|
Uitspraak
02/3215 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante heeft mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, advocaat te Terneuzen,
op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 6 mei 2002,
nr. Awb 01/600, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante zijn vervolgens nog diverse stukken in het geding
gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 februari 2004,
waar appellante in persoon is verschenen bijgestaan door haar
gemachtigde J. de Bliek en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door E.W. Viertelhauzen, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante, die op 19 januari 1955 is geboren, heeft in januari 2001 een
aanvraag om een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet (Anw) ingediend, na het overlijden van haar echtgenoot
[naam echtgenoot] op 25 december 2000. Bij die aanvraag heeft appellante
aangegeven dat zij zich geheel of gedeeltelijk ongeschikt acht voor het
verrichten van arbeid buiten haar eigen huishouden. Gedaagde heeft
vervolgens aan Cadans Uitvoeringsinstelling verzocht advies uit te
brengen over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante. Op grond
van rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft
Cadans op 12 april 2001 geconcludeerd dat appellante in staat geacht
wordt om met arbeid tenminste 55% te verdienen van hetgeen gezonde
personen met dezelfde opleiding en ervaring gewoonlijk verdienen.
Op grond van dit advies heeft gedaagde bij besluit van 24 april 2001
geweigerd een nabestaandenuitkering aan appellante toe te kennen. Bij
beslissing op bezwaar van 13 september 2001 (hierna: het bestreden
besluit) heeft gedaagde zijn besluit van 24 april 2001 gehandhaafd. Aan
dit besluit ligt een nader medisch en arbeidskundig onderzoek ten
grondslag van WOSM B.V., waarin op grond van onderzoek door een
verzekeringsarts en een register arbeidsdeskundige is geconcludeerd dat
appellante voor minder dan 45% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd
in de zin van de Anw.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard,
overwegende dat zij geen aanleiding heeft gevonden te twijfelen aan de
zorgvuldigheid waarmee de zaak in medisch opzicht is beoordeeld nu de
verzekeringsarts van WOSM in zijn rapport de informatie van de
behandelend orthopeed heeft betrokken. Voorts is de rechtbank tot de
slotsom gekomen dat geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat de aan
appellante voorgehouden functies niet passend voor haar zouden zijn
wegens strijd met het opgestelde belastbaarheidspatroon.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte
niet is ingegaan op hetgeen zij heeft aangevoerd met betrekking tot de
toepassing van artikel 66a van de Anw. Daarbij is tevens opgemerkt dat
appellante niet is geďnformeerd over de mogelijkheid zich voor 1 april
1999 aan te melden voor een Anw-hiaat verzekering. Verder is aangevoerd
dat appellante vanaf december 2000 voor meer dan 45% arbeidsongeschikt
is in de zin van de Anw. Ter ondersteuning van die stelling heeft
appellante een medische rapportage overgelegd alsmede een besluit van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) van 4 oktober
2002, waarin geweigerd wordt een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) aan appellante toe te kennen,
onder meer, op de grond dat appellante ten tijde van de aanvang van haar
werkzaamheden op 1 oktober 2001 reeds volledig arbeidsongeschikt was in
de zin van die wet.
De Raad overweegt het volgende.
Tussen partijen is ook in hoger beroep in geschil of gedaagdes weigering
een nabestaandenuitkering ingevolge de Anw aan appellante toe te kennen
in rechte stand kan houden. Daarbij spitst het geschil zich met name toe
op de vragen of appellante op grond van artikel 66a van de Anw aanspraak
heeft op deze uitkering en of terecht is aangenomen dat de mate van
appellantes arbeidsongeschiktheid minder dan 45% bedraagt.
Ten aanzien van het beroep van appellante op artikel 66a van de Anw
merkt de Raad op dat de eerste twee leden van dit artikel voorzien in
een overgangsregeling op grond waarvan een nader omschreven groep
personen, van wie de echtgenoot binnen drie jaar na 1 juli 1996 is
overleden, geacht worden te voldoen aan een van de voorwaarden voor
aanspraak op nabestaandenuitkering. De Raad is met gedaagde van oordeel
dat appellante geen aanspraak op nabestaandenuitkering aan deze bepaling
kan ontlenen, omdat haar echtgenoot na 1 juli 1999 is overleden.
Verder is op grond van het derde lid van artikel 66a van de Anw een
regeling getroffen voor personen wier echtgenoot overlijdt op of na 1
juli 1999 en die overigens voldoen aan de voorwaarden bedoeld in het
tweede lid van deze bepaling. Op grond van dit Besluit ex artikel 66a
van de Anw konden personen wier echtgenoot in verband met diens
gezondheidstoestand onverzekerbaar waren zich tot 1 april 1999 aanmelden
voor deelname aan deze regeling. De Raad stelt vast dat appellante en/of
haar echtgenoot zich voor 1 april 1999 niet aangemeld hebben voor
deelname aan de regeling bedoeld in het Besluit ex artikel 66a van de
Anw. Daarbij merkt de Raad nog op dat niet is gebleken van feiten of
omstandigheden op grond waarvan aangenomen kan worden dat de echtgenoot
van appellante toen voldeed aan de voorwaarden voor deelname aan deze
regeling.
Wat betreft de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van
appellante vanaf 25 december 2000 is de Raad, met de rechtbank, van
oordeel dat gedaagde op een zorgvuldige wijze tot de conclusie is
gekomen dat appellantes arbeidsongeschiktheid minder dan 45% bedroeg. De
Raad heeft hiertoe overwogen dat gedaagde bij de voorbereiding van het
primaire besluit van 24 april 2001 en het bestreden besluit adviezen
heeft ingewonnen van respectievelijk Cadans en WOSM, welke adviezen na
onderzoek van appellante en het raadplegen van informatie van de
behandelend sector tot stand zijn gekomen.
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad niet
tot een ander oordeel kunnen brengen. In dit verband merkt de Raad nog
op dat de in hoger beroep overgelegde gegevens afkomstig van het Uwv
geen betrekking hebben op de in dit geding van belang zijnde datum van
25 december 2000. Voorts kan uit die gegevens niet afgeleid worden dat
de adviezen van Cadans en WOSM onjuist of onvolledig zijn te achten. Uit
deze stukken blijkt namelijk dat voor appellante per 1 oktober 2001
soortgelijke beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid zijn
vastgesteld als in de adviezen van Cadans en WOSM. Voorts is door de
verzekeringsarts van het Uwv aangegeven dat appellante beschikt over
duurzaam benutbare mogelijkheden en is de prognose ten aanzien van
werkhervatting als niet ongunstig omschreven. Aan het feit dat het Uwv
op grond van dit advies de weigering een WAO-uitkering aan appellante te
verstrekken, naast andere weigeringsgronden die wel uitgaan van een
geschiktheid van appellante bepaalde werkzaamheden te verrichten,
primair heeft gebaseerd op de grond dat appellante ten tijde van de
aanvang van haar werkzaamheden op 1 oktober 2001 reeds volledig
arbeidsongeschikt was, vermag de Raad derhalve geen doorslaggevende
betekenis toe te kennen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat gedaagdes weigering een
nabestaandenuitkering ingevolge de Anw aan appellante toe te kennen in
rechte stand kan houden. Dit betekent dat het hoger beroep niet kan
slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking
komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 april 2004.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.P. Grauss.
|
|