|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 01/3432 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. INLEIDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale Verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent appellant
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op de in het beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 mei
2001, reg.nr. Anw 98/2372, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 23 december 2003, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. A. Slovacek, werkzaam bij
de Sociale Verzekeringsbank, en waar gedaagde in persoon is verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten en de toepasselijke algemeen
verbindende voorschriften verwijst de Raad, mede gelet op de
gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het
volgende.
Bij het bestreden besluit van 23 oktober 1998 heeft appellant in bezwaar
gehandhaafd zijn primaire besluit van 20 april 1998, waarbij de aan
gedaagde toegekende nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet met ingang van 1 mei 1997 is beëindigd en de over de
periode van 1 mei 1997 tot en met december 1997 betaalde
nabestaandenuitkering (f 14.625,20) van hem is teruggevorderd. Het
bestreden besluit berust op het standpunt van appellant dat gedaagde op
11 april 1997 een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met mevrouw
P.M. [betrokkene] ([betrokkene]) in haar woning te [woonplaats].
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling
omtrent het griffierecht - het door gedaagde tegen het bestreden besluit
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald
dat appellant met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op het
bezwaar van gedaagde dient te nemen. De rechtbank heeft daarbij
geoordeeld dat gedaagde - pas - in de loop van augustus 1997 een
gezamenlijke huishouding met [betrokkene] is gaan voeren, zodat het
recht op nabestaandenuitkering eindigt met ingang van 1 september 1997
en de periode waarover wordt teruggevorderd beperkt dient te blijven tot
het tijdvak van 1 september 1997 tot en met december 1997.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd. Appellant blijft zich op het standpunt stellen dat
gedaagde reeds op 11 april 1997 een gezamenlijke huishouding met
[betrokkene] is gaan voeren.
De Raad stelt voorop dat, nu gedaagde geen hoger beroep heeft ingesteld,
bij de aangevallen uitspraak een onherroepelijk oordeel is gegeven over
gedaagdes recht op nabestaandenuitkering over het tijdvak van 1
september 1997 tot en met december 1997. Dat betekent dat het geding in
hoger beroep beperkt is tot het tijdvak van 1 mei 1997 tot en met
augustus 1997. Al hetgeen partijen met betrekking tot het tijdvak van 1
september 1997 tot en met december 1997 hebben aangevoerd, moet daarom
buiten bespreking blijven.
Voorts stelt de Raad vast dat, gelet op hetgeen gedaagde in beroep en
appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, partijen - slechts - van
mening verschillen over de vraag of (op 11 april 1997) tussen gedaagde
en [betrokkene] al dan niet een commerciële (kostgangers)relatie
bestond.
De Raad is van oordeel dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter
zitting toereikende aanknopingspunten naar voren zijn gekomen zijn om te
oordelen dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. [Betrokkene]
heeft gedaagde op 24 maart 1997 schriftelijk het aanbod gedaan om in
haar woning een kamer, met gebruik van het sanitair en de keuken, te
huren. Op 11 april 1997 is gedaagde inderdaad naar die woning verhuisd.
Uit de door gedaagde (reeds in bezwaar) overgelegde bankafschriften van
[betrokkene] blijkt dat gedaagde met ingang van april 1997 aan
[betrokkene] maandelijks een bedrag van f 1000,-- aan huur heeft
betaald. Enig objectief gegeven dat aanleiding zou kunnen geven tot de
vaststelling dat in het in hoger beroep nog in geding zijnde tijdvak
sprake was van wederzijdse zorg van gedaagde en [betrokkene], is niet
beschikbaar. In deze omstandigheden kan, anders dan appellant heeft
betoogd, het ontbreken van een schriftelijke huurovereenkomst ook niet
aan gedaagde worden tegengeworpen.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Van kosten van gedaagde waarop een veroordeling in de proceskosten
betrekking kan hebben, is de Raad niet gebleken.
Voor de goede orde merkt de Raad nog op dat het gevolg van deze
uitspraak (in samenhang met de aangevallen uitspraak) is dat appellant
een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van gedaagde tegen het
primaire besluit. Daarbij dient appellant ervan uit te gaan dat het
recht van gedaagde op nabestaandenuitkering niet eerder dan met ingang
van 1 september 1997 is geëindigd, zodat ook niet meer kan worden
teruggevorderd dan het bedrag van de over het tijdvak van 1 september
1997 tot en met december 1997 betaalde nabestaandenuitkering.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van de Sociale Verzekeringsbank een griffierecht van €
409,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van R.L.
Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|