|
Uitspraak
03/3345 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent appellant
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank īs-Hertogenbosch
van 16 mei 2003, nr. AWB 02/648 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is medegedeeld dat geen verweerschrift ingediend zal
worden.
Het geding is, gevoegd met een aantal soortgelijke gedingen, behandeld
ter zitting van de Raad op 5 maart 2004, waar appellant zich heeft doen
vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal en mr. drs. M. van Everdingen,
beiden werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank en waar gedaagde niet is
verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 9 november 2001 heeft appellant de aan gedaagde
toegekende nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet
(Anw) over het tijdvak van januari 1999 tot en met oktober 2001 herzien
en nader vastgesteld op in dat besluit aangegeven bedragen. Appellant
heeft besloten tot deze herziening omdat nader was gebleken dat de
inkomsten van gedaagde in verband met arbeid hoger waren dan het op
grond van inkomstenopgaven van gedaagde vastgestelde inkomen. In een
begeleidende brief bij dit besluit, eveneens gedateerd 9 november 2001,
heeft appellant aan gedaagde medegedeeld dat hij over voornoemd tijdvak
f 10.830,12 ( 4.914,49) teveel aan Anw-uitkering heeft ontvangen en
dat appellant van plan is dit bedrag van hem terug te vorderen. Daarbij
is aan gedaagde verzocht aan te geven hoe hij dit bedrag terug wil
betalen. Tevens is aan gedaagde medegedeeld dat na ontvangst van zijn
reactie een beslissing over de terug- en invordering zal worden genomen,
waartegen desgewenst bezwaar gemaakt kan worden.
Bij beslissing op bezwaar van 4 februari 2002, hierna: het bestreden
besluit, heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van
9 november 2001 ongegrond verklaard, overwegende dat terecht is besloten
de Anw-uitkering van gedaagde te herzien over voornoemd tijdvak, omdat
de uitkering aanvankelijk was gebaseerd op onjuiste gegevens omtrent de
overige inkomsten van gedaagde. Voorts heeft appellant het bezwaar van
gedaagde tegen het voornemen van appellant, zoals verwoord in de
begeleidende brief van 9 november 2001, het teveel betaalde bedrag terug
te vorderen niet-ontvankelijk verklaard, aangezien deze brief geen
bezwaarclausule bevat. In oktober 2002 heeft appellant een definitief
terug- en invorderingsbesluit genomen.
De rechtbank heeft het beroep van gedaagde ongegrond verklaard voorzover
het is gericht tegen het besluit de Anw-uitkering van gedaagde vanaf 1
januari 1999 te herzien. Verder heeft de rechtbank het beroep van
gedaagde gegrond verklaard, voorzover het is gericht tegen het besluit
hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn bezwaren tegen de
terugvordering, zoals verwoord in de begeleidende brief van 9 november
2001. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat deze brief onmiskenbaar
een ondubbelzinnige mededeling bevat met betrekking tot een beslissing
van appellant omtrent de hoogte van de terugvordering van de teveel
betaalde uitkering. Deze brief is volgens de rechtbank gericht op
rechtsgevolg en daarom aan te merken als een besluit in de zin van
artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarbij heeft de
rechtbank erop gewezen dat de besluitvorming van appellant over de
terugvordering al was afgerond toen de begeleidende brief van 9 november
2001 werd verzonden.
Appellant heeft in hoger beroep slechts grieven aangevoerd tegen het
oordeel van de rechtbank over de vraag of de begeleidende brief van 9
november 2001 een besluit is in de zin van de Awb. Daarbij heeft
appellant opgemerkt dat op grond van de artikelen 53, vijfde lid, en 54
van de Anw in beginsel een gecombineerde terug- en
invorderingsbeslissing genomen moet worden. De begeleidende brief van 9
november 2001 is volgens appellant slechts een vooraankondiging van de
terugvordering, waarbij een betalingsvoorstel wordt gedaan inzake het
terug te vorderen bedrag ten einde de betrokkene de gelegenheid te
bieden daarop te kunnen reageren. De brief is derhalve slechts een
tussenschakel in de besluitvormingsketen die uiteindelijk resulteert
in een gecombineerd terug- en invorderingsbesluit.
Verder heeft appellant aangevoerd dat de hoogte van het terug te
vorderen bedrag ten tijde van het verzenden van de vooraankondiging nog
niet vast stond. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat aan de hand
van de eventuele reactie op de vooraankondiging op grond van artikel 53,
vierde lid, van de Anw besloten kan worden geheel of gedeeltelijk af te
zien van terugvordering. De besluitvorming over de terugvordering is
derhalve pas afgerond op het moment dat besloten wordt tot een
gecombineerd terug- en invorderingsbesluit. Ten slotte heeft appellant
nog opgemerkt dat ook uit de bewoordingen van de vooraankondiging
duidelijk blijkt dat de besluitvorming niet is afgerond, nu daarin
uitdrukkelijk is vermeld dat appellant van plan is een bedrag terug te
vorderen en dat over de terugvordering nog een besluit volgt waartegen
bezwaar gemaakt kan worden.
De Raad stelt voorop dat tussen partijen in hoger beroep slechts in
geschil is of de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft
vernietigd voorzover daarbij gedaagdes bezwaren tegen de begeleidende
brief van 9 november 2001 niet-ontvankelijk zijn verklaard. Daarbij
spitst het geschil zich toe op de vraag of die brief aangemerkt moet
worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
De Raad is met appellant van oordeel dat de begeleidende brief van 9
november 2001 gezien de inhoud van dit schrijven niet aangemerkt kan
worden als een besluit in de zin van de Awb, omdat die brief niet is
gericht op enig rechtsgevolg en derhalve geen rechtshandeling bevat. De
brief heeft blijkens de bewoordingen ervan voornamelijk tot doel
gedaagde te informeren enerzijds over het voornemen van appellant om de
ten onrechte betaalde uitkering terug te vorderen en anderzijds over de
hoogte van het bedrag dat volgens appellant onverschuldigd aan uitkering
is betaald. Voorts wijzen ook de overige omstandigheden er geenszins op
dat appellant het besluitvormingsproces ten aanzien van de
terugvordering op 9 november 2001 reeds had afgerond. In de brief wordt
immers een voorstel tot een betalingsregeling gedaan aan gedaagde met
als doel om, na kennisneming van de reactie van gedaagde, te komen tot
een gecombineerd terug- en invorderingsbesluit als bedoeld in artikel
53, vijfde lid, van de Anw. Verder heeft appellant er terecht op gewezen
dat de reactie van gedaagde aanleiding zou kunnen geven om op grond van
het vierde lid van artikel 53 van de Anw geheel of gedeeltelijk van de
terugvordering af te zien.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat appellant bij het
bestreden besluit de bezwaren van gedaagde tegen de begeleidende brief
van 9 november 2001 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat
geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb.
Voorts constateert de Raad dat het bezwaarschrift van gedaagde op grond
van artikel 6:10, eerste lid, van de Awb niet aangemerkt kan worden als
een prematuur bezwaar, nu gedaagde op grond van de tekst van de brief
van 9 november 2001 redelijkerwijs niet kon menen dat reeds een besluit
over de terugvordering tot stand was gekomen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt. Hoewel in
hoger beroep slechts een deel van de aangevallen uitspraak is
aangevochten ziet de Raad op proceseconomische gronden aanleiding de
gehele aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep
geheel ongegrond te verklaren.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 april 2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|