afweging van het individuele belang van appellante bij
een spoedige afdoening tegen het algemeen belang dat vergt dat zaken
reeds in eerste aanleg zoveel mogelijk volgens ter zake door het hoogste
bevoegde rechtscollege uitgezette of uit te zetten lijnen worden
afgedaan, zonder schending van de redelijke termijn tot aanhouding
kunnen komen. De Raad merkt hierbij op dat zijn uitspraak van 24 januari
2001 weliswaar overgangsgevallen betrof, maar dat het oordeel van de
Raad over met name de werking van de ILO-conventies 121 en 128 ook voor
de zaak van appellante van belang was. Voorts heeft appellante zich niet
verzet tegen de mededeling van de rechtbank inzake de aanhouding.
Tenslotte heeft de rechtbank ongeveer zes weken nadat de Raad bedoelde
uitspraak had gedaan, de zaak geagendeerd voor behandeling ter
terechtzitting.
Gelet op al het vorenstaande is de Raad van oordeel dat aangevallen
uitspraak op goede gronden berust.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. H.J.
Simon en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr.
M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5
december 2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|