|
Uitspraak
01/5142 ANW en 01/5143 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante heeft mr. J. van Delft, advocaat te Nijmegen, op bij
een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank Arnhem op 4 september 2001 tussen partijen
gewezen uitspraak, reg.nrs. 98/316 en 01/264, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 3 februari 2004, waar voor
appellante niemand is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank, vestiging Nijmegen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, uit de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken, feiten en
omstandigheden.
Aan appellante, geboren 8 maart 1946, is met ingang van 1 december 1980
een uitkering toegekend op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet,
welke per 1 juli 1996 is omgezet in een uitkering op grond van de
Algemene nabestaandenwet (Anw).
Bij besluit van 14 november 1997 is het recht op uitkering op grond van
het Inkomens- en samenloopbesluit Anw opnieuw beoordeeld en met ingang
van 1 januari 1998 nader vastgesteld op f 576,22 bruto per maand.
Daaraan heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat appellante op 1 juli
1996 en op 31 december 1997 een gezamenlijke huishouding voert met de
heer [naam partner].
Bij besluit van 7 januari 1998 heeft gedaagde het tegen het besluit van
14 november 1997 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Voorts heeft gedaagde als gevolg van de nader in werking getreden
versoepelingsregeling Anw bij besluit van 30 juni 1998 de Anw-uitkering
van appellante alsnog met ingang van 1 januari 1998 verhoogd tot een
bedrag van f 704,12 bruto per maand, zijnde het bedrag dat geldt voor
een Anw-gerechtigde die een gezamenlijke huishouding voert.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met beslissingen
omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van
7 januari 1998 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van
procesbelang, het beroep mede gericht geacht tegen het nadere besluit
van 30 juni 1998 en dat beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de
rechtbank gekeerd, voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van 30
juni 1998 ongegrond is verklaard.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Anw wordt als echtgenoot mede
aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde
meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het derde lid van dat
artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen
hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te
dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de
kosten van de huishouding dan wel anderszins.
De Raad stelt vast dat appellante en [naam partner] onbetwist op 1 juli
1996 en 31 december 1997 beiden hun hoofdverblijf hadden op het adres
[adres] te [woonplaats], zodat ten tijde in geding aan het zogeheten
huisvestingscriterium was voldaan.
Het tweede criterium waaraan voldaan moet zijn, is dat van de
wederzijdse verzorging. Naar vaste rechtspraak van de Raad kan deze
blijken uit een bepaalde mate van financiλle verstrengeling tussen de
betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en
hiermee samenhangende vaste lasten. Indien van een zodanige
verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook
andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de
betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten
aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van
subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag
of aan het verzorgingscriterium is voldaan.
Uit de gedingstukken, waaronder in het bijzonder de mede door appellante
en [naam partner] ondertekende "checklist onderzoek van de
leefsituatie AOW/Anw" van 27 mei 1997, blijkt onder meer dat ten
tijde in geding het huurcontract voor de gehele woning op het adres
[adres] op beider naam stond, dat tussen appellante en [naam partner]
geen (onder)huurcontract was opgemaakt, dat de verschillende vertrekken
in de woning - met uitzondering van de slaapkamers - gemeenschappelijk
werden gebruikt, dat [naam partner] sedert de aanvang van de inwoning in
1993 f 200,-- per maand aan kostgeld betaalde (welk bedrag ten tijde in
geding nog niet was gewijzigd) en dat [naam partner] appellante had
gemachtigd over een bankrekening van hem te beschikken. Reeds gelet
hierop kan naar het oordeel van de Raad niet van een strikt zakelijke
overeenkomst tussen appellante en [naam partner] worden gesproken. De
Raad ziet dat oordeel voorts bevestigd in de verklaring van appellante
dat zij (mede) door de inwoning van [naam partner] geen huursubsidie
meer ontvangt en het gegeven dat zij zich samen met [naam partner] bij
de woningbouwvereniging voor een andere woning heeft laten inschrijven.
Een en ander betekent dat de maandelijkse bijdrage van [naam partner]
aan appellante moet worden gekwalificeerd als een bijdrage in de kosten
van de huishouding.
Gedaagde heeft derhalve op goede gronden geconcludeerd dat appellante en
[naam partner] ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerden
als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Anw.
De Anw-uitkering van appellante is dientengevolge terecht overeenkomstig
de wettelijke bepalingen met ingang van 1 januari 1998 herzien en met
inachtneming van de nadere versoepelingsregeling Anw vastgesteld.
De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.H.M.
Roelofs en mr. A.B.J van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr.
P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 maart
2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) P.C. de Wit.
|
|