|
Uitspraak
01/2245 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Alkmaar van 7 maart 2001, nr. 99/650 ANW, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft bij brief van 8 december 2003 een brief van de Europese
Commissie ingezonden.
Het geding is - gevoegd met het geding onder nummer 01/2246 AOW -
behandeld ter zitting van de Raad op 6 februari 2004, waar appellante in
persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante, geboren op 3 juli 1930, heeft in november 1998 aan gedaagde
verzocht om vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de
volksverzekeringen. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij sinds 3 juli
1995 een Frans overheidspensioen ad f 10.854 per jaar ontvangt. Haar echtgenoot is van 1 maart 1963 tot en
met 30 september 1992 als ambtenaar van de Europese Commissie werkzaam
geweest bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek te Petten.
Bij besluit van 4 december 1998 heeft gedaagde aan appellante meegedeeld
dat aan haar geen vrijstelling wordt verleend van de verplichte
verzekering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW). Daarbij is overwogen dat appellantes Franse
uitkering minder bedraagt dan 70% van het Nederlandse wettelijk
minimumloon, zodat niet voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 24 van
het Koninklijk besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1989 van 3 mei 1989, Stb. 1989, 164 (KB 164).
Bij besluit van 2 maart 1999 is het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van 7 maart 2001 het beroep
ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat
appellante aanspraak kan maken op de in de artikelen 12, 13, tweede
alinea en 14 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten
van de EG (PbEG 1967, L 152/12, Trb. 1965, 130, hierna: Protocol)
neergelegde voorrechten en immuniteiten. Vervolgens heeft de rechtbank,
onder verwijzing naar onder meer het arrest Klomp van het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen van 25 februari 1969, nr. 23/68,
overwogen dat onder vrijstelling van belastingen als bedoeld in artikel
13 en 14 van het Protocol niet moet worden begrepen de
premieverplichting inzake de volksverzekeringen. Dit leidt naar het
oordeel van de rechtbank ertoe dat appellante aan het EG-recht geen
aanspraak kan ontlenen op grond waarvan het bepaalde in KB 746 (en KB
164) ten aanzien van haar buiten toepassing zou dienen te blijven.
In hoger beroep is door appellante aangevoerd dat het Nederlandse
sociale zekerheidsstelsel niet op haar van toepassing kan zijn nu op
grond van artikel 15 van het Protocol haar verzekeringspositie reeds
wordt beheerst door het stelsel dat van toepassing is op EG-ambtenaren.
De Raad overweegt als volgt.
Het onderhavige geschil spitst zich toe op de vraag of gedaagde terecht
heeft geweigerd appellante vrijstelling van de verzekeringsplicht
ingevolge de Anw en AKW te verlenen.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. De Raad stelt vast dat
appellantes Franse uitkering minder bedraagt dan 70% van het wettelijk
minimumloon, zodat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 22 van
het Koninklijk besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen van 24 december 1998, Stb. 1998, 746 (KB 746).
Ten aanzien van appellantes beroep op artikel 15 van het Protocol merkt
de Raad het volgende op. Krachtens dit artikel stelt de Raad van de
Europese Gemeenschappen op voorstel van de Commissie met eenparigheid
van stemmen vast de regeling inzake de sociale voorzieningen, welke op
de ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen van
toepassing zijn. De Raad vermag niet in te zien dat deze bepaling en het
daarop gebaseerde Statuut van de ambtenaren van de Europese
Gemeenschappen in de weg staan aan de aansluiting van personen zoals
appellante, die niet werkzaam zijn en nimmer werkzaam zijn geweest bij
de Europese Gemeenschappen en die aan het Statuut geen verzekering
terzake van risico's zoals bijvoorbeeld ouderdom en overlijden kunnen
ontlenen, bij een nationaal sociaalzekerheidsstelsel zoals de
Nederlandse volksverzekeringen. De Raad wijst hierbij erop dat in de
brief van de Europese Commissie van 24 november 2003, welke door
appellante in het geding is gebracht, evenmin steun valt te vinden voor
haar betoog dat artikel 15 van het Protocol in de weg staat aan haar
aansluiting bij het Nederlandse stelsel. De Raad leest in deze brief
enkel dat de Commissie van mening is dat lidstaten gepensioneerde
ambtenaren, zoals de echtgenoot van appellante, niet kunnen verplichten
om zich bij een nationaal sociaalzekerheidsstelsel aan te sluiten zonder
artikel 15 van het Protocol te overtreden.
Van strijd met enig andere bepaling van gemeenschapsrecht is de Raad
evenmin gebleken.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, op
enigszins gewijzigde gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B.
van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 maart
2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.J.B. van der Putten.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de
Algemene nabestaandenwet (Anw) kan ieder der partijen beroep in cassatie
instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing
van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3, tweede tot en met
zesde lid, 6, 7 en 13 van die wet en op die artikelen berustende
bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|